Staat en Maatschappij.
Gelijk reeht gevraagd. Verschillende Kiesvereenigingen, Schoolbesturen en corporatiën hebben een goed werk verricht, door dezen winter in hunne vergaderingen en samenkomsten de bekende motie Almelo ter sprake te brengen om te doen behandelen. Van allen kant kreeg die motie dan ook metterdaad steun. Toch lijkt het ons toe, dat de actie van de voorstanders der Christelijke School grooter had kunnen zijn, en zich meer stemmen hadden moeten laten hooren om bij de regeering aan te dringen op het toekennen van een hooger subsidie voor schoolbouw dan het aanhangige wetsontwerp geeft. Wellicht bevinden zich er onder onze lezers nog sommigen die niet voldoende den inhoud der motie kennen. Daarom laten we ze hieronder in haar geheel afdrukken.
De motie luidt:
De Vergadering van leden van Schoolbesturen, en andere voorstanders van christelijke scholen, bezocht door ongeveer 400 personen, uit alle deelen der Provincie Overijssel, en samengekomen te Almelo in het Gebouw voor Christelijke Belangen op 13 December 1911,
Overwegende:
dat, behalve iii de groote steden van ons land, er verschillende arme streken zijn, waar uit gebrek aan geld geen bijzondere school kan, worden opgericht, of de bestaande niet kan worden uitgebreid, zoodat daardoor tal van kinderen, voor welke bijzonder onderwijs begeerd wordt, moeten worden teruggewezen, uit gebrek aan de noodige middelen;
dat het voor behoorlijke ontwikkeling van he: bijzonder onderwijs nadeelig is, dat zoovele schoolbesturen met schulden overladen zijn ;
dat het bizonder onderwijs de belastingen verlicht;
dat, behalve de vele millioenen, die het Rijk uitkeert, nog 8.000.000 gulden door de gemeenten wordt betaald voor het openbaar lager onderwijs;
dat, behalve de gewone rijksbijdragen, nog aan tal van gemeenten een zeer aanzienlijk bedrag als extra subsidie voor het openbaar lager onderwijs wordt uitgekeerd, o.a. aan de gemeente E m m e n, bij K.B. van 8 November 1911, f48.000.—;
dat het der vergadering wenschelijk voorkom' te trachten het Unierapport te verwezenlijken,maar zoolang dit nog toeft, aan te dringen op aanzienlijk meerderen steun voor onze bijzondere scholen;
dat, hetgeen het aanhangig wetsvoorstel ter tegemoetkoming in de bouwkosten van bijzondere lagere scholen, in uitzicht stelt, in ge enen deele voldoende geacht kan worden om de lasten te verlichten, en nog minder voor het oprichten van bijzondere scholen in zoovele streken van ons land, zoowel in de groote steden als op het platteland, waar voor zooveel kinderen van ons volk bijzonder onderwijs zoo vurig begeerd wordt;
dat op het program van actie voor de Kamer' verkiezingen in 1909 als een der voornaamste punten stond: schoolbouwsubsidie;
spreekt als haar meening uit, dat het dringend noodzakelijk is, dat de bouwsubsidie voor onze bijzondere scholen aanmerkelijk verhoogd wordt, opdat nog voor het jaar 1913 meer rechtsgelijkheid worde verkregen tusschen het openbaar en het b ij zonder lager onderwijs; en hoopt dat onze Rechtsche Kamerleden hun invloed krachtig zullen aanwenden ter bereiking van het in deze motie uitgesproken verlangen;
besluit afdruk dezer motie te zenden aan alle Rechtsche Tweede Kamerleden, alsmede aan de Ministers van Binnenlandsche Zaken en Financiën.
Ons dunkt dat deze motie weergeeft, wat in het hart van ons Christenvolk leeft. Men wil met het vrijzinnig deel der bevolking, dat inde openbare school voor zich het instituut van onderwijs heeft, wat het verlangt, op voet van gelijkheid behandeld worden.
Het wordt toch bij den dag ondragelijker om het aan te zien, hoe de paleizen van het openbaar onderwijs verrijzen, terwijl voor de meeste nieuw te bouwen Christelijke scholen maar een klein stichtingskapitaal — als men nog zoo fortuinlijk is geweest om dat te verkrijgen — aanwezig is. En dan rust er op die schoolgebouwen in de meeste gevallen nog heel wat hypothecaire schuld.
Onlangs lazen we in een onzer Christelijke bladen de vraag: „ Waar moet het vandaan komen ? "
De schrijver bedoelde met die vraag het geld, dat men voor de bijzondere lagere school noodig acht. Wij stellen die vraag maar eens — zoo schreef de redactie, — omdat niemand die schijnt te stellen bij het algemeen geroep om „meer geld." Men zegt: onze Christelijke scholen hebben het zoo nóodig. Verscheidene scholen steken in schulden doordat zij moesten uitbreiden, en nu blijft het Rijk achter.
Eilieve, zoo vraagt het blad, had men dat mógen doen? Is het, uit Christelijk oogpunt, geoorloofd zich in ' schulden te steken op hoop dat het Rijk ze wel betalen zal, waar op men dan gaat aandringen in plaats van op grooter offervaardigheid? „Geloofskracht en geloofsmoed, — uitstekend. Mits men daarbij zelf — zoo concludeert de redactie — tot opoffering bereid zij. Zoo oordeelden de voortrekkers van vóór 1889, toen er nog geen subsidie in het vooruitzicht was. Geen roode cent."
Naar aanleiding dezer philippica zouden wij den schrijver van het artikel in het christelijk blad willen vragen: Is ons volk na 1889 inderdaad niet tot grooter offervaardigheid gekomen? Is dit werkelijk zoo niet? Zeker thans ontvangt men millioenen guldens subsidie, maar verdrievoudigde ook het aantal scholen niet, nadat Mackay's wet in uitvoering kwam? Uit alle deelen des lands: klopt men dag aan dag aan om financieelen steun. En we zouden de cijfers van giften en contributiën die b.v. in 1911 aan het christelijk onderwijs gegeven werden, wel eens willen zien. Die cijfers zouden vergeleken bij de vóór 1889 den toets der critiek zeker wel kunnen doorstaan.
Maar dan is er nog veel meer.
Met groote snelheid breidt zich het aantal instellingen uit voor welker voortbestaan ook week aan week de Christelijke liefdadigheid wordt ingeroepen.
Voor allerlei doel vraagt men de belangstelling van ons Christenvolk.
Voor Kerk, Zending, Leerstoel enz. vraagt en ontvangt men heel wat, voorzeker meer dan in 1889. Bovendien zijn er heel wat vereenigingen waarvan men in onzen tijd lid moet zijn.
Doch afgezien van dit alles — ook al zou men niets meer voor het Christelijk onderwijs offeren — wordt het dan niet een steeds pijnlijker zaak, dat het Christelijk onderwijs bij het openbare ten achter staat.
Alleen reeds de gedachte dat de openbare school een privilegie geniet boven de bijzondere, moet ons er toe prikkelen om op gelijkstelling van het bijzonder met het openbaar onderwijs te blijven aandringen.
De laatste cijfers die gepubliceerd werden toonen aan dat wanneer men alle rijkssubsidie bij elkaar voegt, zoo voor de openbare als de bijzondere school, het Rijk per kind aan de openbare school bijdraagt f 21.83, terwijl die voor het kind aan de bijzondere school maar f 19, 66 bedragen, dat is voor de laatste school per kind f 2, 17 minder. Neemt men nu voorts in aanmerking, dat nog uit de publieke kassen (gemeente enz.) volgens het Verslag L. O. een bedrag van f 14, 826.160, 12 voor het openbaar onderwijs wordt besteed, dat is f 26, 31 per kind, dan komt aan de openbare school ten goede een bedrag van ruim f 48 per kind. Uit de publieke kassen ontvangt het bijzonder onderwijs dus per kind nog bijna f 30 minder, dat is over een aantal van goed 320, 000 kinderen een som van ruim 9 milUoen te weinig.
Zoo en niet anders is de werkelijke toestand. Het is goed, dat wij op deze aangelegenheid nog eens de volle aandacht vestigen, nu binnen enkele weken het subsidiewetje voor de verhoogde uitkeering voor schoolbouw in de Tweede Kamer staat behandeld te worden.
Natuurlijk zal bij die gelegenheid van vrijzinnige zijde weer heel wat oppositie worden gevoerd en die oppositie zal niet verminderen wanneer de regeering er nog eens toe overging om op aandrang der rechterzijde de uitkeering hooger te stellen.
Maar die oppositie moet ons niet afschrikken ; immers wij komen op voor het „gelijk recht voor allen."
En als wij daar op aansturen staan wij ongemeen sterk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's