De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voor Jong en Oud.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Jong en Oud.

4 minuten leestijd

Een heerlijk Verbond.

4) (Auteursrecht voorbehouden).

Het waren schippers en boeren, wolkammers en bijlhouwers, kramers en visschers, waarmee de Prins de smalle landzoom langs de zee verdedigen moest; slechts zéér enkelen der aanzienlijken en der mannen van studie, schaarden zich aan zijn zijde.

Uit geen der landen van Europa had hij hulp te wachten. Alleen zijn broeders bleven hem trouw en verzamelden ten derden male een leger in Duitschland ter bevrijding van de Nederlanden maar 't had allen schijn, dat de laatste vesting zou gevallen zijn, eer het ter hulpe toesnellen kon.

Want de tegenheden stuwden elkander voort als de baren der zee!

Van de zeventien Nederlandsche gewesten, hadden vijftien zich sidderend aan Alva onderworpen. Wat hij durfde doen met de weerstrevers zijner macht, had hij door den moord in Zutfen en Naarden getoond.

Slechts Holland en Zeeland hielden stand. Maar in Holland hield Amsterdam, in Zeeland Middelburg Alva's zijde. Zeven maanden lang houdt Haarlem het tegen den vijand uit; Oranje doet wat mogelijk is, om de stad te ontzetten, maar 't is of hem alles bij de handen wordt afgebroken: Haarlem valt; al wat Spaansch is, juicht van blijdschap, maar schrik en ontzetting maken zich meester van allen, die het wél meenen met de religie en de vrijheid.

Nu was het uit, meenden velen, 't Was nu overtuigend gebleken, dat de koenste moed, de taaiste volharding, tegen de Spaansche overmacht niets vermochten. Eén kans was er nog. 't Kón zijn, dat de Prins met eenig machtig vorst een verbond gesloten had. Dan was uitkomst denkbaar, maar ook dan alléén! Sonoy, zijn onderbevelhebber in 't Noorderkwartier vroeg hem er ronduit naar. En tóén gaf de Prins het beroemde antwoord, een geloof toonende, dat bergen van bezwaren verzette; een antwoord, dat ons nóg na vierdehalve eeuw met een huivering van eerbied tot dezen groote onder de kinderen Gods doet opzien! Ware 't wonder geweest, als hij het opgegeven had?

De vijand stroopte tot onder de muren van Delft. Het platteland was in zijn macht. In de steden wemelde het nog van verraders en „glippers". Sommigen, die het met den Prins hielden, verachtten zijn gezag en bezoedelden de goede zaak door ongehoorde wreedheden. Ja, in dezen bangen tijd zelfs waren er nog, die Oranje wantrouwden en rondsluipende uitstrooiden, dat hij slechts eigen eer en voordeel zocht.

En tóch, ondanks allen en alles — Oranje hield stand! Omdat hij een. onwankelbaar verbond had gemaakt met den Potentaat der potentaten! Daarom keerde hij niet weder naar Duitschland. En verloste ons dierbaar volk van bijgeloof en dwingelandij. Ja, dat was een „heerlijk verbond"!

Menschen, ook vorsten, zijn vaak zoo trouweloos! Plechtig hebben zij hun woord tot pand gegeven; met hun naam hebben ze 't onderteekend, wat ze beloofden; met hun signet vergezeld; ja soms met een eed voor Gods aangezicht bezworen.... en tóch komen ze hun belofte niet na; breken hun woord; schenden hun eed! Of ook, ze kunnen niet volvoeren, wat ze beloofd hebben — 't ligt boven hun macht....

Maar dit verbond was onwankelbaar! Het verbond met den Heer der heeren. 't Is goed, dat ieder Nederlander die gulden woorden van oprechte godsvrucht leze en herleze, want in de 20e eeuw is er voor volk en vaderland dan alleen behoudenis, als hetzelfde rotsvaste vertrouwen op den Almachtige nóg onder ons gevonden wordt.

't Is het vertrouwen van een Habakuk, die alle eeuwen ten voorbeeld, zong: „Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan den wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden ^een spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund meer in de stallingen wezen zal.... zoo zal ik nochtans in den Heere van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils!"

't Is het vertrouwen van den psalmist, als hij zingt: „God is een toevlucht voor de zijnen. Hun sterkt', als zij door droefheid kwijnen; Zij werden steeds zijn hulp gewaar, In zielsbenauwdheid, in gevaar; Dies zal geen vrees ons doen bezwijken, Schoon de aard uit hare plaats mocht wijken, Schoon 't hoogst gebergt' uit zijne stee Verzet wierd in het hart der zee.

Of de Prins dan onverschillig is over de rampen des vaderlands ? Dat zij verre! Hoort maar, wat hij aan Sonoy schrijft over den val van Haarlem :

„Wij nemen God almachtig tot getuige welke droefheid en hartzeer wij over het beklagelijk lot, die stad overkomen, gehad hebben, en ware zulks met gevaar vau ons lijf en leven te verhoeden geweest, wij hadden het gevaar daartoe willen wagen, gelijk wij menigmaal genoeg aangeboden en ook geene middelen of wegen verzuimd hebben, die, naar ons oordeel, ons eenigszins tot hulp en bijstand dier stad konden dienen "

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Voor Jong en Oud.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's