Staat en Maatschappij.
Hinken op twee gedachten.
De vraag, op welke wijze bij de nieuwe Armenwet de verzorging der behoeftigen moet plaats hebben, hetzij vanwege de Kerk of door bemoeienis van de openbare instellingen van weldadigheid, heeft in het Kamerverslag op dat ontwerp een antwoord gevonden.
De besprekingen, welke bij de voorbereiding van het wetsontwerp, alvorens dit dezer dagen in behandeling zal komen, plaats hadden, hebben tot een compromis (minnelijke schikking) van de twee meeningen geleid, eenerzijds van de meening, dat alle armenzorg van de burgerlijke autoriteit moet uitgaan en anderzijds van de meening, dat kerkelijke en particuliere liefdadigheid regel zij en alle steun van het burgerlijk armbestuur aanvulling moge worden.
Bij dit compromis hebben beide meeningen een stap tot elkander gedaan, waardoor de kans op aanneming van de wetsvoprdracht niet weinig is verhoogd.
Het blijft intusschen de vraag of op den langen duur er geen vrees behoeft te bestaan, dat de eerste meening, die van het verleenen van steun uitsluitend door burgerlijke armenzorg, het zal gaan winnen van de tweede meening, waarbij de liefdadigheid van Kerk en particulieren op den voorgrond treedt.
Niet weinig zal dit afhangen van eene andere vraag, nl. van deze: of de Kerk in staat zal blijken te zijn hare roeping tegenover hen, die tot haar behooren en in armoede leven, te vervullen.
Tot dusverre bleek daar niet veel van. Hadden de Kerken in den nood der behoeftigen op afdoende wijze kunnen voorzien, er zou geen sprake van geweest zijn dat een burgerlijk armbestuur tot bedeeling ware overgegaan. Het had zich op dit punt voorzeker teruggetrokken.
Maar zoo is de toestand nu eenmaal niet. De Kerken hebben aan de eischen, die de armverzorging haar stelde, niet kunnen voldoen. Ten minste niet in die mate, dat de armen eenigszins voldoenden materieelen steun ontvingen.
Dit nu mogen we betreuren, maar de feiten zijn niet anders.
Nu mogen wij niet afhouden om ten deze te manen tot het nemen van al die maatregelen, welke aan den onhoudbaren toestand, waarin de Kerken zich op dit oogenblik bevinden, een einde make.
Het mag reeds met blijdschap geconstateerd worden, dat er eene opleving in het Diaconale werk bij de Kerk valt op te merken. Maar bij zulk ontwaken tot hoogere roeping alleen mag het niet blijven. De daad moet bij het woord gevoegd worden. Er moet op middelen gezind worden, die aan het hinken op twee gedachten paal en perk stellen.
Of een dier middelen nu dit kan zijn, dat aan de Kerk het recht worde verleend om zekere bijdrage van haar leden te vorderen ten behoeve der Diaconie, laten wij onbepproken. Voor het oogenblik wijzen wij alleen op het bestaan van den noodstand.
Dat ook op dit punt de Kerken vaardig mogen worden, om zelf weer de taak der armenverzorging voor hare rekening te nemen!
Meten met twee maten.
Zoo telkens kan men het uit den mond der voorstanders van het Openbaar Lager Onderwijs vernemen, hoe verkeerd het is van hen, die het Christelijk Onderwijs voor-staan, om scholen op te richten, wanneer er niet een groot aantal leerlingen aanwezig is om die scholen te bevolken.
Kleine scholen, zoo zegt men van die zijde, zijn niét bevorderlijk voor het geven van goed onderwijs. Het bouwen van zulke scholen is uit den booze. En de Overheid moest voor zulke inrichtingen dan ook geen gelden beschikbaar stellen.
Gansch anders redeneert men wanneer de Openbare School in een gelijk geval verkeert.
Wanneer toch een Gemeenteraad besluit, om uit hoofde van het geringe getal kinderen een openbare school op te heffen, zijn de onderwijs-specialiteiten er als de kippen bij om tegen zulk eene handeling protest aan te teekenen.
Wij herinneren slechts, om uit de vele gevallen maar enkele te noemen, de Raadsbesluiten tot opheffing van een Openbare School te Hazerswoude, waarvan het leerlingental daalde tot 20, en dat van de .gemeente Bleiswijk, alwaar maar een 5-tal ouders met pl.m. 10 schoolgaande kinderen op het aanhouden der Openbare School prijs stelden.
In beide gevallen, die van zeer recenten datum zij]i, ging een adres van den Bond van Nederlandsche Onderwijzers naar Gedeputeerde Staten om op niet-goedkeuring der Raadsbesluiten aan te dringen.
Het belang van het Openbaar Onderwijs gedoogde niet om de school te sluiten. Immers er waren nog kinderen die dit onderwijs begeerden.
Aldus een meten met twee maten. Het is goed als we een paar voorbeelden van een dergelijk optreden kennen en onthouden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's