Voor Jong en Oud.
Een heerlijk Verbond.
5) (Auteursrecht voorbehouden).
Maar zou hij daarom vertwijfelen, alsof de hand des Heeren verkort ware ? Dat nooit!
„En zoo het niettemin God Almachtig behaagd heeft, over de stad Haarlem, naar zijn Goddelijken wil, te beschikken en haar uit onze handen te nemen, zullen wij Hem en zijn goddelijk Woord daarom verloochenen en verlaten? Is daarom de sterke hand Gods eenigszins verkort; Zijne Kerk en Gemeente tot niet gebracht?
En dan klimt Oranje op de heuveltoppen des geloofs, waar hij het donkere dal der tegenheden onder zijn voeten heeft, waar 't hem goed is nabij God te zijn, waar het licht van Gods vriendelijk aangezicht hem bestraalt! Dan toch heet het:
„Gij schrijft ons, dat men u zou laten weten, of wij ook met eenigen grooten, machtigen Potentaat in vasten verbonde staan; waarop wij niet laten willen, u voor antwoord te geven dat, aleer wij ooit deze zaak en de beschermenis der christenen en andere verdrukten in dezen lande aangevangen hebben, wij met den alleroppersten Potentaat der potentaten alzulken vasten verbond gemaakt hebben, dat wij geheel verzekerd zijn dat wij, en alle degenen, die daarop vastelijk betrouwen, door zijne geweldige en machtige hand ten leste nog ontzet zullen worden, spijt alle zijne en onze vijanden "
Dat geloof was waarlijk geen vrucht van 's Prinsen eigen akker !
Wonderlijk waren de leidingen Gods geweest met, prins Willem van Oranje.
Tot zijn elfde jaar had hij de opvoeding genoten zijner moeder, de vrome Juliana van Stolberg, waarvan hij op rijpen leeftijd dankbaar erkende, dat het zaad, tóén gestrooid, nooit geheel is verloren gegaan. Maar wél lag het lang in de aarde, vóór 't ontkiemde!
De dood van zijn neef Réné had plotseling de groote verandering in zijn leven gebracht, die hem van den stillen Dillenburg in het drukke, weelderige, bedwelmende Brusselsche hofleven bracht, 't Is de genade Gods geweest, dat de jonge Willem, niet, als zoovele anderen, naar ziel en lichaam in den maalstroom van zingenot onderging. Toch dronk ook hij den beker der bedwelming en had ook hy zich een menschenleven lang aan te klagen over de „zonden zijner jonkheid".
Toen kwam de troonsverwisseling: Karel V maakte plaats voor Filips II.
Het Spaansche regeerstelsel: de absolute monarchie en de uitroeiing der ketterij, zou in volle strengheid hier worden toegepast.
Daartegen verzette Willem van Oranje zich en eenige jaren lang was hij het schitterend hoofd van het nationaal verzet. Schatrijk Nederlander, vrijvorst van Oranje, door geboorte en door huwelijk aan de voornaamste Duitsche vorsten verwant, voelde hij zich weinig minder dan Filips, wiens staatkunde hij verfoeide.
Doch bij dit alles stond Oranje in eigen kracht. Staatkundige overwegingen leidden hem. Waarbij kwam een natuurlijk medelijden, dat hem een afkeer inboezemde van het wreede kettermoorden, waarmee Filips meende Gode een dienst te doen. Maar zelf bekommerde hij zich weinig om God of goddelijke zaken. In zijn eigen prinsdom Oranje werden de „ketters" op zijn last vervolgd; de Wederdoopers verfoeide hij — wat begrijpelijk is — maar ook de roerige, democratische calvinisten kon hij slecht zetten ; bemoeide zich trouwens weinig met hen.
Eerst in het jaar 1564 begon hij zich meer met de protestanten in te laten. Niet echter om hun geloof nader te leeren kennen, maar omdat hij zag, hoe hun getal aanwies; hoe zij een macht werden in het land en omdat hij met fijn politiek instinct begreep, hoe hij hen zou kunnen gebruiken tot het bereiken van zijn staatkundig doel.
Doch daartoe moesten zij éen zijn. Lutheranen en calvinisten éen, en de overblijfsels der Wederdoopers met hen saamgesmolten.
Om daartoe te geraken begon Oranje meer studie te maken van de godsdienstige vraagstukken van den dag en zoodoende kreeg hij een verstandelijke kennis van de waarheid, waarvan wij nooit maat en peil bepalen mogen, maar die toch bij het zaligmakend geloof niet kan gemist.
Al deze plannen echter leden schipbreuk Toen volgde 's Prinsen vlucht uit de Nederlanden en de krijgstocht van't jaar 1568.
Al zijn plannen had God verijdeld. Hij had ons arme volk niet kunnen verlossen. Als een berooid vluchteling kwam hij bij de Fransche Hugenooten aan, met niet anders dan zijn goed hoofd en zijn goed zwaard, om met hen den strijd te voeren.
Daar in Frankrijk, zag hij het geloof in de praktijk.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's