Voor Jong en Oud.
Een heerlijk Verbond.
door P. BKOUWBR.
7) (Auteursrecht voorbehouden).
Daar klopt men aan 's Prinsen deur. Het ongeloofelijke is geschied. De Spanjaard was den strijd ontweken en. op 't naderen der Geuzen voor den Vlaamschen wal ten anker gegaan. Enkele dagen later, bij Bergen op Zoom werd zijn scheepsmacht geheel vernield
Ja, dé Heer der heeren Doet ons triomfeeren,
Nog hooger klom 's lands nood! 't Is nu in 't midden van Augustus des jaars 1574. Fel blakert de zomerzon de daken en straten der stad; de droge lucht benauwt; het stof dringt door raam en deur; mensch en beest klaagt en hijgt van de hitte; is lam en loom zichzelf ten last...
Te Rotterdam, in een vreemde woning ligt Oranje machteloos neer.
Van de menschen gansch verlaten! Wat buien zijn hem in dit rampjaar al niet over 't hoofd gegaan ? In de lente scheen werkelijk de zon des voorspoeds door de nevelen te boren: Lodewijk en Hendrik met
het in Duitschland aangeworven leger, stonden reeds bij Maastricht, trokken langs de Maas den Prins tegemoet, die hun in de Bommelerwaard de hand reiken zou; helaas! toen ze den weg ter helfte hadden
afgelegd, op de rampzalige Mookerheide, stelde zich de Spanjaard in hun weg en de slag werd dra een slachting. Van Lodewijk, en Hendrik werd niets meer gehoord. Bij duizenden dooden lagen ze in den
grooten grafkuil. Welk een slag voor den Prins! Zijn laatste hoop op buitenlandsche hulp is vernietigd;
Lodewijk, zijn rechterhand, gedood ; Hendrik, moeder's Benjamin weggemaaid in den opbloei van 't leven — ja, alle deze dingen waren tégen hem ! Maar wederom sterkte hij zich in den Heere, zijn God.
Aan zijn broeder Jan schreef hij uit de volheid van zijn onwankelbaar geloof: „Van droefheid weet ik nauwelijks, wat ik doe. En. desniettemin moeten wij ons altijd schikken in den wille Gods, gedachtig,
dat Hij, die het bloed van zijn Zoon gestort heeft, om zijne Kerk in stand te houden, niets doen zal dan tot zijne eer en tot bescherming zijner Gemeente, ofschoon het der wereld onmogelijk schijnt.
En, al kwamen wij allen te sterven, en al wierd dit arme volk geheel vermoord of verjaagd, behooren wij verzekerd te zijn, dat God de zijnen niet verlaat."
Is 't niet het geloof van den godsman onder den ouden dag, die al doodde de Heerë hem, nochtans op Hem zou blijven hopen?
Dichter pakken zich de wolken samen boven 's Prinsen hoofd. Leiden wordt andermaal omsingeld; Leiden,
dat Oranje's raad, om zich voldoende van alles te voorzien, had in den wind geslagen en waar nu weldra de honger neep en de vreeselijke pest de verzwakte en uitgeteerde lichamen ten grave sleepte.
De Spanjaard deed het op zijn gemak: Leiden kón hem immers niet ontgaan! In drie liniën lag het Spaansche leger rondom de stad; drie ringen van sterke schansen, waartusschen de patrouilles onophoudelijk heen en terug gingen. Uit het Buitenland was geen hulp meer te wachten; de Prins zelf was niet in staat ook maar een zwak legercorps op de been te brengen — wat zou dan de vijand zich vermoeien met wroeten in den grond, met bres schieten en-storm loopen? Als de vrucht rijp is, valt zij ter aarde; als Leiden uitgeput is, geeft het zich over.... iets anders was immers ondenkbaar?
Wel hadden de Prins en de Staten de dijken doorgestoken en de sluizen opengezet. Maar de Spanjaarden lachten er mee! Delfland en Schieland mochten onderloopen: Rijnland ligt zooveel hooger en Leiden ligt
in 't hoogste deel van Rijnland. Was 't wonder, dat de bittere klacht in de ziel was van de kinderen Gods:
Zou God zijn gena, vergeten?
Nooit meer van ontferming weten?
Heeft Hij zijn barmhartigheên
Door Zijn grainschap afgesneên?
Was 't wonder, dat ook af en toe een nevel trok voor het geloofsoog van den Prins en dat het lichaam dreigde te bezwijken onder al deze smarten der ziel? Overmaat van droefheid en rustelooze inspanning deden
hem in een gevaarlijke ziekte storten; koortsen putten zijn reeds afgetobd lichaam geheel uit; slechts enkele getrouwen bleven hem te Rotterdam verplegen er werd gefluisterd van „pest." Grooter ellende en verlatenheid was moeilijk uit te denken, dan waarin hier de evenboortige van vorsten ter neder lag, terwijl Leiden's nood klom met den dag!
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 maart 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 maart 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's