Ned. Herv.Jongelingsbond.
Ons Insigne.
Bijna alle vereenigingen berichten ons: we vinden het zeer schoon.
Slechts éen vereeniging schreef ons over het idee Veenendaal om een speld met twee insignes te laten maken.
Op de vraag naar de grootte van het insigne kunnen we nog niet antwoorden. Wordt het éen stuk dan zouden we denken: de afmeting van een 21/2-centstuk. We hebben een model op 't oogenblik voor ons liggen {niet van óns insigne, maar van de Jongel. Ver. te Delft, die er een eigen teeken op na houdt) dat ons zeer aantrekt.
Worden het 2 knoopen op 1 speld dan is misschien de grootte van een kwartje aan te bevelen, hoewel
Ons Rooster.
Enkele vereenigingen antwoordden ons op de gestelde vragen.
Wij bemerkten dat men den arbeid van den heer F. Bongers te Huizen zéér waardeert.
Dat verscheidene Vereenigingen, die een Rooster voor 3 maanden reeds hadden opgemaakt daarmee blijven voortgaan voorloopig, begrijpen we.
Laat men overigens trachten om weldra overal ongeveer hetzelfde Rooster te gebruiken.
Dat enkele vereenigingen ons Rooster te moeilijk vinden ... 't went wel, broeders! aanpakken en zich oefenen is de boodschap.
Eén vereeniging schreef ons : Bijbelbespreking volgen we — de andere vakken vinden we niet zoo noodig voor een Jongelings Vereeniging.
Vrienden, dat meent ge toch niet, is 't wel ? Kerkgeschiedenis, Geloofsbelijdenis, Vaderl. geschiedenis ... niet noodig voor een Jongel. Vereeniging ? Kom, kom, dat bedoelt ge zoo niet.
Samenspraken ? Ja.... die gunnen we aan de Rederijkers. Op onze Jongel. Vereeniging zien we ze liever niet.
Maar de smaak verschilt...
Ons Orgaan.
We wonen nog in bij De Waarheidsvriend. 'kGeloof voor niet al te duur. We mogen onze kamerverhuurster daarvoor wel dankbaar zijn.
'Laat nu niemand van onze jongelingen klagen. Die zich in z'n jeugd niet weet te behelpen, lijdt later gebrek. Om nu van het Rooster en de correspondentie's te profiteeren moet iedere Jongel. Ver. een paar ex. van »De Waarheidsvriend» bestellen.
Een paar voor degenen die de werkzaamheden verrichten. En éen voor de Bibliotheek,
Rooster van Werkzaamheden.
A, Bijbelbespreking over Gen, 3:17 tot einde.
Vers 17. a. persoonsnaam. Voor 't eerst hier 't woord Adam als
b. Zijne verontschuldiging verleid te zijn baat niet en zijne heerschappij wordt nu een besturen over 't geen den vloek Gods draagt. Rom. 3 : 19.
c. Zie Jes. 24:6, Jer. 23 : 10, Rom. 8 : 20. d. 't Woord smart beteekent moeilijke zware arbeid. Hoe was de arbeid vroeger. (Hoofdst. 2:15).
e. 't Zware leven drukt niet alleen op armen maar ook op rijken,
f, 't Eten van den mensch voor en na den val. Vers 18. a. Zie Psalm 104:14. b. Naar hoofdst. 1:29 had God den mensch het zaadzaaiende kruid met de boomvruchten ten spijze gegeven; hier niet ontzegd, maar bepaald het kruid, het groene, de groenten genoemd, welke noodig zijn voor het lichaam waarop de straf der zonde rust.
c. Calvijn zegt bij dit vers o.a. : Niet alle ellende noemt Mozes op, in' welke de zonde den mensch heeft gewikkeld. Uit die zelfde bron kwamen voort alle nog bestaande lasten des levens, welke in ontelbare menigte worden ondervonden. Storm en hagel, vorst en donderslagen, stortregens, brand en hagelslag zijn gevolgen der zonde. Maar Mozes, die zich op kortheid toelegt, noemt alleen wat voor aller bevatting genoegzaam is, om uit een voorbeeld te leeren hoe geheel de orde der natuur door des menschen zonde is omgekeerd,
d. Geheel het aardrijk vervloekt om Adams-wil doch te gelijk gezegend om Christus-wil. Christus nam vloek weg door vloek te worden; den dood, door te sterven; de zonde, door tot zonde gemaakt te worden. Hij nam als 't ware al de doornen der aarde op Zijn gezegend hoofd. Hiermede was de aarde zonder doornen, zooals zij ook eenmaal zijn zal. (Da Costa).
Vers 19. a. Adam stond op tegen God. Nu bemerkt hij 't zelfde van de natuur, tegen hem.
b. Uit die aarde zijn levenskracht voortkomen. Job 28 : 5, Ps. 104:14, 1 Tim. 4:3.
c. Tot stof wederkeeren. Zie hiervoor Ps. 90:3, Pred. 12 : 7, 3 : 20, Job 34 : 15.
d. De dood trad niet dadelijk in door Gods lankmoedigheid en genade. Waarom?
e. Merk evenwel op dat voortaan 't telkens wordt »en hij stierf* — Henoch, Elia.
/. De dood is het toppunt van straf, in hem worden alle straffen vereenigd; en toch moest Adam niet den dood van eenen goddeloozen het eerst zien, maar van het onschuldige dier en van den onschuldigen Abel. Alvorens den dood te sterven, moest hij weten, dat ook deze vloek tot een zegen worden kan. In Christus wordt de dood tot een zegen. Neen, het is geen overblijfsel van straf, die de Christen in den dood ondergaat of dragen moet. De dood is voor hem het middel om den dood kwijt te worden; de aflegging van den ouden mensch, de doorgang tot het leven. (Da Costa).
g. Zoo sprak de rechtvaardige God de straf uit die de God van genade Zijnen eenigen Zoon zoude laten lijden. Oneindige diepte van rechtvaardige liefde, wie zou u peilen, eindelooze hoogte van genadige heiligheid, wie u begrijpen! (van Lingen)
h. De dood geestelijk, lichamelijk, eeuwig. Vers 20. a. Volgens hoofdst. 2:15. Manninne. b. Eva beteekent leven. c. Nu door haar ."zonde en dood« in de wereld gekomen waren had hij haar wel »dood« mogen noemen wijl zij de moeder aller dooden is. Toch leven, wijl Adam zich vasthoudt aan de paradijsbelofte. Daarom triomf kreet des geloofs en onderpand voor het voortbestaan en de overwinning van zijn geslacht.
d. Aller levenden d, i, allen, die zalig worden. Vers 21. a. Het is duidelijk, dat, waar Mozes hier zegt, dat de Heere voor Adam en Eva rokken van vellen maakte en ze hun aantoog, dit moet opgevat worden, dat God hun het verstand, de kennis gaf, om de huiden van geslachte offerdieren tot kleeding te bereiden.
b. De offerdienst waarschijnlijk na den val ingesteld. c. De mensch zag door het doode dier wat lot hem wachtte,
d. De kleeding, waarmede God Adam en zijne vrouw kleedde, bestond uit vellen van dieren, dat is ongetwijfeld uit lammeren vachten, die wij, bijzonder wij mannen, nog heden dragen, maar door de kunst onzichtbaar gemaakt; want de kunst bedekt met hare versierselen den geringen oorsprong der dingen, de wol .wordt tot laken bereid. Volgens de Levitische wet (Lev, 7 : 8) kwamen de vellen der geofferde dieren den priesteren toe.
Zoo ook Adam. Hij moest er zich mee bekleeden, eene heenwijzing naar het volmaakte offer, naar Christus, met wiens persoon men zich geestelijk kleeden moet om voor God niet naakt te zijn. (Da Costa).
e. Indien de mensch begreep waarom hij kleederen droeg (Job 31 : 2o) zou dan het teeken zijner schande wel zooveler afgod zijn ?
De kleeding heeft God zelf gegeven, alzoo heeft Hij in de door den mensch reeds gevoelde behoefte voorzien. Alleen dweeperij (wederdoopers) of de gruwelijkste onzedelijkheid kan de schaamte wegnemen en de bedekking gering achten (van Lingen).
f. Zie Jes. 61 : l0.
Vers 22. a. Geven wij over dit vers geheel weer wat van Lingen en anderen er over melden :
»Ten onrechte zag men in dat woord een spotten met des menschen zucht om Gode gelijk te worden. Een spotten met eene ongelukkige verleide ziel is van den duivel, niet van God. Het Gode gelijk geworden zijn wordt nader bepaald door het kennen van goed en kwaad. Daarin bestond alleen de gelijkheid, hoewel de mensch in onderscheiding van den heiligen God, nu het kwaad bij ervaring kende.
Tegenover den naam, door Adam aan Eva gegeven, welke »leven« beteekent, wordt de mensch verdreven, opdat hij van den levensboom verwijderd niet een leven zoeke door dien boom, maar alleen in het beloofde vrouwenzaad. Het besluit daartoe wordt ons op menschelijke wijze als uit den raad van Goddrieeenig voorgesteld.
De mensch werd aan de werking des doods overgegeven door verdrijving uit het paradijs en dientengevolge verwijdering van den boom des levens. Op verschillende wijze wordt dit verklaard. Als velen schrijft V. Ronkel: «Oorspronkelijk zoude de mensch in een weg der gehoorzaamheid van kracht tot kracht en van licht tot licht steeds zijn voortgegaan, totdat hij het bestemde doel en heil zou bereikt hebben.
Daartoe had de Heere het verbond der werken met den mensch opgericht en tot teeken en zegel van het voorgestelde heil, paradijs en boom des levens hem aangewezen. Nu dat verbond van de zijde des menschen verbroken was, vervielen voor den mensch als van zelve de sacramenten van dat verbond, die tegen de bedoeling in en buiten de ordeningen geen zegeningen maar vloek, geen leven maar dood werken. De mensch moest derhalve het paradijs missen en van het genot van den boom des levens verstoken zijn.« Anderen zien in dien boom het middel voor en uit stof genomen mensch om de wet der stof, de ontbinding, tegen te gaan.
Door het verwijderen dus er van wordt hem ontnomen wat hem aan den dood kon onttrekken.
Keil zegt: Nadat de mensch door de zonde een prooi des doods was geworden, kon de vrucht, welke onsterfelijkheid werkte, hem slechts tot verderf verstrekken, want onsterfelijkheid in den staat der zonde is niet het eeuwige leven, dat God den mensch had toegedacht, maar een eindelooze kwelling, een nooit eindigend verderf dat de Schrift den tweeden dood noemt (Openb-2:11, 20:6 en 14, 21 : 8). De verdrijving uit het paradijs was eene straf welke des menschen heil bedoelde, welke hem wel den tijdelijken dood tegemoet voerde, maar voor den eeuwigen dood moest bewaren. In 't kort: God wilde de stof tot het vertrouwen, welke Hij gegeven had, ontnemen, opdat hij niet een ijdele hoop koesteren zou op het vergankelijke van het leven, dat hij verloren had.»
b. Gods gerechtigheid sloot den mensch van den natuurlijken levensboom af. Gods genade gaf den geestelijken in het beloofde zaad der vrouw, Openb. 22 : 2 en 14.
Vers 23. De Lange zegt over dit vers: Gelijk de aarde hem geboren heeft, zoo zal zij hem nu voeden, en gelijk hij van haar afstamt, zoo zal hij haar nu dienen, en in het stof van den grond, dien hij bebouwt, zijne afkomst en toekomst voor oogen hebben.
De mensch is uit de aarde — moet arbeiden in de aarde — ontvangt zijn voedsel uit de aarde en moet tot de aarde wederkeeren.
Vers 24. a. Met geweld moest het eerste menschenpaar uit het zalige Eden en de gemeenschap Gods gedreven worden. Geen wonder. De mensch wilde wel de zonde, maar niet de gevolgen der zonde, de ellende.
Indien hij vooraf de ellende bedacht, die uit de zonde noodzakelijk voortvloeit, hoeveel meer zoude hij die zonde ontvluchten (van Konkel).
b. Vergelijk Adam en Lot (Gen. 19:16). c. Om de misdaad in Eden's hof, het lijden in Gethsémané's hof.
d. Door Adam een paradijs verloren, door Christus een gewonnen.
e. Wie over cherub meer wil weten, zie Ps. 18 : 11; 99 : 1, Ex. 25 : 18 V.V. ; 37 : 7 v.v.. Ex. 26 : 1; 36 : 8 en 35, I Kon. 6:32, 35, I Kon. 7:29, 36, Ezech. 28:14, Ezech. I en 10, Openb. 4, Hebr. 9:5 en verdere gelijkluidende teksten.
Beteekenis van cherub is onzeker. Men zegt dat het beteekent. ploegen — rijden — angst verwekken — die God nabij is — graveersel.
f. Vergelijk .dit vers met Ps. 104:4.
g. Droevig werk den mensch van den levensboom af te houden ; een heerlijk werk hem tot den boom des levens te mogen leiden.
h. Hof door den mensch slecht bewaakt, wordt nu tegen hem bewaakt en verdwijnt in den zondvloed.
i. Duivel zendt boozen geest. God Zijn Cherubim.
j. Wij kunnen niet beter opmerken wat wij hebben in Christus, zegt Calvijn, dan wanneer ons wordt gewezen wat wij verloren in Adam.
k. De boom des levens, die de doodelijke werking van den boom der kennisse opheft, is in en met het eerste Evangelie (v. 15) reeds gezaaid. (Delitzsch),
B. Vraagbespreking. C. Vaderlandsche Geschiedenis. Onderwerp : De Noormannen.
Lees hiervoor aandachtig eenige keeren les 5 uit ons handboek (Vaderl. Gesch. van de Liefde—Swijnenburg) en maak onder het lezen uw punten.
Daarna uitwerken zonder boek. B. te H.
Aan hen, die mij vroegen of 't Nieuwe Testament geen beurt op den rooster krijgt, zij meegedeeld, dat we met April D.V. beginnen met N. T. Hoogstwaarschijnlijk met Handelingen. Mochten er vrienden zijn die liever een ander gedeelte wenschen, laten die dan even mij schrijven. In deze zullen wij de meeste stemmen laten gelden.
B. te H.
Verslagen.
OUDERKERK A/D IJSEL. Woensdag 27 Febr. mocht voor onze Jongel. Vereeniging optreden de heer A. A. V. d. Loosdrecht, Zéndeling-kweekeling van den Geref. Zendingsbond. Daar de opkomst gering was, zag hij zich genoodzaakt om zijn gekozen onderwerp te verwisselen voor een ander. Met eenvoudig gekozen woorden lichtte hij het een en ander toe over de Zending en liet vooral door voorbeelden goed uitkomen, dat ook de-hulp van een geneesheer op een zendingsterrein onontbeerlijk is. Dat zijn woorden op prijs gesteld werden, bleek wel uit de collecte die gehouden werd, want we mochten aan Ds. Heijer te Renkum f13 opsturen. Moge ook de andere vereenigingen niet vergeten, om een deel van hun tijd op te offeren aan de Zendingsbelangen en in het gebed ook dezen arbeid gedenken. Namens het bestuur,
ALB. BAAS.
DELFT. Op Donderdag 7 Maart, des avonds te 8 uur, trad voor de Geref. Jongelingsvereen »Guido de Bray" alhier op, in 't gebouw »Philalethes« Ds. J. H. F. Remme van Rijssen.
Nadat was voorgelezen Joh. 17: 1—17, opende onze eere-voorzitter, Ds. van Grieken, deze samenkomst met gebed.
Hierna sprak hij ook nog een kort openingswoord. Ds. Remme zeide vooraf niet te zullen preeken doch
te zullen spreken. Als onderwerp zijner rede had Z.Eerw. gekozen: «Het wezen van den godsdienst.»
Ziedaar een belangrijk onderwerp, dat ons werd voorgesteld. Spreker zeide dat er drieërlei verklaring bestond
van het wezen van de godsdienst. In de eerste plaats is daar de groep van hen, die het wezen trachten te verklaren door het kennen.« In de tweede plaats stond spreker stil bij hen die »het willen« als maatstaf gekozen hebben, om tot den waren godsdienst te komen, om dan ten slotte’t standpunt toe te lichten van hen, die »'t gevoel* bij den godsdienst op den voorgrond stellen. Spreker wees ons bij elk der categorieën op iets, dat goed was te noemen, ja Wat zelfs noodzakelijk was. Maar dan werden ons ook aan de andere zijde de ontzaglijke leemten getoond in elk van die beschouwingen. Want immers hoe zullen wij door ons kennen den grooten Schepper aller dingen kunnen verklaren, hoe zullen wij met ons willen, wij die van nature niets goeds willen, ooit tot den waren godsdienst kunnen komen, en wat hebben wij ten slotte aan ons godsdienstig gevoel, als dat gevoel het geloof op den achtergrond dringt? Immers niets.
Ten slotte gaf spreker ons dan een verklaring van het wezen van den godsdienst, een verklaring die haar oorsprong vond in 't woord : «God schiep de mensch naar Zijn beeld en Zijne gelijkenis.* •Het was ongetwijfeld een leerrijke rede, die de belangstelling van de vele aanwezigen wel waard was. Een vergissing moet misschien uit den weg geruimd worden. De vele .aanwezigen zullen gedacht hebben onze gave behoeft niet groot te zijn, want vele kleintjes zullen nu wel een groote maken. Doch laten wij hun mogen zeggen, dat zij zich vergist hebben, want de collecte viel ons tegen. Een volgende maal dan wat dieper in den zak getast, Delftsche stadgenooten.
C. R00DENBURG.
Jaarfeest.
WADDINGSVEEN. Donderdag 21 Maart hoopt de Chr. Jongel. Vereen, alhier Pred. 12:1a haar 15-jarig
bestaan feestelijk te herdenken. Als spreker hoopt alsdan D.V. in de Herv. Kerk op te treden Ds. D. E. J.
Hupkes van Staphorst; des avonds half zeven. De aangesloten vereenigingen gelieve deze kennisgeving
als uitnoodigingj om ons feest bij te wonen, te beschouwen.
Namens het Bestuur,
H. J. SEKERIS JZ., Secr.
Correspondentie.
Aan de aangesloten vereenigingen wordt bericht dat zich bij onzen Bond wenscht aan te sluiten de Ned.
Herv. Jongel. Ver. «Paulus" te Gorinchem.(Zie artikel 8 der Statuten).
DE BONDSSECRETARIS.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 maart 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 maart 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's