Stichtelijke overdenking.
Indien gij dan Mij zoekt, zoo laat deze henengaan. Joh. 18 : 8b.
Jezus, de Borg van zondaren.
In deze dagen volgt de gansche Christenkerk den Heiland op Zijn bangen lijdensweg. Dat deed zij eeuw in, eeuw uit. En nog gaat zij daarmee voort.
Ook wij worden opgeroepen tot overdenking van wat Jezus tot heil van zondaren wrocht. Vergeten wij het dan niet: heilig is het land, dat nu onze voet betreedt.
Ons past eerhied en ootmoed, waar wij den Man van Smarten onze zonden zien dragen.
Ach, wij voelen het niet of te weinig vaak, wat ontzaglijke waarheden het lijden Christi bevat. Wij zijn er zoo aan gewoon geraakt. En daarom ontgaat ons zoo veel.
O zeker, nog altoos gaat machtige bekoring uit van deze oude, maar telkens nieuwe lijdenshistorie, doch aan wie is de arm des Heeren geopenbaard en wie heeft onze prediking geloofd ?
We spreken er misschien gaarne over, we hooren er allicht gaarne van. Meestal blijft het daar echter ook bij.
Straks komt de ontknooping. Gabbatha— Golgotha De - lijdensweken zijn voorbij, alsof zij niet geweest waren. Zoo is. 't althans bij velen, bij den grooten stroom der menschen. Medelijden met Jezus, dat nog wel, maar niet bewogen met zichzelf, niet bekommerd vanwege zijn zonde.
Toch is dat laatste allereerst noodig.
Alleenlijk zullen we kennen onze ongerechtigheden, waarmee wij tegen den Heere, onzen God, gezondigd hebben, opdat er kome bij ons de onuitbluschbare begeerte om met al onzen vloek èn dood geworpen te worden op Hem, die een vloek geworden is voor ons.
Jezus voor ons, in onze plaats. Ziet, dat vindt gij zoo duidelijk in het woord, dat wij hierboven afschreven. Gij weet in welke angstwekkende ure dat woord van 's Heilands gezegende lippen kwam. Het was in dat Zijner gevangenneming.
Terwijl in Gethsemané's donkeren hof de Meester Zijn benauwden zielestrijd streed, is één der twaalven, Judas Ischkariot, uitgegaan om zijn lang gekoesterd, duivelsch plan te volvoeren. Hij zal Jezus, met Wien hij dag aan dag had omgegaan, Wiens wonderen hij aanschouwd, Wiens zielsverrukkende prediking hij gehoord had, verraden en overleveren in de hand Zijner vijanden. Over 't verradersloon is hij 't spoedig met de Oversten des volks eens geworden. Nu zal het dan eindelijk gelukken dien gehaten Nazarener onschadelijk te maken. De maatregelen daartoe zijn snel getroffen. Met zwaarden en stokken gewapend, trekt een geheele bende soldaten en dienaars, handlangers van de Overpriesters en Pharizeën, er op uit — alsof het ging tegen den laagsten misdadiger — om Jezus, den Schoonste der menschenkinderen, in Wiens mond geen bedrog werd gevonden, te binden en te boeien. Er wordt haast gemaakt. Daar is geen tijd te verliezen.
Ziet, daar gaan ze door de stilte van den nacht langs de helling van den Olijfberg, naar Gethsemane's hof.
De lantaarns en fakkels kleuren het loover in rossigen gloed. Daar snelt Judas vooruit. De afspraak is gemaakt, dat hij met een kus den Meester zal aanwijzen. Duivelsche toeleg! De hel lacht bij dit schouwspel.
Ze drijft den verrader voort. Door het woord van Jezus: „Vriend, waartoe zijt gij hier? " laat hij zich niet ophouden. Hij volvoert zijn boosheid en onder het teeken van liefde, wijst hij Jezus aan als Hem, Dien zij zochten als prooi.
Wij houden ons verder met den verrader niet bezig, maar vestigen het oog op den Heiland. O daar zien wij Hem als den Held uit Juda's stam in Koninklijke Majesteit, niet sidderend voor de hel, niet bevend voor Zijn vijand, ze fier tegemoet tredend met het woord: „Wien zoekt gij? "
Ze moesten het weten, de beulen, wien het gold. Het ging om Jezus. Welnu — zoekt gij Mij ? Hier ben ik. Dat woord was met macht. Ze stortte ter aarde, de bende. Ze moesten het gevoelen, dat ze stof waren en niets meer. Ze moesten het beseffen, dat zij niets konden doen, dan waartoe zij van boven macht hadden ontvangen. En dat het niet aan hen stond, maar alleen aan Jezus zelf om zich over te geven in hun hand.
We denken hierbij aan hetgeen Hij gezegd had: „Daarom heeft mij de Vader lief, overmits ik mijn leven afleg, opdat ik hetzelve wederom neme. Niemand neemt hetzelve van mij, maar ik lég het van mijzelf af. Ik heb macht hetzelve af te leggen en heb macht hetzelve wederom te nemen."
Ook de vijanden moesten daarvan iets gevoelen.
En — laten ze, nu ze eigener oog iets van de Majesteit van Jezus hebben aanschouwd, laten ze nu varen hun booze plannen ? Neen, zij verharden hun hart. Zij smeeken niet om genade en ontferming. Het komt niet bij hen tot inkeer en tot verootmoediging. De Vorst der duisternis drijft hen voort.
Wien zoekt gij ? zoo vraagt Jezus hun weder. En hun antwoord luidt: Jezus, den Nazarener. Ik heb u gezegd, zoo klinkt 's Heilands woord, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zoo laat deze henengaan.
Met dat „deze" wijst Jezus op Zijn discipelen. De goede Herder stelt Zijn leven voor Zijn schapen. Hij laat zich binden, opdat de Zijnen niet worden gegrepen. Wat treedt hier het Borgschap van Christus helder naar voren. Hij duldt niet, dat de hand aan Zijn discipelen zal worden geslagen. Zoekt gij Mij ? Hier ben Ik, maar laat deze henengaan.
Heerlijk, troostrijk woord voor de gemeente des Heeren! Haar Jezus is haar Borg. Dat heeft Hij getoond in den Raad des vredes. Immers, toen reeds had Zijn woord geklonken: „Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen." Daar bood Hij zich den Vader aan om alles te doen wat tot zaligheid noodig was voor allen, die Hem zijn gegeven. Daar keurde Hijzelf het plan ter verlossing goed. Daar nam Hij het op zich alles te volbrengen, wat te volbrengen was, al zou het ook gaan door de baren van smart en wee.
En Jezus houdt Zijn woord; ook dan, als het verlossingsplan ten uitvoer moet worden gelegd en werkelijkheid wordt. Neen, dan trekt Hij zich niet terug, maar blijft de Getrouwe Zaligmaker, die de Zijnen koopt tot den prijs van Zijn bloed.
Zie het in Gethsemané! Hij stelt Zijn leven voor Zijn schapen. Hij eischt de vrijheid der Zijnen. Indien gij dan Mij zoekt, zoo laat deze henengaan.
„ Deze." Maar wie zijn ze? Dat zijn dezelfden, die niet één uur met Jezus konden waken, toen het Zijn ziele zoo bang was. „ Deze", dat zijn dezelfden, die straks allen aan Hem geërgerd worden en vlieden naar alle richtingen heen.
Voor dezulken dan in de bres staan. Voor dezulken Zijn leven geven? Ja, o waar vindt gij een liefde als van Jezus, waar een ontferming de Zijne gelijk?
De Zondelooze laat zich tot zonde maken. Vrijwillig buigt Hij onder den eisch en vloek der wet. Daarom laat Hij zich met de misdadigers rekenen, onschuldig als schuldig zich binden, opdat Zijn verloste gemeente zou kunnen jubelen:
Och Heer! ik ben, o ja, ik ben uw knecht, Uw dienstmaagds zoon, Gij slaaktet mijne banden. Dies doe ik U gewillig' offeranden Van lof en 'dank, U plechtig toegezegd.
Versta het dan wel: „Jezus wilde een smaad, een schande, een gebondene zijn, opdat gij, die het om verlossing van alle ongerechtigheid te doen is en deze voelt knellen als een loodzware last, heerlijk bevrijd niet alleen, maar ook met eeuwige eere zoudt worden gekroond.
Gelukkig degenen, die het zalig geheim dezer Borgstelling door genade verstaan. Want, al is het ook, o volk van God, dat uw geweten u aanklaagt dat gij tegen al de geboden Gods zwaar gezondigd hebt en.van dezelve geen gehouden hebt, al is het ook, dat u de wet vervloekt en de hel verdoemt, zij hebben toch geen zeggenschap over u, nu Jezus Zijn machtwoord spreekt: Indien gij dan Mij zoekt, zoo laat deze henengaan.
Zijn vloek is uw zegen, Zijn straf uw vrede. Zijn dood uw leven, Zijn banden uw vrijspraak. Hebben we aan zulk een Zaligmaker niet genoeg in leven en in sterven? Gewis, Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is. Zijn liefde tot het verlorene is sterker dan de dood. Zoekt gij een grond onder uw voeten, die eeuwig vastblijft, zoodat zij bij het woelen des verderfs niet in de hel verzinkt, gij vindt dien alleen in Christus en Zijne gerechtigheid, in Zijn verzoenend lijden en sterven. Bij al wat daarbuiten is, hoe schoon het ook schijnt, zult gij geen ruste vinden voor uw ziel.
Houden we dan op met onszelf te handhaven in een wettische gerechtigheid of zelfgenoegzame vroomheid en laten we ons zinken op Christus' werk alleen.
Schijne het dan al.dat wij vergaan in onzen nood en ellende, waar alles soms zoo donker is in ons en om ons, Christus zal het licht in onze duisternis doen opgaan, zoo we slechts hopen op Hem, op Hem alleen. Hij is getrouw en beschermt ons tegen alle gevaren met Zijn woord: Laat deze henengaan.
Zoo komt dan tot ons de vraag: Of wij aan Christus genoeg hebben? Of wij Hem kennen als onzen Borg ? Kunnen wij op goede gronden zeggen: Jezus liet zich binden ook voor mij ?
Zalig ons dan; we zullen ook deelen in Zijn overwinning als we één plante met Hem zijn geworden in de gelijkmaking Zijns doods.
Lezer, is het ook voor u, voor u? Al het andere is ijdelheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 maart 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 maart 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's