De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ned. Herv. Jongelingsbond.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ned. Herv. Jongelingsbond.

8 minuten leestijd

Rooster van Werkzaamheden.

A. Bijbelbespreking Hand. 1: 1—9.

Beschrijf beknopt doel, titel en schrijver van dit boek.

Vérs 1. a. Het eerste boek. Met deze woorden schakelt Lukas zijn tweede boek aan het eerste vast. Nu wij zouden meenen, dat het Evangelie van Jezus ten einde is, komt er weder een ander Evangelie. Het eerste was het Evangelie van Jezus op aarde, het tweede zal dat van Jezus in den hemel zijn, overeenkomstig Zijn Woord Matth. 28 : 18.

6. o Theophilus — zie aanteekening St.-Bijbel bij Luc. 1:3.

c. heb ik gemaakt. - Als schrijver, maar onder de werking v. d. Heiligen Geest. Ook de Handelingen behooren tot den Bijbel.

d. Van al hetgeen... tot te leeren.

Begonnen heeft wil zeggen : alles wat Jezus van het begin af gedaan en geleerd heeft.

Merk op: het doen en het leeren samengevoegd het doen aan het leeren voorafgegaan, en wel omdat de Heere niets leerde of Hij deed het ook, ja had het reeds in daden getoond.

Bij ons meermalen doen en leeren gescheiden.

Velen willen van daden of woorden niets meer weten en zien alleen op de liefderijke gemoedsgesteldheid of zooals zij het noemen, zijne godsvrucht en prijzen deze gezindheid aan. Zij zeggen: godsdienst is een zaak van het hart en heeft met geen dogma's te maken. Roepen daarom toe: Heb God lief boven alles en uw naaste als uzelven en gij hebt de Wet en de Profeten van zelve vervuld. Waarom is dit eene onmogelijke stelling. Geloof, hoop en liefde. Zij zetten het laatste eerst.

Vers 2. a. Het verhaal van den Evangelist loopt tot den dag Zijner opneming. Toen heeft Christus deze wereld verlaten, zoodat Zijne lichamelijke tegenwoordigheid er niet meer gezien is.

b. Zijne bevelen door den Heiligen Geest.

c. Apostelen, gezanten. Geef 't verschil aan tusschen discipel en apostel.

d. Uitverkoren. Tweeërlei uitverkiezing. Uitverkiezing tot ambt, zie Matth. 10: . Joh. 6 : 70.

Uitverkiezing persoonlijk Jer. 31:3, Efeze 1 : 4 en 5.

Pers. uitverkiezing kan, ja behoort met het ambt samen te gaan. Gal. 1:15, 16.

c. bevelen had gegeven; zie Joh. 20:21 en voorts Matth. 28:19, Mark. 16:15, Luk. 24:49.

Vers 3. a. Zie Mark. 16:14, Joh. 20:19 en 21: , 1 Cor. 15 : 5.

b. nadat hij geleden. Wij zouden zeggen, opgestaan was, wijl het lijden voorbij was en de heerlijkheid was gekomen. Dit moge waar zijn bij menschen Job. 11:16, niet bij den Heere, .zie Openb. 5 : 13, want het lijden des Heeren blijft de eeuwige grondslag der eeuwige heerlijkheid van Gods kinderen, en wordt daarom in den hemel herdacht als op de aarde, en wel zonder einde.

c. Vers 3 het bewijs Zijner opstanding. Levend vertoond. Niet genoeg dat Hij opstond en ten hemel voer.

Levend — als de eeuwige levende — vertoond. Zich telkens geopenbaard of tegenwoordig gesteld ten aanzien van velen.

d. Met vele gewisse kenteekenen. Beschrijf ook de groote beteekenis hiervan. Zie voorts Luk. 24, Joh. 20, 21.

e. 40 dagen. Getal 40, getal van voorbereiding.' Veertig eeuwen gaan aan de komst des Heeren vooraf.

Veertig jaren Israel in de woestijn om beproefd te worden.

Veertig dagen werd de Heere verzocht in de woestijn.

Veertig dagen Mozes' groote vreugde op den berg bij God.

Ook voor de discipelen deze veertig dagen van

's Heeren komen tot hen dagen van groote vreugde.

f. sprekende tot aangaan. Vergelijk dit met Matth. 4:17, 23.

Vers 4. «. Zie Luk. 24; 48, 49.

b. vergadert, d. i. bijeen vergaderd had.

c. 't Bevel te Jeruzalem te blijven, waar zooveel gevaar was.

d. de beloften des Vaders, de Heilige Geest. Zie Luk. 24:49, Joh. 14:26, Gal. 4:5, 6.

Vers 5. Zie Matth. 3: 1, Mark, 1:8, Luk. 3:16, Joh. 1:26, Jes. 44:3, Joel 2 : 28.

b. Met den doop des waters van Johannes was het Koninkrijk Gods begonnen; in den doop des H.G. door Hem, den Heere, zou het voleindigd' worden. Twee doopen dus, maar van onderscheiden aard. Inderdaad, een overstijgende trap van heerlijkheid. Bijzonder bij den doop des Heeren gaf het Nieuwe Testament, door den Heere vertegenwoordigd, getuigenis aan het Oude Testament, dat door Johannes vertegenwoordigd werd, en wederkeerig het Oude aan het Nieuwe Testament. De uitstorting des Heiligen Geestes wordt ook een doop met den H. G. genoemd evenals de doop met water, omdat in den H. G. het Goddelijk leven uitstroomt en afstroomt op en in den mensch, die door het geloof inwendig gereinigd en gewasschen is in het bloed van Christus. De Zoon is het uitgedrukte beeld der Goddelijke zelfstandigheid, dat wil zeggen: Hij is de openbaring van het Goddelijk Wezen. De Heilige Geest daarentegen is de onzichtbare uitstraling (bij God) en instraling (bij den mensch) van het Goddelijk licht, of, hetgeen hetzelfde is, van het Goddelijk leven. Vandaar dat de Heilige Geest niet gelijk de Zoon bij vastigheden' zooals een rots, een vast fondament, een hoeksteen vergeleken wordt, maar bij vloeibare en stroomende dingen, zooals wind, lucht, vuur, licht, water, regen,  dauw. De doop met den H. G. moet niet opgevat worden in den zin van den doop met water, van afwassching, maar van zalving, van wijding tot waardigheden en heerlijkheden. De doop met water is het uitwendige teeken van de afwassching der zonde door het bloed van Christus, en heeft deze plaats gehad, dan komt de zalving, de wijding tot de hemelsche heerlijkheid. Daarom wordt de H. G. èn het zegel des geloofs èn het onderpand onzer erfenis genoemd. Ef. 1:13, 14 « (Da Costa).

c. Niet lang na deze dagen. Waarom zou de Heere hier niet het juiste getal opgeven evenals bij Zijne opstanding ?

Vers 6. a. Christus had Zijne discipelen door Zijnen Engel bescheiden om Hem in Galilea te ontmoeten en daar heeft Hij hen voor een bepaalden dag weder naar Jeruzalem bescheiden.

b. Gewoonte des Heeren om te spreken over het Koninkrijk Gods en de discipelen deden dan vragen. Hoe beschamend voor ons wijl wij zoo zelden over eeuwige belangen spreken. Liever over stoffelijke zaken bezig zijn.

c. Zie ook eens Matth. 24:3, Matth. 19:28.

d. Het geneigd zijn van de discipelen om het welzijn der Kerk in uiterlijke pracht te zoeken.

e. Het vasthouden aan een aardsch koninkrijk.

f Het denkbeeld het Joodsche volk meerder dan andere volken.

g. Hun verlangen naar grootheid; vergelijk Luk. 22 : 30.

Vers 7. a. Zie Matth. 24 : 36.

b. . Zie Joh. 16 : 13, Matth. 24; 33, 16; 3. De Heere had hun wel iets gezegd, maar 't was beter dat juiste tijd verborgen was.

c. Den Heere alleen is die tijd bekend, zie Hand. 5 : 18, Jes. 46:10.

d. Wél gedaan aan Johannes, maar hij heeft het in Zijne eigene macht gesteld om het te doen of niet te doen, al naar Hij het goed vindt.

Vers 8. a. Waarvoor zij den H. G. zouden ontvangen. Zie verder daarover 2 Cor. 3 ; 5, 1 Cor. 3:9.

b. Gij zult Mijne getuigen zijn. Zie Jes. 2:3, Luk. 4:48—51, Joh. 15:26 en 27.

c. Wat zij moesten getuigen.

d. Waar ? Te Jeruzalem. De Heere zelf op aarde zijnde zoekt het kleine. Doch voor den Heiligen Geest en door Deze voor Zijne Apostelen moest juist bij voorkeur in de groote steden der wereld, met Jeruzalem aan het hoofd, de banier des kruises geplant worden.

In geheel Judea. Eerst moest het Evangelie aan de Joden verkondigd worden, totdat er eene planting van den boom des levens onder hen was; toen kwam het tot de heidenen.

En Samaria. Samaria op één lijn gesteld met Judea. Welk een ergernis voor den Jood als zoodanig! Doch de discipelen zijn in dat opzicht geene Joden meer; het oude is ook hierin voorbijgegaan. Het evangelie grijpt in de harten der menschen door de ergernis heen.

En tot aan het uiterste der aarde. De Heere teekent hier in groote trekken in kaart de wegen, langs welke het Evangelie zich uitbreiden zou. Dat zou in altijd wijder kring geschieden, evenals de steenworp in het water zich in altijd wijder kring doet kennen, totdat ten laatste de kring den oever raakt. De Heere omvat niet minder dan de geheele aarde. Het is opmerkelijk en getuigende van de hoogste wijsheid, dat de Heere na Jeruzalem, Judea en Samaria genoemd te hebben, van de heidenwereld geene enkele stad of plaats opnoemt, maar de wereld geheel omvat met het woord tot aan het uiterste der aarden, dat is, tot aan des aardrijks grenzen. Immers de discipelen zelven zouden de grenzen der Evangelie-verkondiging niet persoonlijk bereiken, maar door hunne geschriften zouden zij al de eeuwen door in de hen opvolgende Evangelie-predikers optreden, om de altijd nieuw opkomende volken het Evangelie te verkondigen.

En heeft dit niet werkelijk zoo plaats gehad, en heeft dit nu nog niet plaats? Hoevele namen van volken, tot wie de zendelingen uitgingen en nog uitgaan, bestonden er ten tijde des Heeren nog niet! Daarom omvatte de Heere alle tijden door het woord «tot aan de voleindiging der wereld », en hier alle menschen door het woord   «tot aan het uiterste der aarden.» (Da Costa.)

B. Vaderlandsche Geschiedenis.

Les 6. Het Leenstelsel.

C. Samenspraak.

Bestel bij Simon Brandenburgh — Workum :

»Een viertal dialogen», dan hebt ge vier samenspraken, waar ieder met pleizier naar luistert.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 april 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Ned. Herv. Jongelingsbond.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 april 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's