Uit het kerkelijk leven.
Geen wet en geen regel.
Het „Wbld. V. Vrijz. Herv." schrijft naar aanleiding van de kerkelijke kwestie te Alkmaar (waar, zooals. bekend, de bevestiging van kerkeraadsleden geen doorgang had omdat Ds. de Pree het gebruikelijke formulier zou bezigen en de gekozenen de daarin gestelde vragen niet zouden kunnen beantwoorden en welke kwestie nog onopgelost bleef, nu het Classicaal Bestuur geen geschil in kerkrechtelijken zin aanwezig achtte):
"In een kleine orthodoxe gemeente werd een jaar of tien geleden een vrijzinnig man tot diaken gekozen. Hij stond bij zijn dorpsgenooten goed aangeschreven en had ook al zitting in het college van notabelen. Nu zij geen ruime keuze van personen hadden en hem voor de betrekking zeer geschikt achtten, hadden zij in zijn richting geen overwegend bezwaar tegen zijn benoeming gezien.
»Maar de predikant dacht er anders over. Dat men dien vrijzinnigen man notabel had gemaakt, kon er mee door, maar dat hij lid van den kerkeraad zou worden, neen, dat was te erg. En hij zeide, dat hij dit wel zou weten te voorkomen, dat de man, als hij eerlijk was, geen Ja zou kunnen zeggen op de vragen, die hij hem bij de bevestiging zou stellen en dat de bevestiging dus wel niet zou plaats hebben.
»Toen de benoemde dit vernomen had, bracht hij ons een bezoek om inlichtingen en raad te vragen. Wij deelden hem mee dat inderdaad een predikant bij de bevestiging allerlei vragen mag stellen, maar.... dat nergens van ouderlingen en diakenen wordt geëischt, dat zij de verklaringen zullen afleggen, die een predikant hun gelieft voor te leggen, en dat deze daarom van hun antwoord de al of niet bevestiging niet mag laten afhangen. En wij gaven hem den raad, de dingen kalm af te wachten, te zijner tijd-zich te begeven naar de godsdienstoefening, waarin de bevestiging zou plaats hebben en dan op de hem gestelde vragen eenvoudig dit antwoord te geven : »Ik zal trachten, een goed diaken te zijn.".
»Deze raad is gevolgd. En toen, terwijl de gemeente wel eenigszins in spanning was, de predikant op zijn vragen dat antwoord te hoeren kreeg .toen keek hij wel even wat vreemd op, maar hij ging toch met het werk der bevestiging voort. De vrijzinnige diaken nam plaats in den orthodoxen kerkeraad.
»Wij zijn van oordeel, dat deze predikant zich volkomen reglementair en correct heeft gedragen, en dat de heer de Pree op dezelfde wijze behoort te handelen, wanneer hij van de te bevestigen kerkeraadsleden een soortgelijk antwoord ontvangt."
En in de „N Rott. Courant" lazen we: »De heer A. J. Oort, emeritus predikant te Zutfen schrijft, dat het reglement geen verplichting oplegt, ouderlingen en diakenen in de Ned. Herv. Kerk voor hun bevestiging vragen te stellen en zij dus in het geheel niet behoeven te antwoorden."
Hierin komt duidelijk uit wat de modernen willen. Zij willen vrijheid hebben om te leeren, vrijheid om te handelen en te wandelen, zonder dat de Ned. Herv. Kerk hun éenige wet of éenigen regel stellen mag.
Een predikant, een ouderling, een diaken, een belijdenis-doend gemeentelid, een doopvader of - moeder — zij allen moeten overal en ten allen tijde het recht hebben om, bij alle mogelijke plechtigheden, bevestigingen, sacramentsbedieningen enz., te antwoorden ; men heeft niets met onze leer en ons leven te maken, wij zullen een goed predikant, een goed diaken, een goed gemeentelid, een goede opvoeder zijn, naar ónze meening en naar onze opvattingen, en daarmee uit! Op andere vragen antwoorden we niet, andere beloften doen we niet, andere verbintenissen gaan we niet aan!
En dan moet de Kerk maar zwijgen.
Zwijgen als de proponent toegang vraagt naar den kansel; zwijgen als de ouderling gereed staat in den kerkeraad binnen te treden; zwijgen wanneer jongelingen en jongedochters belijdenis willen doen.
De Kerk mag dan geen wet en geen regel stellen. Zij mag geen waarborgen vragen en geen vragen voorleggen.
Vrijheid, blijheid voor de modernen ! Vrijheid voor alle wind van leer, voor alle mogelijke praktijken.
"Wat een predikant, ouderling, lidmaat, doopvader enz. dan „goed" noemt mag gebeuren, moet worden toegelaten.
Alleen de Kerk zelf mag niet bepalen en mag niet voorschrijven en mag niet stellen wat zij goed vindt. Want als ze dat doet, dan is de moderne weer niet vrij. En de moderne moet vrij zijn en blijven.
Laat dan de Kerk maar genoodzaakt worden om te moeten aanvaarden, wat de leden der Kerk haar willen geven !
Wat geeft het ook, of de Kerk gebonden is, om alle wind van leer te moeten dulden. Om alle leeringen te moeten slikken en alle practijken te moeten dragen.
Dat is juist het ideaal van den vrije moderne, om alles en een ieder de vrijheid te benemen door hunne dwaze, ongehoorde bandeloosheid...
Ieder moet vrij zijn, alleen de Kerk zelf mag niet vrij zijn, om te bepalen naar welke wet en naar welken regel in die Kerk geleefd moet worden — zegt de moderne. Wie heeft ooit zooiets gehoord ?!
Mag, moet de Kerk niet waken over haar terrein, wat leer er gebracht wordt en naar wat regel men er leeft?
Heeft de Kerk niet het recht; heeft zij niet de hooge roeping van den Heere ontvangen om leering van leering te onderscheiden en regel van regel; om in alles haar weg in te richten naar Gods Woord, van hare leden eischende, dat men naar 's Heeren getuigenis zal vragen en zich daaraan zal houden ?
Neen, nooit mag de Kerk alles verlagen tot een „plechtigheid", zonder meer. Dat zou men wel willen.
De bevestiging van een predikant een plechtigheid, de doop een plechtigheid, de belijdenis een plechtigheid, het avondmaal een plechtigheid, de Kerkvisitatie een plechtigheid, de godsdienst een plechtigheid.
En hoe plechtiger het dan bij die plechtigheden toegaat, hoe liever men het heeft., .
Maar alzoo is het in onze Ned. Herv. Kerk nooit geweest en het mag alzoo ook niet worden.
Droef clericalisme verbergt de moderne onder zijn kleed.
De predikant mag alles doen wat hij wil. Aan geen belijdenis, aan geen formulieren, aan geen vragen, aan geen wet en geen regel heeft hij zich te houden. Hij leert en leest en vraagt eenvoudig wat hij wil — en dan heeft geen kerkeraad, geen gemeente, niemand ter wereld eenig recht om wet of regel voor te schrijven. Neen, aan de Kerk heeft de predikant zich niet te storen.
Hij kent geen band en geen wet en geen regel, geen belijdenis en geen formulier — dan wat hij, de moderne dominé, zelf belieft te zeggen.
Wie heeft nu ooit zoo iets gehoord in onze Ned. Herv. Kerk?
Ligt het niet in den aard van de zaak, dat men hen, die tot het ambt in onze Kerk toegelaten en in het ambt bevestigd worden, dat men hen die belijdenis des geloofs wenschen af te leggen enz. — eene verklaring vraagt en eene belofte laat afleggen, om hen daardoor voor te leggen, wat de Kerk, waartoe zij behooren, gelooft en belijdt en verordent, opdat zij in het ambt en in het midden der gemeente niet zouden prediken en voorschrijven en belijden al wat hun goed dunkt en aldus de orde in onze Kerk verstoren ?
Grenzelooze verwarring is toch onvermijdelijk, waar naast een organisatie zooals die der Ned. Herv. Kerk, bij welke een gemeenschappelijke geloofsbelijdenis wordt verondersteld (zie o.a. art. 11 Algem. Regl., art. .14 30 Regl. voor den Kerkeraad, art. 7, D, 3e Regl. op de Kerkvisitatie enz.) onbeperkte leervrijheid en eigendunkelijk handelen zou worden toegelaten.
De inrichting der Ned. Herv. Kerk veronderstelt een gemeenschappelijke geloofsbelijdenis. Natuurlijk kan dan aan hen, die in deze Kerk in het ambt zullen bevestigd worden of als lidmaten zullen worden ingeschreven, niet de vrijheid worden toegestaan, om te prediken en te leeren en te belijden en te doen al wat zij goed vinden.
Plaatsen wij ons dus een oogenblik op kerkelijk standpunt, dan moeten we het als de meest natuürlijke zaak achten, dat de Kerk wet en regel stelt, dat de Kerk instemming met hare belijdeüis eischt, dat de Kerk een formule voorlegt aan de proponenten, een formulier voorschrijft bij den doop, vragen stelt bij het doen van belijdenis enz. enz., waarbij degene, die bevestigd wordt, die de "formule onderteekent, die de vragen beantwoordt enz. voor God en de gemeente gebonden is om zich aan de kerkelijke vragen, formulieren, belijdenis enz. te houden. Nooit mag hij zeggen: ik zal trachten het, afgezien van eenigen regel of wet, of eenige belijdenis, zoo goed mogelijk te doen, naar uitwijzen van mijn eigen oordeel.
Dan zou de leervrijheid in onze Kerk tot normaal toestand worden verheven. En dan zou onze Ned. Herv. Kerk worden overgeleverd aan predikanten, ouderlingen, gemeenteleden, die zonder wet en regel zich de vrijheid verzekerd zien om te prediken, te gelooven, te behouden of te verwerpen, wat hun goeddunkt en de Kerk zou dan nooit het recht hebben om bij de meest brute verwerping van de aloude grondslagen van ons Christelijk geloof, tegen zulke menschen (die het alles zoo goed mogelijk trachten te doen naar eigen goeddunken!) op te treden en zulke menschen te herinneren aan een gemeenschappelijke belijdenis, en een ordelijke wet.
Men voelt dat zou de dwaasheid zelve zijn. De Kerk zou zoo onvrij zijn, dat haar verwoesting niet kon uitblijven.
Waarbij men niet moet zeggen: men mag toch een predikant niet dwingen te prediken wat hij niet gelooft en men mag toch een ouderling geen belijdenis afeischen, die hij niet onderschrijft, enz.
Want niemand dwingt zoo'n predikant en zoo'n ouderling om in de Ned. Herv. Kerk predikant of ouderling te worden. Het moet een vrijwillig aanvaarden zijn en blijven, om in het ambt bevestigd te worden.
En juist omdat men zich vrijwillig wijdt aan het ambt in de Ned. Herv. Kerk, heeft de Kerk het recht om hare belijdenis, haar wet en regel voor te leggen.
„ Dat moet de Kerk doen om haars zelfs wil. Zelfs de Remonstrantsche Broederschap telt nog een eisch en schrijft nog een regel voor.
En wie zich dan niet met de belijdenis der Herv. Kerk kan vereenigen, die ga vrij van haar uit!
't Is dan een scheiding van heterogene bestanddeelen, die niet bij elkaar behooren.
En 't zal een scheiding geven van hen die zelf moeten belijden, dat zij gebroken hebben met de grondslagen van de Herv. Kerk; — een scheiding van hen, wier aanhang hoe langs hoe meer bestaat uit on-of antikerkelijke menschen.
Waarbij we medelijden kunnen hebben met dezulken.
Maar uit medelijden mogen we iemand niet bevestigen in het ambt in een Kerk waar hij niet thuis hoort.
Uit medelijden mogen we iemand niet vergunnen om een misstap te doen.
„De zilveren koorde."
XIII. (Slot)
De Heere heeft Zijn Kerk tot een groot en heerlijk werk geroepen. Waarbij de geloovigen hoe langs hoe meer 's Heeren ordinantiën moeten leeren naspeuren en meer nog tot offervaardigheid moeten worden gedrongen door de liefde tot Christus.
Maar de Overheid heeft er ook zéér veel belang bij, dat de Kerk haar wijdsche taak verricht, voor het volksleven in Nederland en de Koloniën tot voordeel en zegen.
Daarom zal de Overheid op de Kerk acht moeten geven om haar bij haar arbeid te steunen.
De Overheid mag tegenover de Kerk, tegenover de publieke religie, niet als een onverschillige staan.
Zou zij wel voor het natuurlijke leven een oog moeten hebben, maar niet voor het geestelijke leven in het midden der natie?
Wel zorg hebben voor kunsten en wetenschappen, maar geen zorg aan den dag leggen voor de religie?
Neen, dat mag niet!
We willen niet weten van scheiding tusschen Overheid en godsdienst, wat op vijandschap tegen en onderdrukking van de Kerk neerkomt.
Wé wenschen, dat de Christelijke Regeering van ons Christelijk Nederland oog zal hebben voor de geestelijke worsteling, die daar doorgemaakt wordt in het midden van ons land.
Nooit, om aan het volk dan haar opvatting dwingend op te leggen.
Nooit, om, waar de Kerk des Heeren zoo gedeeld optreedt in ons Vaderland, van alle burgers belasting te eischen en aan éen bepaalde Kerk dan haar steun te geven, met uitsluiting van andere Kerken.
Laat als ideaal genomen worden, dat er in ons Vaderland maar éen Kerk behoorde te zijn, waarin de publieke religie van het volk tot openbaring kwam.
En dat die éene, Vaderlandsche Kerk, de Gereformeerde Kerk van Nederland behoorde te wezen.
Maar waar bij den geestelijken strijd de openbaring der geesten zoo velerlei is, (waarvan dan niet gezegd kan worden, dat er bij den éen niets in is uit God — en bij den ander alles) en waar diensvolgens in ons Vaderland zoo velerlei Kerkgenootschappen zich openbaren, in welke allen min of meer de publieke religie van ons volk gevonden wordt, daar heeft de Overheid met deze dingen rekening te houden en naar art. 168 en 169 van de Grondwet alleri te behandelen naar denzelfden maatstaf.
Het komt aan de Overheid niet toe in deze een beslissing te nemen en haar opvatting dan dwingend te leggen op héél het volk.
Daar is de Roomsche Kerk, de Hervormde, de Luthersche, de Remonstrantsche Kerk, de Gereformeerde Kerken enz. enz. Terwijl de Joden ook nog altijd niet tot de Christelijke Kerk behooren.
Dat heeft de Overheid te aanvaarden. En daarbij blijve dan op den voorgrond staan: de Kerk, welke dan ook, blijve in alles vrij, besture zich zelf èn onderhoude zich zelf.
Maar de Overheid bescherme haar en steune haar waar en wanneer het noodig en mogelijk is.
Hoe meer de Kerk zich zelf is en zich zelf helpt, hoe beter.
Hoe minder de uitgaven voor de Overheid zijn, hoe minder ook de belasting. En hoe minder de belasting, hoe beter ieder weer voor zijn Kerk kan bijdragen — wat de van God geordende weg is.
Doch waar de Kerk voor een zoo zware taak staat bij den velerlei arbeid, daar stelle de Overheid een billijke eisch aan alles wat zich in het publiek als Kerk openbare en helpe dan financieel, zooveel mogelijk en noodig is.
't Zal natuurlijk billijk zijn, dat de Overheid eischt, dat de Kerk, die zich openbaart, waarlijk een Kerk genoemd mag worden.
En zoo zou men kunnen bepalen, dat het recht van bestaan van een Kerkgenootschap moet blijken èn uit het aantal leden èn uit haar Kerkverband, daarbij in haar belijdenis niets hebbende wat goede orde of rust verstoren kan. Om dan voor te schrijven, dat het Kerkgenootschap niet minder dan 20 gemeenten binnen de grenzen van Nederland mag tellen en het getal leden der afzonderlijke gemeenten niet minder mag wezen dan 200, groot en klein saam genomen.
De subsidie van den Staat kon dan geschieden voor elke plaatselijke gemeente, zoodat elke erkende gemeente van den Staat een vaste vergoeding ontving, waarmee zij b.v. bij het betalen van den predikant rekening kon houden, zooals nu de schoolbesturen subsidie krijgen ter betaling van het onderwijzend personeel.
Juist omdat de kerk een roeping heeft voor het publieke leven is het billijk en recht dat zij deele in de publieke ontvangsten en publiekelijk gesteund wordt.
Melchizedek ontving als priester aanstonds van Abraham de tienden. Dat was in Abrahams dagen een oud recht dat den priester toekwam, gelijk de priesters ook in Egypte, hun vaste inkomsten van de Overheid hadden.
En waar de Heere Zijn volk in Palestina deed wonen gaf hij een eigen woongebied aan de Levieten en nam de Heere inkomen uit den landsbodem en van den veestapel voor de Aaronitische priesters.
Zoo moet het ook nu weer worden, al is het op gansch andere wijze.
Ie regelmatige omstandigheden, waaronder we ook nu leven, moet de Kerk van Christus in het midden van het publieke leven hare vaste inkomsten hebben van het goed der aarde, opdat zij vrij en onafhankelijk aan hare roeping beantwoorde. En het is de roeping van de Overheid om dat levensrecht aan de Kerk te geven en voor de Kerk te bewaren.
De Overheid heeft hier een roeping.
En daarom, dat de Kerk haar volle vrijheid geniete om zich geheel in gehoorzaamheid aan Gods Woord in te richten en te openbaren.
Dat de Kerk gevoele zich zelve te moeten onderhouden, in het geloof steunend op God en doende wat God heeft verordineerd. Dat al de leden der Kerk naar billijken maatstaf bijdragen wat noodig is; waarbij de Kerk desnoods, met hulp van de Overheid, het recht heeft de voldoening der verplichtingen van hare leden te eischen.
Dat de Kerk zelve hare Kerkedienaren aanstelle en bezoldige, voor alles zelf regelen stellend.
Maar dat de Overheid dan zorge, dat aan die Kerk als draagster van de publieke religie toekome een deel van het publieke brood, dat de aarde voortbrengt voor alle inwoners te saam, óok voor Gods huis en voor Gods knechten bestemd.
En daarom trachte de Overheid de kwestie van de kerkelijke goederen, die aan de publieke Kerk van Christus in Nederland zijn ontnomen, met die Kerk zoo goed en zoo spoedig mogelijk in orde te maken.
Terwijl de Overheid in ons Vaderland door de publieke landswet aan heel den geestelijken arbeid in Scholen en Kerken eenige zekerheid geve voor het bestaan en voor den arbeid — zóo zal héél het volksleven voordeel ontvangen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's