De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

.... Waarom ziet gij droevig ? *Luc. 24:17.

De Emmaüsgangers,

't Is voor ons gevoel, alsof er aan de viering van het Paaschfeest iets ontbreekt, zoolang wij de geschiedenis van de Emmausgangers niet hebben overdacht en besproken. Zooals aan den avond van den 1sten Kerstdag als van zelf de Engelenzang aan de orde is — zoo spreekt het ook bijna van zelf, dat aan den avond van den 1sten Paaschdag onze aandacht gevraagd wordt voor die reizigers, die droef van harte, van Jeruzalem naar Emmaus gaan en daar dan tot groote blijdschap Jezus mogen zien en ontmoeten, zooals Hij, opgestaan uit de dooden, aan Zijn jongeren zich komt vertoonen.

't Zijn van ouds bekenden, die twee voetgangers, hoewel er slechts éen van de twee ons met name bekend-is en--wel Kleopas. Wie de ander geweest is weten wij niet.

De een zegt, dat het Lucas, de medicijnmepster is geweest; een ander noemt Nathanaél; een derde noemt weer een ander. Maar wij weten het niet.

Ze zijn op weg naar Emmaus, een klein dorpje, - 2 1/2 uur westwaarts van Jeruzalem gelegen.

De naam heeft in de H, Schrift steeds groote beteekenis.

Zoo beteekent Bethel: huis Gods, omdat Jacob aan die plaats eenmaal mocht ervaren, dat de Heere daar tegenwoordig was en , aldaar Zijn zegen wilde gebieden.

Bethlehem beteekent broodhuis, omdat daar vele korenvelden waren, waar Naömi en Ruth overvloed van brood vonden en omdat aldaar Jezus geboren is, die het brood des levens is, dat tot verzadiging van een behoeftig volk uit den hemel is geopenbaard.

En zoo nu ook heeft de naam Emmaus beteekenis, welke veelal verklaard wordt als te zijn: duisternis en donkerheid.

Met ónze geschiedenis voor ons kunnen wij begrijpen, waarom die plaats alzóo omschreven wordt. '

Of wandelen de twee discipelen van Jezus, die tot Zijn trouwe volgelingen en vrienden behooren, niet geheel in donkerheid ? Is hun hoofd en harte niet verward, bevreesd en twijfelmoedig? Zien zij er niet bedroefd en bedrukt uit?

Waarom zoo bedroefde en dat op Paaschfeest, nu zij pas in de heilige tempelstad geweest zijn?

Was daar het Oude Bondsvolk niet in grooten getale saamvergaderd en klonken de blijde feestpsalmen niet in de tempelzalen?

Was hun harte niet gesterkt in Gods huis, gedenkende Zijne groote en heerlijke daden?

Neen — aan de stad kon 't niet liggen, dat ze zoo droef gestemd waren.

't Lag óok niet aan den weg, dien zij gingen, dat hun oog zoo donker, hun hoofd zoo gebogen was.

Want 't was de 17de Nisan, die met onzen datum van 9 April overeenkomt, 't Was de lentetijd, 't voorjaar, wanneer de lucht zoo frisch' en een wandeling door 't veld zoo opwekkend is. Bovendien was de weg, waarlangs zij gingen zoo schoon.

Eerst is het pad wel wat stil en somber, waar 't zich Westwaarts afbuigt van de tempelstad, gaande langs de graven der richteren. Maar dèn wordt de natuur zoo lief en weelderig.

Want als men daar door die vruchtbare vallei van Juda gaat, laag langs Sions heuveltop, waar de goudgekleurde stralen der avondzonne alles in vriendelijke schoonheid doet neerliggen, om dan langzaam opwaarts te gaan, waar de weg zich grillig maar bevallig door wuivend en golvend graan slingert, weldra overschaduwd door donkerbladerige vijgeboomen, groenende olijven en bloeiende wijnstokken, waarbij de vogels en de - insecten vroolijk zingen en gonzen — immers! dan kan het harte niet zoo droevig zijn en het oog zoo donker en het hoofd zoo gebogen en al de gebaren zoo zorg vol, tenzij er gansch iets bizonders is, dat de ziele drukt en het harte bezwaart.

En ja ~ dat is er ook.

Neen — er is niets met hen zelf gebeurd, óok niet met éen van hun familie. 't Is niet een droefheid naar 't vleesch.

Maar ... discipelen, vrienden-, volgelingen van Jezus zijnde, zijn zij zoo bedroefd en twijfelmoedig, omdat het met Jezus zoo gansch anders is gegaan, dan zij zich hadden voorgesteld; omdat Zijn leven, Zijn arbeid 'zoo plotseling op ontzettende wijze was afgebroken. Omdat Hij was gekruisigd als een misdadiger én daarna in het graf was bijgezet — alwaar Hij nu rustte in het harte der donkere aarde, zijnde nu de derde dag!

Wat er in den vroegen morgen na Sabbath in werkelijkheid geschied was, wisten zij niet. Ja — er waren wel geruchten tot hen doorgedrongen. Maar, .. 't waren maar geruchten, door enkele vrouwen verspreid. En neen daar had hun harte niets aan.

Waarom niet? Was dat gerucht niet naar de Schriften geweest? Was dat geen werk Gods? Was dat niet tot roem van Sions Borg, Die in alles de juist gepaste Borg is voor een arm en"in zichzelf gansch verloren volk?

Ach — daar dachten ze nu eigenlijk heelemaal niet over. Want die geruchten pasten niet bij hun ligging, bij hun neiging, bij hun inzichten, bij hun redeneering.

En daarom lieten ze het links liggen, stoorden er zich niet aan, en ... wandelden in eigen weg droef en mismoedig met het aangezicht naar Emmaus en met den rug naar Jeruzalem!

Neen! 't was niet met Jezus gegaan zooals zij dat hadden gewild en daarom waren zij zoo droevig. Ach, alles stond zoo hopeloos. Hun ziel was als met een scherp zwaard doorwond en hun harte weigerde getroost te worden.

O! wat wordt ons dat klaar in al de discipelen en discipelinnen van den Heiland getoond, dat de mensch — ook de bekeerde mensch — er zoo gaarne zélf een weg op na houdt, waarvan hij dan zegt en getuigt en volhoudt: dat is Gods weg.

En de eene broeder steekt dan den anderen broeder de hand toe, de eene zuster zoekt dan de andere zuster op en men sterkt elkander — om in de eenzaamheid af te dwalen in eigen paden, om saam te varen op eigen kompas, hoe langs hoe meer de donkerheid te gemoet.

O! wat is de mensch toch! En wat zijn de broeders en de zusters 'bij elkaar toch! Zijn ze anders dan dwaalziek, halslarrig, dwaas en blind, van Gods wegen afwijkende ?

Zijn ze anders?

Een mensch kan daar niets aan veranderen. Want o! de mensch is zoo wijs in eigen oog en zoo vasthoudend aan eigen weg, eigen ligging, eigen inzicht, eigen woord. Ook die mensch, die door genade Gods kind mag zijn. Omdat hij mensch is en mensch blijft. En die laat zich door een mensch niet veranderen.

Dat. kunt ge denken!

Als er daarom niet een groote en goede Herder was, die wist medelijden te hebben met Zijn schapen, dan was het verloren voor Gods kinderen. Ze dwaalden als schapen af. Ze vielen in de gracht. Ze werden verscheurd door wolven en leeuwen. Waarbij de eene broeder den andere helpt en de eene zuster de. andere zuster meetroont — om samen af te wijken van het Woord en dus samen af te wijken uit het licht in de duisternis, uit het leven in den dood.

Maar nu is er een goede Herder die Zijn schapen kent; die Zijn hart gezet heeft op Zijn schapen; die Zijn schapen mint met een eeuwige en ongehoudene liefde. Die Zijn schapen volgt, Achtervolgt, inhaalt, aangrijpt, terugtrekt, terugjaagt, terugslaat, terugdraagt, terug in het licht, terug in de groenende weide van Gods getuigenis, aan de stille wateren van Zijn beloften — waar de schapen dan prijzen den Herder voor Zijn ongehoudene goedheid en biddend smeeken „maak in Uw Woord mijn gang en treden vast, opdat ik mij niet van Uw paan moog' keeren; " (Ps. 119:67).

Daar voegt zich een derde bij die twee, die bedroefd en bedrukt daar wandelen op 't stille pad van Jeruzalem naar Emmaus, druk pratend, maar niet naar de Schriften, stil in gepeins soms, maar niet om in te drinken Gods getuigenis.

Als een goede Medicijnmeester kent Hij aanstonds hun kwaal en Hij zal hen behandelen, zooals ze van noóde hebben.

Ze moeten hun mond maar eens open doen; ze moeten maar eens spreken; ze moeten hun hart maar eens uitstorten; ze moeten hun ligging en hun toestand Hem maar eens toonen en dan zal Hij die eens toetsen aan . .. de Schriften.

Dat begrijpen zij niet. Maar ze storten hun hart uit. En o! de Psalmist heeft het eens uitgeroepen: „vertrouwt op den Heere, ten allen tijd, o volk; stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht. God is ons een toevlucht." (Ps. 62.) '

En 'tis zoo waar.

De Heiland weet aanstonds waar het hun mankeert. Zij kenden de Schriften niet. Ze wisten niet wat de Heere van den Christus geprofeteerd had, hoe Hij moest lijden en sterven; hoe Hij onder de misdadigers gerekend moest worden, onder den vloek Gods geveld, in het graf bijgezet — om daar, als hij uit de wateren der schande en des doods gedronken had het Hoofd omhoog te heffen en Sion te kronen met heil en eeuwige zaligheid.

Zij hadden zich Christus maar voorgesteld in hun weg en naar hun wensch.

En starende op het kruis en op het graf waren ze bitterlijk bedroefd en zonder hope:

Maar.... de menschen hadden dat toch niet gedaan. De Overpriesters en Farizeën niet. Kajafas niet en Pilatus niet. De .Joden niet en de heidenen niet.

God had het alzóo gewild, om, naar Zijn eeuwigen Raad, in een weg van heilig recht, Sion te bereiden het aangename jaar der vrijheid.

De weg was niet krom gegaan, maar recht. Het einde was geen mislukking, maar victorie.

Jezus, een vloek geworden zijnde, had nu den vloek weggenomen voor al Gods volk.

God was groot in dezen weg. Christus volmaakt. '

O, onverstandigen — wat zijt gij traag om de Schriften te lezen, te onderzoeken en te verstaan....

Volk, waarom zoo droevig na Paschen? Is het ook, omdat gij traag zijt om de Schriften te lezen, te onderzoeken, te verstaan?

Is het ook, dat de een den ander sterkt in „liggingen" en '„toestanden" en leidt in paden en wegen, die niet zijn naar.... de Schriften?

Is het ook, dat gij vasthoudt meer aan uw weg dan aan Gods geopenbaarden wil?

Is het ook, dat de gehoorzaamheid ontbreekt, het geloof niet gesterkt wordt door Gods getuigenis en de ziel niet verkwikt door de prediking van des Heeren Woord en door het gebruik van des Heeren Sacrament? O, onverstandigen ....

Bekommerde ziel, waarom zoo droef? Is het ook, omdat gij uw harte niet—uitstort voor den Heere en uw mond niet opent voor God, om al uwe zonden te belijden en Hem om genade te smeeken, pleitende op Zijn beloften, vasthoudende aan Zijn Woord ?

Staat er niet geschreven: „Kom, laat ons te zamen richten en al waren uwe zonden rood als bloed, Ik zal ze witter maken dan sneeuw? "

Staat er niet: „ Die Hem aanroept in den nood, vindt Zijn gunst oneindig groot? "

O, bidt, bidt om die genade, dat gij van Gods Geest ontvangen moogt, die u verlichte oogen kan geven om de Schriften te lezen met toepassing voor de ziel..

Dèt is het medicijn tot genezing.

Dat is de weg, waarin het licht vroolijk opgaat.

Wereld, waarom zijt gij zoo vroolijk in een weg, die vloekt tegen Gods Woord,

Neen, neen,  uw weg zal in het eind geen vroolijkheid laten.Droeve smart en bittere teleurstelling slechts.

Zoudt ge u niet wenden tot den weg der Schriften? Tot den Christus Gods?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's