De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voor Jong en Oud.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Jong en Oud.

4 minuten leestijd

John Bunyan.

Wanneer wij den 10 den Juni van het jaar 1874 te Bedford, een stadje in Engeland, geweest waren, hadden wij ooggetuigen kunnen zijn van een groote plechtigheid.

Reeds vroeg in den morgen vernam men, in de anders zoo stille straten, een vroolijk feestgedruisch. Overal wapperde de vlag; opgewekt klonk het luiden der torenklokken, en tegen den middag waren duizenden menschen op de been, die zich 't meest bewogen op het plein van de St. Pieterskerk.

Wat er gaande was te Bedford? Het standbeeld van John Bunyan zou worden onthuld!

„Door geboorte", zoo schrijft Bunyan van zich zelf — „door geboorte behoorde ik tot een arm en gering geslacht.

Mijn vader was kétellapper vaa zijn beroep, een handwerk, dat als het laagste en minst geachte uit het geheele land werd beschouwd.

Zoo kan ik niet spreken van edel bloed — nochtans dank ik den Heere, dat Hij mij door deze deur het leven deed binnentreden, om er Zijne genade en het leven, dat in Christus is, te leeren kennen."

Ziedaar het eenvoudig bericht van zichzelven en zijn afkomst gegeven door een man, wiens geschriften, gedurende nu reeds 3 eeuwen, op de godsdienstige meeningen van het Engelsche volksras in alle deelen der wereld meer invloed hebben uitgeoefend dan eenig ander boek, behalve de Bijbel I

In 1628 werd Bunyan te Elstow geboren, in de nabijheid van het stadje Bedford, ten Westen van Cambridge.

Uit een arm en eenvoudig gezin gesproten vond hij geen anderen omgang dan met het onontwikkelde landvolk, waaronder zijn vader zijn klanten had — en zoo groeide hij in verwildering op.

Wel deed zijn vader hem nog een weinig schoolonderwijs geven, maar vér mocht hij het in de wetenschap niet brengen en leefde als een ondeugende, doldriftige knaap onbezorgd voort, totdat hij een jongeling was.

„Slechtheid", zoo zegt zijn later berouwvol verhaal, „slechtheid was mij een tweede natuur, 't Was mijn lust en begeerte om het kwade te doen, zijnde vervuld met allerlei ongerechtigheid.

Wat zóo sterk was, dat moeilijk een jongen gevonden kon worden die mijns gelijke was in het dienen van de zonde. Vooral vloeken en zweren en liegen was naar de lust van mijn hart."

»Mijne zonden", zoo vervolgt hij dan — „mijne zonden mishaagden den Heere zóo zéér, dat Hij mij, zelfs in mijü kindsche jaren reeds, met ontzettende droomen en vreeselijke gezichten kwam bezoeken. Slapende ben ik op mijn legerstede bezocht geworden door het zien van duivels en booze geesten.

Dag en nacht vervolgden mij gedachten aan het laatste oordeel, die mij deden beven en sidderen bij het voorgevoel van de onlijdbare pijnen en smarten van het helsche vuur."

„Maar toch" — zoo zegt hij — hoewel de Heere mij reeds op mijn 10de jaar bij het loszinnig samenzijn met mijn speelmakkers alzóo kwam bezoeken, wilde ik van" mijn zonden geen afstand doen."

In zijn jongelingsjaren verdwenen die gezichten en kwellingen hoe langs hoe meer — en geheel werd hij overgegeven aan zijne booze lusten om, zonder hinderpalen op zijn weg te ontmoeten, tot alle soorten van goddeloosheid voort te varen.

Van God en Zijn dienst had hij een afkeer en als hij later terugdenkt aan dien tijd, zegt hij: „ik zeide tegen God. met sprekende daden „wijk, wijk van mij!" onverschillig zijnde voor zaligheid of rampzaligheid, een welbehagen hebbende in het booze."

Toch liet de Heere hem niet los.

Bunyan zélf dacht dat wel — maar de Heere kwam nog tot hem met treffende bewijzen Zijner liefde en lankmoedigheid, die evenwel in 't minst geen indruk op hem maakten.

Zoo hoorde hij van een man, die na een vreeselijke Godslastering terstond door een doodelijke ziekte werd aangetast en kort daarop al vloekende den laatsten adem uitblies.

Van een ander voorbeeld van Gods straffende gerechtigheid was hij ooggetuige.

In Elstow's buurt woonde een kroeghouder, die een idioten zoon had.

Wanneer hij veel volk in zijn kroeg had, was het zijn geliefkoosd vermaak zijn zoon boos te maken, die dan de vreeselijkste verwenschingen en vervloekingen kon uitbraken en dan gewoonlijk zijn vader toeriep, dat de duivel hem mocht wegslepen. „Ik zelf', zegt Bunyan, „was oog-en oorgetuige van hetgeen ik u verhaal. Ik heb gehoord hoe de zoon zijn vader vervloekte en hoe de vader zijn zoon bleef tergen — en ik heb ook toen gezien, dat de duivel den vader vanéenreet, totdat hij stierf. — Vol ontzetting, en vrees keerde ik huiswaarts."

Ook werd hem door voorvallen met zijn eigen persoon zoo duidelijk de goedertierenheid en genadige voorzienigheid Gods getoond.

{Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Voor Jong en Oud.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's