Stichtelijke overdenking.
En zeide tot hen: vrede zij ulieden ! En dit gezegd hebbende, toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan werden verblijd, als zij den Heere zagen. Joh. 20 : 19b en 20.
Vrede en blijdschap.
De woorden hierboven verplaatsen ons aan den avond van den eersten dag der week, waarop de Heiland uit het graf verrees om het leven en de onverderfelijkheid aan het licht te brengen. Op dienzelfden avond waren de discipelen vergaderd. Om de vreeze der Joden hadden zij de deuren gesloten. En daar spraken zij voorzeker met elkander, over wat er in den vroegen morgen gebeurd was.
De Emmaüsgangers verhaalden met blijdschap hun ervaringen, die zij op den weg hadden opgedaan. We kunnen ons voorstellen, dat ze tot in bijzonderheden toe, alles nog eens opgehaald hebben.
Wat een vreugde zal er in de ziel geweest zijn van hen, die vast overtuigd waren van het feit, dat Jezus graf én dood overwon.
Maar toch daarnaast zijn er ook, die het wel wilden, maar het nog steeds niet konden, niet durfden aannemen. Daar was voor een ieder nog niet genoeg heldere klaarheid op dit punt. Daar waren er toch bij, die zelf geen getuige er van waren geweest. Deze vonden het zoo groot — te groot.
En als dan gesproken werd over die verschijningen van Jezus, o dan kwamen er ook gedachten, ongeloovige gedachten bij sommigen op, of het nu toch eigenlijk wel waar was, gelijk er werd verteld, dat Jezus waarlijk was opgestaan. Wij moeten er niet zoo gering over denken. Daar schenen nog zoo veel bezwaren voor sommigen te zijn. Het was voor hen niet zoo gemakkelijk te verstaan.
Geestelijke verdieping in deze dingen was hun noodig. Verwonderen wij daarover ons niet. Wij staan achter de feiten, maar denk u eens even in, zoo ge kunt, wat het voor die menschen geweest moet zijn. Jezus, van Wien zij gehoopt hadden, dat Hij Israel zou verlossen, was gekruisigd, gestorven, gedaald in het graf en nu — o ja, ze vertellen wel, dat Hij was opgestaan, maar ... maar ...
Wie van Gods kinderen kent die twijfelingen niet ? Van binnen kan er hoop zijn, van buiten vreeze. Zie het aan deze discipelen. Om de vreeze der Joden waren zij daar met gesloten deuren bijeen. En nu waren er wel in hun midden, die zelf den opgestanen Heiland hadden aanschouwd, maar — niet waar, er is o zoo weinig voor noodig om vreeze en twijfel te brengen in ons ongeloovig hart. Doch, merk nu eens op, met welk een heerlijken, getrouwen Zaligmaker het volk Gods te doen heeft!
Onverwacht en ongedacht kwam Jezus in hun midden en Hij zeide tot hen : Vrede zij ulieden! Dat is in het Oosten de gewone groet. Hier heeft die uitdrukking echter meer m. Wij menschen kunnen elkaar het goede toewenschen, op zijn best toebidden, maar geven kunnen wij het niet. Dat is Gods werk. Als Jezus spreekt tot zijn kind, dan gaat dat altoos gepaard met kracht. Gij gevoelt het verschil. Daar kan een ziel zijn, die waarlijk verslagen is vanwege haar zonde. Ze zoekt naar licht, maar het gaat hoe langs hoe meer de duisternis tegemoet. Nu, laat zulk een bij u komen om raad. Zeker, dan kunt gij zeggen tot zulk een ongetrooste: »De Heere zal niet verlaten wat Zijn hand begon, ten tijde des avonds zal het licht zijn, " en wat niet al. Helpt het? Geeft het vrede?
Wanneer de Heere er zelf niet aan te pas komt, immers neen. Noodig is ons, dat Jezus zelf komt met de verzekering Ziet hier ben Ik, Ik ben uw Heil!
Eerst dan wordt het licht, eerst dan komt er blijdschap, heerlijke verzekerdheid, zalige rust, de stille vrede van het kindschap Gods.
Alleen de Zon der Gerechtigheid zelf kan onze donkerheid opklaren. En dat wil Jezus ook gaarne doen. Hij schenkt Zichzelf weg aan ongetroosten. En Hij is hun vrede. En Jezus te bezitten is zich verheugen in het licht, is genieten een vrede, die alle verstand te boven gaat.
Dat wegschenken van zichzelf doet Jezus ook hier. Hij komt door de gesloten deuren met Zijn zalig : Vrede zij ulieden ! En-dan vliedt eerst het ongeloof, de vreeze, eindelijk ook het klein-geloof, als Hij de Zijnen Zijn lichaam en zijde toont, om hen te verzekeren van Zijn opstanding, van Zijn volbacht werk, van Zijn triumf óver hel en dood. Ze konden het eerst nog niet gelooven, zoo groot was het, maar ze worden overtuigd. O, hoe kan het nu anders of ze werden verblijd, als zij den Heere zagen!
Alleen de waarachtige, lichamelijke opstanding van Christus kan het hart van een armen zondaar verblijden. Immers als Christus niet is opgewekt, zoo is, zegt de apostel Paulus, uw geloof te vergeefs, zoo zijt gij nog in uw zonden, zoo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn.
Aan die opstanding van Christus hangt heel het heil van Sion af. Wanneer we alleen moesten prediken, dat Jezus gestorven was en we wisten het niet, dat Hij ook is opgestaan, het zou een armzalig Evangelie zijn, geen naam van Evangelie waard.
Doch dit is de blijde mare voor allen, die zitten in schaduwe des doods... Jezus leeft! En dat geeft vrede, dat geeft blijdschap.
Niet altijd wordt de kracht hiervan ervaren, zelfs niet door de kinderen Gods. Daar heerscht menigmaal de dood van het ongeloof, de dood van de hardigheid des harten. Dat vinden we ook hier. De evangelist Marcus deelt het ons mee, dat Jezus Zijn discipelen moest bestraffen, omdat zij niet geloofd hadden degenen, die hem gezien hadden, nadat Hij was opgestaan.
Niet altijd is het even licht. Een groot deel van den weg naar het Zion Gods wordt in het donker afgelegd. Dan zien wij Jezus niet en donkerheid overschaduwt onze ziel. De psalmist zegt: „het licht is voor den rechtvaardige gezaaid en vroolijkheid voor den oprechte van hart." Verstaan wij dat altijd ? Neen, als wij Jezus uit het oog verloren hebben, dan hebben wij daar geen vat aan. Dan is het donker inplaats van licht, dan zijn wij droevig inplaats van blij.
En bij vernieuwing hebben wij dan noodig, dat Jezus tot ons komt om het der ziele toe te fluisteren: „Gij zijt de Mijne". Wanneer Jezus zoo tot ons komt en wij ervaren de kracht Zijner opstanding, dan daalt er ook vrede neer in ons gemoed en blijdschap, heerlijke blijdschap doortintelt ons hart. Dat ervaarden de discipelen, als zij Jezus zagen.
Weg was nu alle twijfel, die de vreugde dempt, weg alle vrees, die het harte benauwt En nu slechts vrede en blijdschap.
Nog is zoo de ervaring des geloofs. Wanneer wij pas tot ontwaking komen uit zondeslaap en vreeze des oordeels onze ziele beklemt, dan kan er geen vrede en blijdschap zijn, daar de angst der hel ons allen troost doet missen. Het is dan, alsof wij den eeuwigen dood tegemoet gaan. En al hoorden wij ook van Jezus, we zien Hem dan niet als de Heiland die overgeleverd werd om onze zonde, doch opgewekt tot onze rechtvaardigmaking.
Daarom is het ons dan zoo donker. En wij gevoelen het dan — zelf kunnen wij het licht niet ontsteken. Dat ongeloof, die twijfel, dat harde hart, ach wie zal dan het goede doen zien ?
Kent gij daar iets van ? Schijnt het u onmogelijk ooit tot het leven te komen ? Zie dan op Hem, die machtig is de koperen deuren uws harten te verbreken. Evenals Jezus door de gesloten deuren bij de discipelen kwam, met zijn „Vrede zij ulieden!" — zoo is Hij nog bij machte in te komen bij ons, om onze dorre ziel te maken tot een woonstede Gods in den Geest. Wie bij zich zelf niets anders vindend dan den dood tot Jezus vlucht, die zal ervaren, dat Hij nog zeggen kan: Mijn vrede geef ik u. En daarin ligt blijdschap, waarachtige blijdschap, zoo groot, dat wij het eerst niet gelooven kunnen, maar toch het tenslotte moeten gelooven. En dan is er zalige vreugde als wij den Heere zieti in Zijn ontferming en genâ
Al wat buiten Jezus vreugde biedt, is schijn, ijdeler dan de ijdelheid zelf. Wij gelooven dat niet en daarom die rustelooze jacht naar de dingen dezer wereld. En toch, daarin niets anders dan teleurstelling op teleurstelling. De goddeloozen, zegt mijn God, hebben geen vrede, zij zijn als een voortgedrevene zee en haar wateren werpen slijk en modder op.
De wereld kent geen ware blijdschap, omdat zij het buiten Jezus zoekt. Waar zoekt ge het ? Ook buiten Hem ? Zie wel toe voor uzelf. Buiten Jezus is niet anders dan de dood. In Hem is het leven, het eeuwige leven én vrede èn blijdschap. Ons is noodig op te zien in het geloof tot Hem, dié de Opstanding is en het Leven. En Hem te zien als den om onze zonde gekruisigden, maar nu verheerlijkten Heiland, die dood was, doch nu leeft, dat geeft vreugde én vrede, ja dat legt in onze ziel de verzekerdheid, dat wij zullen leven in èn met én door Hem tot in alle eeuwigheid.
Laat het dan gaan zoo het wil, wij kunnen gerust zijn, stil verbeidend het heil des Heeren. Zoo dragen wij met vroolijkheid zelfs ons kruis, wanneer we slechts Jezus, den Verrezene, zien.
Dan hebben wij vrede en blijdschap door den Heiligen Geest en in den grootsten nood, in de bangste smarten verstaan wij het woord van den psalmist:
Wat vree heeft elk die uwe wet bemint; Zij zullen aan geen hinderpaal zich stooten. Ik Heer', die al mijn blijdschap in u vind. Hoop op uw heilmetal uw gunstgenooten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 april 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 april 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's