De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Jaarvergadering

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Jaarvergadering

24 minuten leestijd

Verslag van de 7e Jaarvergadering v/d Gereformeerde Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid In de Ned. Herv. (Geref. Kerk).

Gehouden op Donderdag 11 April 1912 in het gebouw voor K. en W. te Utrecht.

Het was wel een ietwat koele, maar toch daarom niet minder schoone voorjaarsdag waarop de vrienden van onzen Bond dit jaar, als naar gewoonte te Utrecht samenkwamen.

Tegen 11 uur was des morgens de vergaderzaal in het gebouw van K. en W. gevuld met een schare uit alle oorden van ons land, die wegens haar talrijkheid ónze verwachting verre overtrof.

Onze Voorzitter Ds. van Grieken van Delft, als naar gewoonte trouw op zijn post opent precies op tijd de vergadering met het doen zingen van Ps. 66 : 2 en 5, het voorlezen van Ps. 66 en gebed.

Hierna spreekt hij in zijn openingswoord aldus:

Geachte Vergadering:

Bij vernieuwing valt mij de eer te beurt onze Bondsvergadering aan deze plaats te mogen openen. Een eer die ik meer nog als genot wilde beschouwen.

Want waarlijk het is mij tot niet geringe vreugd met elkander weer te mogen vergaderen, wetende dat wij éen zijn in het geloof, éen in hoop, éen in liefde.

Wetende bovenal, dat de Heere gezegd heeft: waar twee of drie in Mijnen Naam vergaderd zijn, daar ben Ik in het midden van u."

Wij zijn allen éen in eerbied voor Gods getuigenis. Wij buigen saam voor Zijne hooge ordinantiën. Wij voelen met elkander mee de hoogheid van Zijn bevelen.

En daarin éen zijnde doorsnijdt zielewee ons.nu, omdat we altijd op dézen dag weer bijzonder saam gedenken de breuke onzer Kerk en de grootheid van ons aller gruwelbedrijf.

Deze dag is er weer. Onze Bondsdag.

De dag waarop immers de band der liefde tot de aloude gereformeerde waarheid ons allen zoo heerlijk omstrengelt.

Maar ... 't is omdat de val van onze Kerk zoo groot is; omdat de afwijking van 's Heeren volk, omdat de gruwel van Gods Gemeente zoo vér gaat, dat we hier zijn saam gekomen.

Was de Kerk des Heeren niet in zoo diep verval en ging zij niet bezwaard onder zoo groote ongerechtigheid, dan waren we hier op dezen dag niet vergaderd.

Althans niet als leden van onzen Geref. Bond. Niet om den nood der Kerk saam te gedenken, zooals dat hier onder ons elk jaar placht te geschieden.

Dat smart bij zulk saamkomen. Dat drukt zulk vergaderen.

Dat beschuldigt ons zóo bijeen te moeten zijn. Want de zonde der Kerk roept zoo luide, onder de menschen en voor God.

Maar o! dat we mogen samenkomen. Dat we nog lust ontvingen ter vergadering te gaan — dat, dat verheugt ons.

Ja — veel meer, dat de Heere door onzen Bond het spreken over kerkschuld deed vermeerderen en het belijden van de zonde deed toenemen, ziet dat verblijdt ons.

Want het kennen van de schuld moet aan het belijden van de zonde voorafgaan, en het belijden van de zonde is het begin van de verlossing, waar de Heere zegt: „dit eisch Ik van u, alleenlijk ken uwe overtreding, dat gij tegen Mij gezondigd hebt."

Wij gelooven aan het bestaansrecht van onzen Bond.

Wij gelooven dat er kracht van onzen Bond uitgaat..

Het eerste omdat onze zonden zoo vele zijn en onze afwijking op kerkelijk terrein zoo groot.

Het tweede, omdat God genadig en barmhartig is, om zelf de middelen te geven tot genezing en de kracht ten goede wil toevoegen.

En dat bij elkander gebracht, zou ons dat ten slotte niet verheugen?

God werkende door onzen Bond. De Heere werkende in het midden der Kerk.

Zou ons dat niet tot blijdschap strekken? U immers even goed als mij!

Stelt u een oogenblik voor dat we onzen Bond niet hadden;

Onzen Bond niet — en dan óok de Waarheidsvriend niet — en dan ook het Leerstoelfonds niet.

Geen bespreken dan met elkander van Gods getuigenis, geen behandelen van allerlei aangelegenheden in zake onze Kerk, geen correspondenties over financiën die hoop geven op een leerstoel voor geref, theologie,

Neen — gij  voelt het aanstonds en gij spreekt het met mij gaarne uit: het bestaan, van onzen Bond is noodig en nuttig en het werk van onzen Bond is uit God, die in het midden van de groote ellende der Kerk genadiglijk nog de bazuin laat hooren, de standaard nog uitplant, de heraut rondzendt, de banier doet ontplooien en een band legt tusschen hen die voor Gods Woord eerbied hebben en de gereformeerde waarheid voorstaan.

0! dat onze Bond nog tot iets goeds gebruikt mag worden.

Ook op dezen dag.

Dat de band der liefde worde aangehaald en versterkt.

Dat de kring worde uitgebreid. Dat onze beginselen mogen worden ontvouwd.

Dat het gevoel onzer zonde verdiept, onze hope verlevendigd, ons geloof versterkt, ons gebed aangevuurd mag worden.

En de herinnering aan dezen Bondsdag sta in aangename gedachtenis niet achter bij de vorige!

De Heere zij in ons midden. Hij zegene ons.

En Hij doe nog zegen door ons uitgaan. Voor Kerk en School en maatschappij.

Onder jong en oud. Om Christus' wil! Ik heb gezegd.

Nadat de Voorzitter hierop mededeeling gedaan heeft van een ingekomen schrijven van twee Bestuursleden Ds. Goslinga en den heer Smit inhoudende bericht dat de eerste wegens droeve familieomstandigheden en de laatste wegens ambtsbezigheden verhinderd is deze vergadering bij te wonen, geeft hij het woord aan Ds. M. Jongebreur van Veenendaal tot het houdan van zijn referaat over „onze Kerkbeschouwing."

Aangezien besloten werd dit referaat afzonderlijk in druk te doen verschijnen achten wij overbodig den inhoud er van in het verslag op te nemen.

Na het uitspreken van zijne gedachten wordt gelegenheid gegeven met den inleider van gedachten te wisselen.

Door een drietal aanwezigen worden vragen gesteld.

De heer Vroon van IJselmonde vraagt over de houding van Dr. Kuyper in zake de doleantie, de heer Kreusberg van Utrecht over de houding van de Confessioneelen in zake de Volkskerk, en Ds. Remme van Rijssen stelt, naast den dank dien hij voor het gesproken woord brengt, een vraag over de kenteekenen, waaraan de ware Kerk van de valsche te onderkennen is.

Nadat de spreker deze vragen beantwoord heeft sluit de Voorzitter zich aan bij den dank door Ds. Remme reeds aan den inleider gebracht, dat deze dit onderwerp op deze wijze in deze vergadering heeft behandeld en vraagt hem zijn referaat aan het Bestuur te willen afstaan ten einde het in ruimer kring te kunnen verspreiden.

Wanneer aan het verzoek is voldaan wordt de morgenvergadering ten ongeveer kwart voor éen door Ds. Boonstra met dankzegging gesloten.

De middagvergadering wordt ten half twee geopend met het zingen van Ps. 119 : 53, waarna de Voorzitter Ds. Jongebreur verzoekt te willen voorgaan in gebed.

Hierna spreekt de Voorzitter als volgt:

Gelijk de bergen en moerassen beide onvruchtbaar zijn, zoo heeft men lang gezegd - vindt men doorgaans de minste godsvrucht en zedelijkheid op den hoogsten en laagsten trap der maatschappij, evenals de aarde het minst warmte heeft aan de beide polen.

En ja, dat in de achterbuurten dikwijls meer vloeken dan bidden gehoord wordt en het ook met de geboden des Heeren, staande op de tweede tafel der wet, daar niet zoo heel nauw genomen wordt over 't algemeen, is bekend.

Gelijk wel niemand het zal tegenspreken, dat in de hoogste kringen der maatschappij veelszins de laagste plaats gegeven wordt aan vroomheid en matigheid.

Doch of men zóo maar een sprong mag doen uit het moeras naar de hoogte van de bergen, van het slop en de steeg naar het paleis en de villa, gaat voor ons gedrukt onder ernstige betwijfeling.

We zien de nette fabrieksarbeiders, de fatsoenlijke klerken, de welgestelde burgeren, de coupon-knippers, de renteniers, de specialiteit-geleerden — en alles wat tusschen slop en paleis wandelt maakt op ons den indruk, dat de dorst naar wereldsch geluk, het jagen naar aardsch genot, het zoeken van eer bij menschen, niet zelden veroorzaakt, dat met den Bijbei niet gerekend wordt, terwijl men in de kerk geen weg meer weet.

De zich-zelf-bewust geworden proletariër, de ijverig-lid-van-een-bond-zijnde klerk, de klanten zoekende winkelier, de petroleum en spoorwegen effectten nauw onderscheidende rentenier, de boeken en handschriften verslindende geleerde — ze knielen meer voor de sierlijk-gekleede godin der Rede of het in groote afmetingen uitgehouwen afgodsbeeld van het geld, dan voor den levenden God, die zich vol vrede voor tijd en eeuwigheid geopenbaard heeft voor een arm zondaarsvolk in Jezus Christus.

Ja, is er niet een blijde jubel der groote menigte, dat men hoe langs hoe meer onder de suggestie der godsdienstleeraars uit komt, dat men met vrije gedachten in vrije paden gaat wandelen, die de vrije wereld voor een zoo gaarne vrij wordende menschheid gaat ontsluiten ?

En men ziet het niet, dat, waar de menschheid in fabriek en werkplaats, op kantoor en in den winkel, op de beurs en op de markt, in de studeerkamer en op de scholen telkens nieuwe wegen uitdenkt en nieuwe banen zich maakt om beter door de wereld te komen, de goden der oude heidenen, óok de goden dezer eeuw, Pluto en Venus, Minerva en Bacchus of anders gezegd: de god van het goud en van het genot, de god van de wijsheid en van den drank, rijk en arm in de moeras van materialisme en zingenot sturen, niet zonder streeling van de lusten des vleesches en de begeerten van het booze hart, maar lichaam en ziel verdervend voor tijd en eeuwigheid.

„Geen God geen meester" staat op de banier der menigte.

„Godsdienst is privaatzaak" is de leus van velen.

In den grond hetzelfde. Beide beduidend, dat met God niet behoeft gerekend te worden en ook geen rekening behoort gehouden te worden.

De mensch heeft geen ziel meer. Slechts een maag en een portemonnaie. En daar heeft men den godsdienst niet voor noodig.

Hoe minder de mensch aan godsdienst doet hoe verder men komt en hoe gelukkiger men worden zal.

Stond nu de kerk des Heeren maar met een levende prediking van het Woord Gods als een pilaar en vastigheid der waarheid in het midden van de natie, om in de kerkgebouwen de ontvouwing te geven van Gods getuigenis, in de catechisatiekamer de iuzettingen des Heeren bekend te maken, in de straten en in de stegen de bazuin der waarheid te doen hooren en de goddelijke banier uit te planten op elk terrein des levens — ziet, dan was er hope dat tegenover het woord der afgoden het Woord onzes Gods zou winnen in bekoring en zou toenemen in zegenrijken invloed onder alle standen en rangen der maatschappij.

Maar zij die als getuige der goddelijke waarheid geroepen is tot spreken, zij stamelt slechts nu en dan een enkel woord.

Zij die van God de ordinantie kreeg om 's Heeren ordinantiën uit te zetten overal, zij weet zelf van 's Heeren ordinantiën zoo weinig en weet uit de schatkamer van Gods Woord geen oude en nieuwe schatten voort te brengen.

Zij die éen behoort te zijn, om éen leven te leven, éen taal te spreken, éen getuigenis te geven, gehoorzamende aan éen God en vergaderende tot éen volk — zij is zoo verdeeld, zij is zoo zwak, zij stoot zulke vreemde klanken uit, zij twijfelt zelf wien zij dienen zal, zij aarzelt te kiezen voor het deel dat Gods volk van alle eeuwen heil bracht en zegenend afvloeide naar allen kant.

Is het wonder, dat hare zonde groot is voor God?

Kan het anders, dan dat haar invloed klein blijkt te zijn onder de menschen?

Onze tijd is realistisch en praktisch. Het romantisch gevoelsleven is uit.

De looden scepter van het pessimisne is gebroken.

Ieder is druk bezig in het midden van het practisch leven en alles is in stage beweging.

Het socialisme wil vooruit. De politiek zoekt naar nieuwe vormen. De wetenschap der natuur legt beslag op de geesten. Industrie en welvaart deden reuzenschreden..

In overeenstemming nu met deze diep ingrijpende, practische, merkwaardige voortgang en beweging der dingen verlangt men nu een Kerk die leeft en mee leeft. Een Kerk die gids en leidsvrouwe kan zijn. Een Kerk die getuigt en leert, die helpend en vertroostend hare handen kan en wil uitbreiden wijd rondomme.

En haar mond is gesloten zoo dikwijls; haar klanken zoo onzeker en met zich zelf in strijd vaak; haar handen zoo slap en zoo krachteloos.

Och — terwijl de Kerk een zoo hooge, heerlijke, breede roeping heeft om negatief en positief, om afbrekend en opbouwend, tegensprekend en getuigend op te treden in het midden der natie — wordt de Kerk des Heeren te dezen lande verteerd door de leugengeesten, die in haar midden worden geduld en vertroeteld; zij wordt verscheurd door partijgeest en zucht naar haarkloverijen; zij wordt te schande gemaakt, omdat zij in alles blijkt onwillig te zijn in het begrijpen der zielenooden en des levens eischen.

Binnen de grenzen van hart en huis woelen de geesten. Binnen de grenzen van land en volk vermeerderen de nooden en stapelen de vraagstukken zich op.

Het rusteloos internationaal verkeer en de toenemende concurrentie op de wereldmarkt, heel de wereld-en levensbeweging, scheppen nieuwe problemen en stellen zware eischen. De uitbreiding der steden en de toename der bevolking vorderen alle krachten en alle handen tot hulp en raad en steun en leiding — 't Legt alles bizonderlijk aan de Kerk des Heeren de grootste moeilijkheden voor.

En ... 't sectarisme bloeit, de afscheidingen vermeerderen, de partijschappen telen voort, de meeningen kruisen, de geesten spreken elkaar tegen, — er is geen leering die wekt en geen voorbeeld dat trekt.

Ja, sociale droomerijen en dwaze denkbeelden van volksmisleiders genoeg, waarbij de ongebonden pers alles, zelfs het onzinnigste, op de boekenmarkt brengt.

Maar de Kerk des Heeren is niet de leidsvrouwe; zij draagt niet de lampe vol lichtschijnsel voor elk pad; zij staat er als de pilaar en vastigheid der waarheid, die wijsheid en kracht geeft voor elk terrein des levens.

De ziel roept en krijgt geen voedsel. Het hart schreit en krijgt geen antwoord. Honger pijnigt en steenen worden voorgezet in plaats van brood.

Wijsheid ontbreekt en dwaasheid wordt opgedischt.

Leiding wordt gevraagd en die zelf wankelt kan niet geven wat steun biedt.

Zelf niet wortelend in het geloof, zelf niet gefundeerd op den eeuwigen rotssteen, zelf niet bezittend de woorden des levens, zelf niet haar fakkel ontstekend aan de zonne des heils, zelf niet tredend met vaste schreden in 's Heeren weg, zelf niet met vuur in de beenderen en met liefde in het hart gevonden — kan zij  anderen niet geven wat noodig is en kan zij geen heilzamen vrede en troostende kracht verspreiden in de wereld rondom!

Te kwader ure is zij zelf afgedoold van den levenden God, heeft zij zich zelf los gescheurd van den Springader des levens, heeft zij zelf afgesneden de gemeenschap met haar Hoofd en Heer.

En daarom moet daar de breuke opengelegd, de wonde gepeild, de zonde gebrandmerkt, de schuld genoemd, de overtreding niet bedekt worden — en daar, daar, in het midden van de Kerk des Heeren te dezen lande moet geroepen worden: Keer weer, o dochter Sions, die viel; bedek uw zonde niet langer maar vraag weer naar den levenden God; verlaat uw eigen wegen en betreed weer het pad van Gods getuigenis, dat Hij u gaf, zeggende: dat is de weg, wandel in denzelve!

Daar ligt de breuke van de Kerk des Heeren te dezen lande. De Kerk onzer vaderen, van God geroepen een verkondigster van goede boodschap te wezen, zij heeft zélf God verlaten. Zij heeft Gods Woord verworpen. Zij wandelt in eigen wegen.

En die zonde wreekt zich, gelijk te zien is in het midden van de Gemeente en in het midden der wereld.

Om haar terug te roepen tot het Woord, bedoelt onze Geref. Bond tot verbreiding en verdediging der waarheid.

En in het jaar dat achter ons ligt is de ernst dezer zaak bij vernieuwing over ons gekomen.

Wij hebben het saam gevoeld. Wij hebben er saam over gesproken, week aan week.

We hebben elkander opgewekt tot gebed en arbeid.

We hebben elkander aangespoord tot waakzaamheid en ijver.

En bij vernieuwing hebben we gevoeld, dat onze Bond helaas  recht van bestaan heeft. Dat voor veel moest worden gewaarschuwd; dat bij veel de weg moest worden gewezen, dat in veel hulp noodig was — en dat met luide stem keer op keer de wonde van ons kerkelijk leven moest worden bloot gelegd, en over de doodelijke krankheid met ernst moest worden geraadpleegd.

Maar wij mochten ervaren dat de Heere regeert. Dat de Heere nog bemoeienis houdt met de Kerk onzer vaderen. Dat Hij haar belijdenis haar nog wilde laten. Dat Hij het licht nog niet overal van den kandelaar wilde wegrukken. Dat Hij Zijn Sion nog bij haar deed wonen. Dat Hij nog dienstknechten in haar midden uitstootte. Dat Hij de prediking der waarheid nog wilde zegenen. Dat Hij de vrienden der waarheid nog wilde bijeenvergaderen. Dat Hij onder jong en oud nog wilde werken uit gena, om te dwingen, om in te gaan in de oude, beproefde paden.

O, dat we mochten opmerken.

En dat de Kerk mocht op waken, om weer te gaan vragen naar 's Heeren getuigenissen, dan zou hare lampe lichten tot heil voor allen, die binnen hare muren worden gevonden en tot zegen ook voor héél het leven, dat dag aan dag voortrolt in het midden der natie.

Diene de arbeid van onzen Bond om mede de Kerk des Heeren weder te brengen onder de tucht van het Woord en onder het juk van den Heere Jezus Christus.

Men zal ervaren dat Gods Woord een lamp voor den voet en een licht voor het pad is.

Men zal belijden: uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten, want elk die Uwe wet bemint stoot zich aan geen hinderpaal.

Ik heb gezegd.

De Secretaris krijgt nu gelegenheid tot het voorlezen der notulen van de vorige jaarvergadering.

Inmiddels heeft de Bestuursverkiezing plaats wegens het periodiek aftreden van de H.H. Ds. Goslinga, Ds. Jongebreur en Ds. Remme.

Nadat de notulen ongewijzigd zijn goedgekeurd brengt de Secretaris zijn jaarverslag uit, hetwelk luidt als volgt:

JAARVERSLAG

van den Gereformeerden Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Ned. Herr. (Gereformeerde) Kerk, uitgebr. op de vergadering van 11 April 1912.

Wanneer ik een enkel oogenblik uwe aandacht vraag voor wat onze Bond in het afgeloopen jaar heeft doorleefd, dan wil ik u in de eerste plaats verzoeken uwe verwachting niet te hoog te spannen. Schokkende gebeurtenissen toch, waardoor ons kerkelijk leven in beroering werd gebracht, kenmerkten ons vereenigmgsleven ook in het jaar dat achter ons ligt, niet. Zelfs de door sommigen zoo gevreesde, door anderen zoo begeerde Exodus uit de Hervormde Kerk, die sommige broodetende profeten al zoovele jaren hebben voorspeld, liet ook dit jaar weer bij vernieuwing tevergeefs op zich wachten. Zou dit voor sommigen ook een prikkel kunnen zijn om de beschouwingen die zij over onzen Bond niet alleen persoonlijk zijn toegedaan, maar ook aan anderen ten beste gaven, eens aan revisie te onderwerpen?

Ook in het jaar dat heenging is de Gereformeerde Bond, zonder ook maar aan de voor ons volk zoo bedenkelijke afscheiding te denken, en zonder ook maar een enkel boos plan tegen de „Kerk der Vaderen" te koesteren, voortgegaan op den weg welken hij meent dat tot herstel van onze diep gezonken Kerk bewandeld moet worden. Onze Bond heeft ook in het afgeloopen jaar, waar hem dit het meest noodig scheen, de Waarheid verbreid; hij heeft in den weg der middelen de oogen trachten te openen voor het diepe verval onzer Kerk en heeft als middel om uit dit diensthuis verlost te worden aangewezen den terugkeer tot de ordinantiën Gods.

Hij heeft dit gedaan door woord en geschrift. Wat het laatste betreft is iedere week „De Waarheidsvriend" uitgegaan en heeft ons vaderland van Noord tot Zuid, van Oost tot West doorkruist om in honderde gezinnen de tolk te wezen van het schoone doel dat onze Bond zich heeft voorgesteld.

Maar niet alleen schriftelijk, ook mondeling is dit inzonderheid in den afgeloopen winter geschied. Aan een denkbeeld, dat op de vorige jaarvergadering alhier geopperd werd, is door het Bestuur uitvoering gegeven. Immers in het vorig najaar is tot verschillende Kerkeraden een schrijven gericht met verzoek in den winter, die aanstaande was, in hunne gemeenten een spreekbeurt te doen houden in het belang van den Geref. Bond of van het door den Bond gestichte Leerstoelfonds, benevens een verzoek tot sommige predikanten, van wie verwacht mag worden dat zij met het doel van den Bond sympathiseeren, of zij zich een of meer avonden voor een dergelijke beurt beschikbaar wilden stellen.

Van onderscheidene Kerkeraden en predikanten is op dit schrijven, niettegenstaande een gefrankeerde briefkaart was ingesloten, geen antwoord ontvangen.

Of zij gedacht hebben dat men tegenover het Bestuur van een Gereformeerden Bond geen beleefdheid behoeft in acht te nemen of dat er andere redenen voor waren, weet ik niet, maar ongeveer de helft heeft ons geen antwoord waardig gekeurd.

Van de antwoorden die inkwamen zou het de moeite wel loonen eens een bloemlezing saam te stellen. Door sommigen werd zonder opgaaf van redenen voor het aanbod bedankt. Anderen meenden dat de toestand in hun gemeenten er niet rijp voor was. Van de predikanten hadden sommigen het zoo overstelpend druk dat er geen enkele avond meer beschikbaar was. Anderen waren niet genoeg op de hoogte. Een was er die erkende dat bij niet genoeg op de hoogte was van oorsprong en doel van den Bond, maar had toch z. i. te veel Schriftuurlijke (!) bezwaren om zich bij den Bond aan te sluiten. Daarom had hij zijn Kerkeraad geraden om geen spreekbeurt te laten houden en deze had gemeend den raad van zijnen „niet op de hoogte" zijnden voorzitter te moeten aanvaarden, en wilde dus ook blijkbaar liever „in de laagte" blijven.

Naast deze ontkennende kwamen ook bevestigende antwoorden in. Enkele predikanten stelden zich welwillend beschikbaar een of meer beurten te vervullen, zoodat behalve door de predikanten-bestuursleden in het belang van den Bond gesproken is door de broeders Benes, Zijlstra, van Vliet, Beekenkamp, van de Poll, den Oudsten, Hupkes en Prins.

Voor zoover mij bekend zijn een of meer beurten vervuld in de volgende gemeenten: Bodegraven, Leerbroek, Ouderkerk a/d IJsel, Wilnis, Leerdam, lerseke, IJselstein, Genernuiden, Veenendaal, Groot-Ammers, Zegveld (afdeeling), Rijssen, Krimpen a/d Lek, Hoogeveen, Rotterdam (afdeeling), Hoog-Blokland, Benschop (afdeeling), Utrecht (afdeeling), Rouveen. Waarder, Oud-Beierland, Barneveld, Bergschenhoek, Oud-Vossemeer, Poort vliet, Otterlo, Kampen, Linschoten, Jaarsveld en Schoonhoven (afdeeling).

Uit deze opgave blijkt dat ook enkele afdeelingen, nl. Zegveld, Rotterdam, Benschop, Utrecht en Schoonhoven eens of meermalen een spreker voor zich zagen optreden. De afdeeling „Feyenoord" gaat steeds voort met evangeliseeren, terwijl op de laatste Bestuursvergadering besloten werd het recht tot evangeliseeren ook te verleenen aan de afdeeling „Rijswijk."

En hiermede meen ik u de voornaamste mededeelingen betreffende het afgeloopen jaar gedaan te hebben.

Over ons blad en ons Leerstoelfonds, zal onze Penningmeester u wel het noodige zeggen.

Ik mag echter niet eindigen voor een woord van dank gebracht te hebben voor de medewerking en steun die wij in het afgeloopen jaar van verschillende zijden ondervonden hebben en ik mag daar zeker den wensch aan toevoegen dat het bij voortduring blijken moge dat de belangstelling in den arbeid tot herstel van onze diep gezonken Kerk niet minder maar wel meerder moge worden.

Op even onderhoudende wijze als wij dat van hem gewoon zijn, doet hierna de Penningmeester verslag van zijn gehouden beheer.

In een stuk, waarin de gezonde humor niet ontbrak, wist onze Penningmeester het financieel verslag, dat uit den aard der zaak in den regel dor is, bepaald boeiend te maken, en niettegenstaande de Professorale oppositie die tegen een onderdeel van zijn beschouwingen een wijle werd gevoerd, heeft zeker menigeen den indruk meegenomen dat onze „Waarheidsvriend", al is hij dan niet zoo „winstgevend" als een zijner zusteren eens was en misschien nog wel is, toch geen haver geeft aan paarden die ze niet verdiend hebben.

Blijkens de mededeelingen, die onze Penningmeester aan de vergadering deed, is de toestand van onze Bondskas bevredigend, die van het Leerstoelfonds, dank zij de nijvere zorg van den man die „aan het laadje zit", bepaald bloeiend te noemen; en wel is waar schijnt het alsof ons blad bij het niet gering aantal abonnés meerdere baten kon afleveren, maar met de stukken in de hand werd bewezen dat volgens ons contract, hetwelk naar deskundig advies bleek ingericht, onze verwachtingen wel eens te hoog gespannen kunnen zijn.

Van harte sloot de vergadering zich zeker bij onzen Voorzitter aan toen hij een woord van warmen dank richtte tot onzen wakkeren minister van finantiën en den wensch uitsprak dat deze portefeuille nog lang aan zijne handen zou toevertrouwd zijn. Niet minder verdiend was ook den dank aan Mej. Verbeek, die zoo duidelijk heeft getoond dat het spreekwoord van de „Vele kleintjes", recht toegepast, ook ons Leerstoelfonds een aardig voordeeltje kan opleveren.

Nadat een Commissie is benoemd tot nazien van de rekening en verantwoording van den Penningmeester bestaande uit de h.h. Ds. van der Snoek van Vlaardingen, Ds. Benes van Delft en de Vrieze van Rotterdam, wordt de uitslag van de Bestuursverkiezing bekend gemaakt, waaruit blijkt dat de aftredende leden allen met groote meerderheid herkozen zijn. De beide ter vergadering aanwezigen. Ds. Jongebreur en Ds. Remme, nemen hunne herbenoeming weder aan, en we twijfelen niet of ook Ds. Goslinga zal zich zijn keuze opnieuw laten welgevallen.

Thans is aan de orde een voorstel van de afdeeling „Utrecht" inzake de proponentsformule. Dit voorstel wordt door den heer Kreusberg namens zijn afdeeling toegelicht. Volgens zijn toelichting is het de bedoeling pogingen aan te wenden dat de proponentsformule in dien geest gewijzigd zal worden dat daardoor allen die niet buigen voor het kruis van Christus daardoor uit onze Kerk zullen worden buitengesloten. De afdeeling „Utrecht" ontveinst zich niet dat daaraan vele bezwaren verbonden zullen zijn. Maar meent dat wij ons daardoor niet mogen laten weerhouden om toch te beproeven wat er in dezen te doen is, aangezien juist de proponentsformule van zoo overwegend belang is.

Jammer dat de afgevaardigde van „Utrecht" aan zijn toelichting een vraag verbond die aanleiding gaf dat in de gevolgde discussie de zaak die eigenlijk aan de orde was, zoo goed als buiten bespreking bleef. De kwestie toch van de proponentsformule is inderdaad gewichtig genoeg om ingedacht en besproken te worden. We willen hopen dat dit vraagstuk dat thans aan de orde is gesteld op een volgende vergadering dusdanig zal voorbereid zijn dat het, althans onzerzijds, tot oplossing zal kunnen komen. Thans bleef het tot een discussie die de eigenlijke formule niet raakte, beperkt. Na deze besprekingen voeren nog onderscheidene leden en afgevaardigden het woord. De afgevaardigde van „Schoonhoven" vraagt of een nieuwe uitgave onzer belijdenisschriften niet mogelijk is.

De afgevaardigde van „Feyenoord" spreekt de wenschelijkheid van het oprichten van meer afdeelingen uit.

De heer de Raadt van IJselmonde vraagt in verband met het Leerstoelfonds over de Professorale benoemingen onlangs te Leiden geschied en over die welke eerlang te Utrecht zal moeten plaats hebben.

De afgevaardigde van „Zegveld" klaagt over het gebrek aan een genoegzaam aantal sprekers die zich voor de afdeelingen beschikbaar stellen.

De afgevaardigde van „Benschop" vraagt inlichtingen over het onlangs gepubliceerde Bestuursbesluit dat de afdeelingen van de sprekers die zij wenschen opgaaf moeten doen aan den Secretaris van het Hoofdbestuur.

De Penningmeester spreekt de wenschelijkheid uit dat het abonnement van „de Waarheidsvriend" b.v. met 40 cent per jaar zal worden verhoogd.

De verschillende sprekers worden, zooveel doenlijk door den Voorzitter beantwoord. In zake de verhooging van het abonnement van „de Waarheidsvriend" spreekt ook Ds. Remme zich uit. Hij meent dat de fiaanciëele overwegingen geen hoofdzaak mogen zijn en geeft dus den raad in dezen geen overijld besluit te nemen.

Wat de vraag van den afgevaardigde van „Benschop" betreft meent Ds. Remme dat als de afdeelingen een spreker laten komen, deze dan ook uitsluitend de bondsbelangen bepleiten en dus niet „preeken" moet. In aansluiting hiermee meent ook de Voorzitter te moeten opmerken dat er wel onderscheid moet gemaakt worden tusschen het vervullen van een gewone beurt voor den Bond en het optreden in evangelisatie, voor welke laatste werkzaamheid iedere afdeeling de goedkeuring van het Hoofdbestuur van den Bond noodig heeft.

Aangezien het echter intusschen reeds 5 uur in den middag is geworden en velen de vergadering reeds verlaten hebben, blijkt het meer dan tijd voor sluiting te zijn.

De Voorzitter brengt nog zijn dank aan de leden van de afdeeling „Utrecht" voor de wijze, waarop zij, evenals vorige jaren, ook nu weer deze vergadering hebben voorbereid. Gezongen wordt nog Ps. 89:7, en hierna wordt op verzoek van den Voorzitter de goedgeslaagde zevende jaarvergadering van onzen Bond gesloten door Ds. Remme met dank aan Hem, die ook door deze vergadering weer toonde dat Hij met onze diepgezonken Kerk nog bemoeienis heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 april 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Jaarvergadering

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 april 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's