Ned. Herv. Jongelingsbond
Rooster van Werkzaamheden.
A. Bijbelbespreking Hand. 1 : 17—einde.
Vers 17. a. Petrus zegt, dat Judas éen van de twaalven was, om te bewijzen, dat de ledige plaats vervuld moest worden, opdat het getal ongeschonden zou blijven. Zie hierbij .. .
b. Tweede deel van dit vers heeft volgens Calvijn dezelfde beteekenis: »Want daaruit volgt, dat het lichaam eenigszins onvolmaakt zou zijn, indien dit deel ontbrak.«
c. Merk op 't lot der bediening. Waarschijnlijk zegt een uitlegger heeft de Heere zijne apostelen bij loting aangewezen, teneinde niet te laten zien of er bij hem voorkeur was.
d. 't Loten bij de Joden een onzondige gewoonte Zie hierover 1 Sam. 10: 19, :20, 21. Zie verder hierover aanteekening bij vers 26 van dit hoofdstuk.
e. Hij was gerekend met ons. Hoevelen worden bij de vromen gerekend, die in den dag der dagen niet bij hen gevonden zullen worden?
Wat zal het baten bij het getal der Christenen toegevoegd te worden, als wij niet deelen in den aard en den geest der Christenen?
Vers 18. a. Deze dan... tot der ongerechtigheid. Voorzegd in O. T. Zie hierover .Zach. 11 : 12, 13.
b. Zie voorts hierbij 2 Kon. 5 : 26. c. Zie verder Matth. 27: 5, 2 Kron. 25 : 12, Ps. 34 : 2, Joh. 6 : 70, 17:12, Mark. 9 : 26, Luk. 9 : 42.
Vers 19. a. En het is ... tot te Jeruzalem zijn. De inwoners van Jeruzalem en die van alle kanten opgekomen waren voor 't Paaschfeest hebben zoo van het koopen der akkers en Judas' sterflot kennis gehad dat zij die akker in eigen taal Akeldama noemden.
b. dat is akker des bloeds. Ziende op welke wijze deze akker verkregen was.
c. Meermalen zetten de Heilige schrijvers eigene namen of andere woorden'over; vergelijk bijvoorbeeld ; Matth. 1 : 23, 27 : 33, 46, Mark, 5 : 41, 7 : 34, Joh. 1:42, 4:25, 9 : 7, Openb. 9:11.
Vers 20. a. Want daar staat geschreven in het boek der Psalmen.. Een woord naar zijn grooten Meester. Ook een bekende wijze van spreken onder de Joden.
b. Merk op 't samentrekken van 2 Psalmen tot een. 't Eerste deel ziet op Ps. 69:26. Tweede deel op Ps. 109:8
c. Wie zulke samentrekking meer wil lezen vergelijke Matth. 21:5 met Jes. 62:11 en Zach. 9:9, Matth. 27:9, 10 met Jer. 19:10, Zach. 11 : 12, Mark. 1:2, 3 met Mal. 3 : 1 en Jes. 40 ; 3, Rom. 9:33 met Jes. 8:14 . en 28 : 16, enz.
d. Al wat in de Schrift van den eenen goddelooze gezegd wordt, is toepasselijk op den ander. Petrus haalt hier dan ook met groote juistheid die Oud-testamentische uitspraken Gods over de goddeloozen aan, die niet alleen met de zaak van Judas verwant, maar eenzelvig waren. Wat Petrus dus uit de Schrift aanhaalde, was waar van iederen vijand des Heeren, maar in den hoogsten zin waar van diens ergsten vijand: zijn verrader. De overzetting der Psalmverzen is uit het Hebreeuwsch, en die bij Lukas uit het Grieksch; van daar het verschil in woorden, die echter den zin niet veranderen (Da Costa).
e. Calvijn zegt: Wij weten het immers uit de verhouding van Paulus (Col. 1 : 24 dat al het kwaad dat de geloovigen lijden, een deel is van de smaadheid van Christus en behoort tot de vervulling van deze. Dit verband en deze samenhang zijn zeker door David of liever door den H. Geest, die door den mond van David de geheele kerk heeft willen onderwijzen, in het oog gehouden. Wat dus in het algemeen van de vervolgers van Christus wordt gezegd, wordt terecht op hun leidsman toegepast. Indien iemand mocht beweren, dat in dezen Psalm vervloekingen vermeld worden en geen profetieën en dat Petrus daarom ten onrechte beweert dat deze dingen geschieden moeten, dan is de oplossing hierin, dat David niet gedreven was door een verkeerden en zondigen hartstocht des vleesches, om wrake te begeeren, doch hij heeft den Heil. Geest tot leidsman gehad. Wat hij dus door de aandrijving des H. G. gebeden heeft, heeft de kracht van eene voorspelling, aangezien de Heil. Geest niets anders bidt, dan wat God besloten heeft te volbrengen en wat Hij ook ons beloven wil.
Vers 21. a. Het is dan noodig: ergelijk hiertoe Matth. 19:28, Luk. 22:30 met Openb. 7:4—8; 20:12—20; 22 : 2.
b. van de mannen; merk op vrouwen blijven er buiten. Zie 1 Cor. 14:34, 35.
c. die met ons... tot uitgegeven is. Geen vreemdeling maar een die op de hoogte was van alles.
d. Zie over verkiezing de volgende teksten en vergelijk die eens: um. 27:16, 17, Deut. 28:6; 31:2, 1 Kon. 3 : 7, 2 Kron. 1 : 10, Jer. 37 : 4, Ps. 121:8, Joh. 10:9.
e. Al den tijd. Vanaf zijn 30e jaar. Voor dien tijd bleef de Heere voor ons verborgen als een gewoon mensch omdat Hij ons niet meer bekend wilde zijn, dan tot onze zaligheid noodig is. Een ieder behoort op te merken hoe dit dient om onze nieuwsgierigheid te beteugelen. Het geheele leven van Christus had zeker een bewonderenswaardig voorbeeld van volmaakte gehoorzaamheid kunnen zijn, toch heeft Hij gewild dit het grootste gedeelte er van verborgen was, opdat Hij ons in het onderzoek en de beschouwing er van beperken zou, tot die dingen welke het meest noodig zijn geweten te worden.
Ingaan en uitgaan. Hieronder verstaan de Hebreen het verkeeren onder de menschen en het hebben van levensgemeenschap met hen. In dezen zin zegt men dat de inwoners eener stad ingaan en uitgaan door hunne poorten. Alzoo bij Joh. 10 : 9, soms teeken van gezag 2 Kron. 1 : 10.
Vers 22. a. Petrus moet een getuige hebben van 's Heeren dooping door Johannes, tot den dag toe in welken Hij, alles volbracht hebbende, wat Hij moest en opgestaan zijnde uit de dooden en zijne opneming in den hemel.
b. Mogelijk heeft Petrus eon van de zeventigen op het oog.
c. Vooral sprake van de opstanding. Zie hiervoor Rom. 4:25, 1 Cor. 15 : 17, 2 Cor. 25 : 17.
Vers 33. a. Zij stelden er twee. Niét de elven maar de honderd en twintig tot wien Petrus zijn rede gericht had. Die twee waren waardige en geschikte mannen en volgens allen zeker de beste die daar tegenwoordig waren of konden gedacht worden. Verkiezing onder leiding en toezicht van de Apostelen.
b. Zie over verkiezing ook Hand. 6 : 2, 36, 14 : 23, 15 : 22, 23, 1 Cor. 16:3, 2 Cor. 8 : 19, Gal. 1 :1.
c. Da Costa zegt: Men had niet lang te zoeken; er was ook voor deze zaak overvloed; twee voor een. Er was slechts éen man noodig en zij stelden er twee. De gemeente hield het oog op den Heere gericht, en stelde de laatste keuze aan den Heere. Mochten wij ook altijd zoo maar denken, dat wij wel twee mannen kunnen stellen tot éen zaak, maar dat de rechte eenling alleen door den Heere te kiezen is.
d. Jozef, genaamd Barabas d.i. zoon der vertroosting toegenaamd Justus d.i. rechtvaardige. Sommigen beweren dat deze dezelfde is als Jakobus' broeder. Zie Matth. 27 : 16, Mark. 6:3 dus een broeder des Heeren, anderen zeggen dat hij dezelfde is als die in Hand. 4:36 genoemd wordt, doch daar is de toenaam Barnabas d.i. zoon des eeds. 't Schijnt haast of de Apostelen door vermelding der toenamen een zekere voorliefde voor Jozef hadden.
Matthias' naam vindt men niet meer vermeld. Een enkele wil beweren dat 't dezelfde is als Zacheüs, Luk. 19:2. Bewijs voor een en ander ontbreekt echter.
Vers 24. a. En zij baden en zeiden. Woordelijk zegt Calvijn staat er »en nadat zij gebeden hadden, zeiden zij. Doch in de bedoeling is niets duisters, want Lukas heeft alleen willen zeggen, dat zij op de navolgende wijze gebeden hebben. Toch noemt hij niet al de woorden van hun gebed op maar stelt zich tevreden met dit kort weer te geven.«
b. Zie verder hierbij Ps. 17:3, 139:1—4, Jer, 12 : 3. Hebr. 4 : 13.
Vers 25. a. Het lot der bediening en des Apostelschaps.
Omdat het woord bediening gering was, voegt hij er bij Apostelschap, waarin meer waardigheid opgesloten lag. De zin wordt duidelijker zoo we lezen: bediening des Apostelschaps. Ongetwijfeld heeft Lukas met den last ook de waardigheid der bediening willen verbinden tot meerder eerbied en gezag.
b. Judas' plaats. Zie Matth. 26:24. Vergelijk' Gen. 18:34, Exod. 16; 19, Num. 24:25, Richt. 7:7, 8, 19:28, 69, Pred. 3:20, 6:6.
Vers 26. a. En zij wierpen loten. Zij verwachten geen onmiddelijk antwoord uit den hemel, maar namen het Oud-testamentisch gebruik van het heilig (door voorafgaand gebed geheiligd) lot te baat, om den wil des Heeren te verstaan.' Het loten werpen was eene Goddelijke instelling. Lev. 16:8. Daarom zeide Saul ook zie 1 Sam. 14:42. Ook het te veroveren Kanaan reeds in de woestijn onder de 12 stammen verdeeld door het lot. Wij kunnen en moeten zeggen: Het lot vertegenwoordigt God. Of is er toeval? Is er eene macht buiten God, die beslist? Neen. Zoo diende dan het lot heilig gehouden te worden. Doch ook deze heilige zaak wordt door de kinderen der wereld schromelijk misbruikt in de groote Staatsloterij en de vele andere kleinere loterijen. Met deze wordt het toeval, het geluk, de fortuin als beslissende gedacht, en men erkent hiermede stilzwijgend, dat men in deze niet te doen heeft met God, die toch anders de beschikker is van het lot, en in wiens Woord gezegd wordt, zie Spr. 16:33. Zal dus eene lotwerping onschuldig, geoorloofd zijn, dan moet het om een heilige zaak gaan en het gebed tot God, het beroep op Gods beslissing kunnen voorafgaan. Vergeten wij niet, dat God in dezelfde zaak vóór en tegen ons kan zijn al.naarmate wij die zaak gebruiken.
b. Het lot viel op Matthias. De keus des Heeren valt gewoonlijk uit tegen des menschen meening of de waarschijnlijkheid. God hecht geen waarde aan een bijnaam door menschen gegeven, al is die ook »de rechtvaardige.»: De eenvoudige Matthias wordt boven den weidschgetitelden Jozef door den Heere gekozen. Niet ónze voorkeur geldt bij God; Hij heeft zijn eigen voorkeur, en deze is altijd verrassend. (Da Costa).
c. En hij werd... tot gekozen. In deze eerste vergadering wordt een voorbeeld voor volgende gegeven. Men berust in deze keuze — God wil het zoo. Zoo dan de Heere de beslissing gegeven had, laat ieder zijn eigen keuze varen, voelden alle harten zich overgebogen tot den gekozene en zeiden bij zich zelven: Ja, deze moeten we hebben, dat is de rechte man! Mij dunkt een treffend zegel op de beslissing des Heeren. Thans is de breuke in het Apostolaat geheeld, de Apostelschaar voltallig, zij staat gereed om 's Heeren werk te volbrengen, evenals een leger, dat gereed staat om den veldtocht te openen. Toch is 't nog stille en wordt er niets gedaan. Men staat in slagorde, maar wacht op den veldheer en zijne bevelen. Ja zoo was het ook bij de Apostelen en discipelen; doch daar komt de Heilige Geest en alles stelt zich in beweging en het bevel wordt gehoord : "valt aan en overwint!* En men valt aan en men overwint. We zullen het in de volgende hoofdstukken zien.
B. Vaderlandsche Geschiedenis.
De graven.
a. als rechters.
b. hun macht.
Verslagen.
c. hunne belastingen.
WADDINGSVEEN. 21 Maart mocht onze Vereeniging haar 15-jarig bestaan feestelijk gedenken. Voor een talrijke schare sprak in de Ned. Herv. Kerk onze roegere predikant. Ds. D. E. J. Hupkes van Staphorst, naar aanleiding van Joh. 6:66—69.
P.S. Het Bestuur is thans saamgesteld: W. J. Vermey, Voorz, P. Niemandsverdriet, Secr., R.Phielix, Penn. enz.
Zie hiervoor les 7, 8, 9 uit ons handboek.
In de catechisatiekamer hadden we daarna, met vele gasten, een feestelijk samenzijn. Opstellen, gedichten enz. werden daarbij voorgelezen.
LEERDAM. Donderdag 18 April mochten we ons 1ste jaarfeest vieren. Onze Voorzitter, B. H. Kwant, opende de vergadering en zette nog eens duidelijk uiteen hoe wij een gereformeerde Jongelingsvereeniging willen zijn, in het midden der Ned. Herv. Kerk levende. Met liefde tot de geref. waarheid vervuld, willen we elkander ook opwekken tot liefde voor de Herv. Kerk.
C. Vraagbespreking.
De toestand van onze Vereeniging mag gelukkig reden tot dankbaarheid geven, 't Getal leden steeg van 21 tot 34.
Ds. van Vliet, onze Eere-Voorzitter, sprak een pakkend en gloedvol woord naar aanleiding van Spr. 20:29: ."Der jongelingen sieraad is hun kracht.«
Enkele vereenigingen uit naburige plaatsen als Ouderkerk a/d IJsel, Beskoop, Hazerswoude en de Geref. Jong. Ver. »Asaf« alhier, zonden afgevaardigden.
De Secr. en Penningm. brachten vervolgens hun verslagen uit, waarbij o. a. vermeld werd, dat een schrijven was ingekomen v. Ds. J. Goslinga van Utrecht.
Namens het Bestuur,
P.S. Dit verslag werd ons eerst heden toegezonden; dus een maand na het festijn. Heel vlug is dat nu juist niet. REDACTIE.
DORDRECHT. Dinsdag 9 April mocht onze Jongel. Vereen. "Paulus» haar 2de jaarfeest vieren in de bovenzaal van Patrimonium. De Voorz. leidde de vergadering in met een hartelijk welkomstwoord. Na de verslagen van Secretaris en Penningmeester, welke nogal bemoedigend waren, werd de avond verder aangenaam doorgebracht, terwijl er vele goede woorden gesproken werden en ook nog een samenspraak gehouden »Der jongelingen sieraad is hun kracht* Niet gaarne zouden we de goede zorgen der dames vergeten, die ons versnaperingen presenteerden. De Secr. eindigde met dankzegging.
H. J. SEKERIS JZ., Secr. dankzegging.
HET BESTUUR.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's