Uit het kerkelijk leven.
De proponents-formule.
Onze Hervormde Kerk maakt men tot minder dan een Vereeniging.
In een Vereeniging heeft men een reglement, bepalingen, afspraken enz. — en ieder lid van die Vereeniging is als eerlijk man gehouden om dat Reglement, die bepalingen en die afspraken te eerbiedigen.
Daar is geen verschil over. Die, met het statuut niet instemmende, alseen indringer in die Vereeniging komt met heimelijke plannen om die Vereeniging om te zetten en die Vereeniging te maken tot een Vereeniging met een gansch ander reglement, en gansch andere bepalingen en gansch andere afspraken, is een valschaard, een dief en roover.
Minder niets. En nu is men bezig om de Ned. Herv. Kerk om te zetten in een godsdienstig genootschap, waar de oorspronkelijke belijdenis niet meer meetelt, waar de oorspronkelijke bepalingen en verordeningen op non-activiteit zijn gesteld.
De modernen doen dat. En ze doen dat, terwijl ze telkens zeggen het niet te zullen doen, het geenszins van plan te zijn, het volstrekt niet in hun schild te voeren.
Want als de propenent daar staat om de deur der Kerk binnen te gaan en z'n voet te zetten op de eerste trede van de trap die naar den preekstoel leidt, dan verklaart hij voor God en de menschen, dat hij in de Hervormde Kerk het Evangelie van Jezus Christus zal verkondigen, opgevat in den zin zooals de Hervormde Kerk dat altijd opgevat heeft, zijnde Jezus Christus de eenige en eeuwige Zone Gods, die de ware menschelijke natuur heeft aangenomen, uit de maagd Maria geboren; die heeft geleden en is gestorven, om ten derden dage weer op te staan van den doeden, tot vergeving van de zoude en tot rechtvaardigmaking van allen, die in Hem gelooven.
En verklaard hebbend, dat hij dat Evangelie zal verkondigen in die Kerk — gaat hij het beginsel en het karakter van die Hervormde Kerk verloochenen en het Evangelie van Jezus Christus maken tot een boodschap, die principieel verschilt met hetgeen hij brengen moet.
Mag men niets anders weten in de Herv. Kerk dan Jezus Christus en dien gekruisigd, daar dat van het begin van het Christendom het fundament en het centraalpunt geweest is van alle Evangelieprediking — de moderne rekent daar niet mee en verklaart overal en altijd, dat hij er principieel mee verschilt, alleen als het moet wil hij bij zijn kerkelijke verklaringen wel een oogenblik den schijn aannemen of hij niet zoo principieel verschilt en eigenlijk hetzelfde bedoelt.
Daartegen nu moet de Herv. Kerk positie in gaan nemen.
De Kerk moet karakter en beginsel toonen door voor haar eigen belijdenis op te komen.
En zij moet in de proponents-formule zetten, dat zij zelf de belijdenis van het oude Christendom vasthoudt en ook van anderen gehandhaafd wil zien.
Dat is noodzakelijk. Zienderoogen wordt de Kerk bedrogen. En zij is het aan zichzelf verplicht, dat zij voor haar grondslag en voor haar belijdenis waakt. Dat zij niet afgeduwd wordt van het fundament, dat door de apostelen en profeten gelegd is en waar nooit een ander fundament voor in de plaats gelegd kan worden.
Alles wat orthodox is moet dat gaan voelen. Hier dreigt een groot gevaar, dat niet meer verborgen is.
En alles wat zich schaart om de belijdenis van Jezus Christus, den Zone Gods, hoort hier bij elkaar.
Jezus moet als Gods Zoon erkend worden. God uit God; zélf God, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Gezaghebbend voor ieder; Wiens verzoenend sterven alleen het rustpunt des harten kan zijn.
't Kan in onze Herv. Kerk, dat zij zich zelf daarin nader verklaart. Dat zij opkomt voor haar belijdenis, wat het beginsel daarvan betreft.
Evenals zij 15 Jan. 1908 zich verklaard heeft — noodgedrongen — dat zij den Doop als een Sacrament beschouwt en dat degenen die belijdenis zullen afleggen gedoopt moeten zijn (al. 5 art. 38 Regl. op het godsdienstonderwijs — zoo heeft zij nu te verklaren, noodgedrongen, dat zij Jezus Christus belijdt te zijn de Zone Gods en de eenige weg tot zaligheid voor arme zondaren, in de verzoening van Zijn bloed.
Dat mag niet publiek principieel door ambtsdragers ontkend worden. En die het dan toch ontkennen wil —, welnu, niemand dwingt zoo iemand om in de Ned. Herv. Kerk het predikambt te aanvaarden.
Wat niet bij elkaar hoort voege zich niet saam.
Eerlijk man.
De Herv. predikant van Boskoop, Ds. Tuinstra', schijnt, volgens courantenbericht, van vrijzinnig orthodox geworden te zijn en nu heeft de vrijzinnige kerkeraad hem aanstonds te kennen gegeven dat hij, eerlijk man willende blijven, Boskoop moet verlaten en plaats maken voor een vrijzinnig leeraar.
Volgens den Kerkeraad van Boskoop is er dus een diepgaand verschil tusschen vrijzinnig en orthodox. Dat hoort niet bij elkaar. Dat kan niet saam wonen in éen Kerk. 't Is een zóo onderscheiden geestesrichting, met zóo onderscheiden levens-en wereldbeschouwing, dat men wel noodzakelijk lijnrecht tegenover elkaar moet staan in alles.
Geen compromis is in deze te treffen. Er is geen mogelijkheid denkbaar om naast en met elkaar te leven.
Elk eerlijk man — zegt Boskoops Kerkeraad — moet aanstonds erkennen: er ligt een klove tusschen modern en orthodox, die niet is te overbruggen.
Daar moeten nu de modernen eens over nadenken, hoe diep het verschil gaat tusschen vrijzinnig en orthodox; hoe breed de klove is; hoe heel de levensbeschouwing hier uit elkaar gaat en elkaar gansch niet meer raakt.
Kunnen de modernen dan wel in de Herv. Kerk zijn en blijven?
Er ligt verschil, verschil in alles. En wat is nu de grondslag, het beginsel, het karakler van de Ned. Herv. Kerk?
Is dat niet in orthodoxen geest? En zoo ja, kan dan een eerlijk man bij het aanvaarden van het predikambt, wanneer hij modern is, wel verklaren dat hij in geest en hoofdzaak op den bodem van de gemeenschappelijke belijdenis onzer Herv. Kerk staat?
Wij gelooven het niet. Wij gelooven, dat moderne menschen al lang oneerlijk hebben gehandeld.
Met hun modern princiep staan ze lijnrecht tegenover het orthodox princiep.
En toch verklaren ze maar, dat ze er in hoofdzaak mee instemmen en er in hoofdzaak niet van zullen afwijken.
Om de hoofdzaak in deze kwestie even te nemen: is het grondbeginsel van onze Herv. Kerk, wat betreft den dood en de opstanding van Jezus Christus, niet in orthodoxen zin?
Heeft de Christelijke Kerk ooit anders geloofd, dan dat Jezus Christus, Gods Zoon, gestorven is aan het kruis en aan den morgen van den derden dag waarlijk uit de dooden is opgestaan? Is dat niet het centraal punt, waar alles om draait ? Is dat niet zoo gebleven tot op den huldigen dag?
En hoewel de modernen dat weten, doen ze net alsof ze in hoofdzaak precies hetzelfde denken, en leven intusschen uit een gansch andèr beginsel — zóo principieel verschillend, dat het één de ontkenning van het andere is.
Hoe is dat nu te rijmen? Principieel staan zij tegenover de belijdenis der Herv. Kerk dezer landen, die niet Roomsch, maar Protestantsch, niet Remonstrantsch, maar Gereformeerd is en ook in 1816 principieel niets in haar belijdenis heeft durven veranderen, om voor altijd haar orthodoxe belijdenis zóo vast te leggen dat deze niet gewijzigd zou kunnen worden onder de huidige Synodale organisatie.
Maar hoewel ze daar principieel tegenover staan — komen ze in het midden van die Kerk, beloven overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Hervormde Kerk het Evangelie van Jezus Christus te zullen verkondigen, en als het er dan op aankomt, dan verkondigen zij zoo'n evangelie, dat het in alles radicaal verschilt met hetgeen men in de orthodox-Hervormde kringen gelooft.
Zulks noemen wij eerlijken menschen onwaardig !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's