Voor Jong en Oud.
3) John Bunyan.
Gedurende bijna een maand wierp hij zich nu midden in de zonden, begeerende alles van de zonden te proeven wat er bij te genieten viel — maar ... toen moest hij bekennen gansch onverzadigd te wezen.
In dien toestand verkeerende gebeurde het volgende: Op zekeren dag stond hij voor het raam van een winkel vreeselijk te vloeken. Dat hoorde de eigenares — en, hoewel zelf een loszinnig en goddeloos schepsel zijnde, bestrafte zij hem toch en voegde hem toe dat hij in staat was om de jonge menschen van de gansche stad te bederven.
„Dit onverwacht verwijt" schrijft hij — „snoerde mij den mond. Ik voelde mij innerlijk ten diepste beschaamd en verlegen tegenover den Almachtigen God. Met hangend hoofd verzuchtte ik: „Och, dat ik weder een klein kind was — en dat mijn vader mij opnieuw leerde spreken, want ik ben nu eenmaal aan dat vloeken zóó gewoon, dat 't vergeefsche moeite is om mij in dit opzicht te willen verbeteren."
En... sinds die ure kwam er geen vloek meer over zijn lippen!
Niet lang daarna raakte Buyan in kennis met een armen doch vromen man, die op aantrekkelijke wijze uit de Schrift wist te spreken. Onder den invloed van dezen nieuwen vriend legde hij zich toe op het lezen van Gods Woord — waarbij hem de historische boeken het meest aantrokken. Met Paulus' brieven wist hij geen weg — te onkundig zijnde om de verdorvenheid zijner natuur te verstaan alsook om iets van de waardij van Christus te smaken.
Hij nam de geboden tot gids op zijn weg — gaf op al zijn doen en spreken nauwlettend acht en maakte zich allerlei voornemens om die zoo getrouw mogelijk ten uitvoer te brengen.
Zijne buren hielden hem voor een reeds inwendig vernieuwd mensch, en verbaasden zich over de groote verandering, welke rnet hem had plaats gegrepen. — Alle uitspanning en vermaak — hoe onschuldig ook — liet hij varen. Op dansen was hij verzot geweest, doch liet het nu na. Aan muziek en zang deed hij niet meer, hoeveel moeite het hem ook kostte dit los te laten. — Alleen van het luiden der klokken in Elstow's kerktoren kon hij niet zoo opeens afstand doen. Wel luidde hij zelf niet meer, maar wanneer zijn vrienden bezig waren de klokken te luiden (zooals b.v. in het Zuid-Oosten van Friesland het Thomas-luiden gebruikelijk is gedurende de laatste dagen des jaars) kon hij niet aflaten naar den toren te sluipen en stil toe te zien.
Maar ook dat dorst hij niet langer volhouden, want het was hem telkens of klok en toren op hem zou neerstorten.
Zijn buren begonnen hem om al deze dingen te prijzen, ook als hij er zelf bij was. Deze zagen al héél wat in hem. Maar hij zelf getuigt: „in dien tijd was ik niets meer dan een arm, fraai opgesmukt schijnheilige, druk bezig met het pogen om mij zelven een eigen gerechtigheid op te bouwen".
Hij was nog vreemd aan de arm makende daad Gods; hij was nog geen vervloekte gemaakt onder het heilig recht Gods; onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad.
Hij wandelde nog vol rijkmakende daden van eigengerechtigheid, verward in de strikken van het werkverbond, blind voor de toestand van ellend, waarin hij voor God verzonken lag.
Ongeveer een jaar duurde deze toestand van eigengerechtigheid.
Op zekeren dag kwam hij voor zijn werk in Bedford en vond daar, in het zonnetje voor hun huis zich koesterend, 3 of 4 arme vrouwtjes, die samen spraken over de dingen van Gods Koninkrijk en elkander vertelden wat de Heere aan hun ziel gedaan had. Toen hoorde hij van eene nieuwe geboorte en van een werk des Geestes aan het hart; van een overtuiging van zonde en van een gesterkt worden door Gods beloften, die ja en amen zijn in Jezus Christus; van een God, die Zijn volk om Zijns zelfs wil bemint en de Zijnen leidt naar Zijn raad — en hij moest het met schaamte en droefheid bekennen: aan deze dingen had hij nog geen kennis, hij stond er als een vreemde tegenover.
„Neen" zoo schrijft hij, „aan deze dingen had ik geen kennis, niet wetende wat genade, geloof, hoop en liefde was, noch kennis hebbende aan den Christus. En had ik in dezen toestand moeten sterven, mijn lot en deel zou dan zekerlijk voor eeuwig diep rampzalig zijn geweest".
Voortaan zocht hij nu zooveel mogelijk het gezelschap dezer vrome vrouwen en werd er hoe langer hoe meer van overtuigd, dat zijn eigen vroomheid niet van de rechte soort was; dat hij tot nu toe slechts een godsdienstige mooiprater was geweest. Vurig begeerde hij echter tot den weg van waarachtige bekeering te mogen komen en hij was voortdurend met deze dingen bezig, die zijn hart zóo in beslag namen, dat het hem toen even moeilijk viel om zijne gedachten van den hemel naar de aarde te brengen als later vaak omgekeerd. (Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's