De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

En zie, Ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld. Matth. 28 : 20.

Ik met u.

Dit woord is genomen uit de afscheidsrede van den verhoogden Middelaar.

Voor Hij nl. van deze aarde zou henengaan, had Hij Zijne discipelen bescheiden op een berg in Galilea.

Daar heeft Hij tot hen gesproken over de verheven majesteit, waarmee Hij was bekleed, over de koninklijke macht waarmee Hij was toegerust,

„Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde." Zoo sprak Hij, die nog niet zoo lang geleden als een machtelooze was weggeleid, die voor korten tijd als een Lam stemmeloos was geweest voor het aangezicht Zijner scheerders en toen, van God en menschen verlaten, had gehangen aan het kruis.

Het Lam was nu een Leeuw, de machtelooze was nu een machthebber geworden-; En de rijke beteekenis van die macht, of wilt ge, de kostelijke vrucht die er voor Gods gemeente in de koninklijke macht van den verhoogden Middelaar besloten ligt, vinden wij in het woord waarmee de Heiland Zijn afscheidsrede en Mattheus zijn evangelie besluit: „En zie, Ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld."

De Heere stelt zich met al de macht die Hem gegeven is dus in dienst van Zijn volk. Het gebruik dat Hij van die macht maken zal, zal ten hunnen nutte zijn.

„Ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld." Gij gevoelt wel hoe de Heiland dat bedoeld heeft, niet waar? Naar het lichaam zou dat natuurlijk niet zoo zijn. Integendeel, naar het lichaam stond Hij gereed om deze wereld te verlaten en heen te gaan tot Zijnen Vader; Zijn verheerlijkt lichaam zou weldra door een wolk aan de oogen Zijner jongeren onttrokken worden.

Maar wat naar het lichaam niet zoo was, dat zou naar Zijne Godheid, genade, majesteit en Geest wel zoo zijn. Daar zou een levende, krachtdadige, onafgebroken gemeenschap blijven tusschen Hem, den verheerlijkten Middelaar, die weldra in den hemel zou zijn, en Zijn strijdende Kerk, die Hij hier op aarde zou achterlaten.

Wel zou het gevoel van die gemeenschap niet altoos even levendig zijn, maar dit neemt niet weg dat daar toch door de werking des Heiligen Geestes een onverbreekbare band van eenheid zou blijven bestaan.

En dat heeft de Heere hier nu tot Zijne discipelen en in hen tot gansch Zijne gemeente willen zeggen.

„Zie", met dat woord heelt Hij er hunne bijzondere aandacht op willen vestigen. En het is waarlijk ook onze opmerkzaamheid wel waard, vooral als we ons een oogenblik trachten in te denken de machtige tegenstelling die er in die woorden „Ik met ulieden" besloten ligt.

Ik ben met ulieden. Dat wil immers zooveel zeggen als: Ik, de Heilige, ben met u, die zoo onheilig zijt.

Ik, de Rechtvaardige, ben met u, die u telkens allen aan zooveel onrecht schuldig maakt.

Ik, de Getrouwe, ben met u, die u zelve gedurig weer van zooveel ontrouw beschuldigen moet.

Ik, de Machtige, ben met u, die in u zelve geen krachten bezit.

Ik, de Hooge en Verhevene, ben met u, die hier wriemelt in het stof.

Ik, de Onveranderlijke, ben met u, die een prooi der vergankelijkheid zijt.

Gevoelt gij niet dat in die woorden „Ik met ulieden" de vervulling ligt van het woord dat Jesaja eens sprak: Gij zult Zijn naam Immanuel heeten?

Immanuel, God met ons. Ja waarlijk, in Christus is de Heere één met Zijn volk.

Zie, Ik ben met ulieden. O, wereld van beteekenis die er in die weinige woorden ligt opgesloten. Immers als er Eén, aan Wien alle macht in hemel en op aarde gegeven is, met ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Ja, als Jezus met ons is, dan staat Hij er ons borg voor, dat wij in Zijn dienst en in Zijne gemeenschap veilig zijn en dat alle dingen ons zullen moeten medewerken ten goede.

Wilt gij er voorbeelden van? Ziet maar naar de discipelen, die deze rijke belofte uit 's Heeren eigen mond ontvangen hebben.

De Heere was met hen. Dat was de reden waarom zij straks op het Pinksterfeest zulk een heerlijk getuigenis hebben afgelegd

De Heere was met hen. Dat was de reden waarom' Petrus en Johannes aan de Schoone poort des tempels den kreupele deden springen als een hert.

De Heere was met hen. Dat was de reden waarom zij kloekmoedig zijn voortgegaan om in den naam des Heeren Jezus te spreken, ook toen het hun door de menschen verboden werd.

De Heere was met hen. Dat was de reden waarom Stefanus zulk een kostelijken dood gestorven is, waarom Petrus uit de hand van Herodes werd verlost, waarom Paulus en Silas psalmen konden zingen in den nacht.

En zoo zouden we kunnen voortgaan om te toonen wat de Kerk des Heeren in den loop der eeuwen reeds vermocht, juist omdat de Heere steeds gedachtig bleef aan het woord dat Hij vóór Zijn heengaan van deze aarde eens sprak.

Ik ben met ulieden! Natuurlijk wilde dat niet zeggen dat het leven der discipelen zou gespeend wezen .aan alle tegenspoed en kruis. Integendeel, de discipel is niet meerder dan zijn Meester. Voor de meesten hunner lag zelfs de martelaarskroon gereed.

Maar omdat Jezus met hen was, zou toch ook de schijnbare nederlaag voor hen een overwinning zijn. Of zou het bloed der martelaren niet worden het zaad van de Kerk? Zou dus juist door de schijnbare overwinning die de vorst der duisternis behaalde aan zijn rijk niet de grootste af breuk worden gedaan ?

En zoo was het nu niet slechts met deze discipelen, die deze laatste woorden des Heeren uit Zijn eigen mond beluisteren mochten, maar zoo is het met gansch Gods Kerk, waarvan deze discipelen hier slechts de vertegenwoordigers zijn.

Ook voor de gemeente Gods van onze dagen ligt er in deze woorden van den verhoogden Middelaar zulk een onschatbare troost.

Immers de Heere zegt zoo duidelijk dat Hij alle de dagen met hen zal zijn, tot aan de voleinding der wereld. En dat juist is een duidelijk bewijs dat de Heiland hier niet alleen tot Zijne jongeren sprak. Die jongeren immers zijn reeds lang van deze wereld heengegaan. Toen hun taak hier op deze aarde volbracht was, toen zij den strijd gestreden, den loop geëindigd en het geloof behouden hadden, toen hebben zij ontvangen de kroon der rechtvaardigheid waarmee zij nu reeds lang zijn gekroond.

Maar in hun plaats zijn anderen gekomen, die hun werk hebben voortgezet. Zoo is het gegaan al de eeuwen die reeds achter ons liggen, O wie zal ze tellen de duizenden en millioenen aan wie de Heere deze belofte heeft vervuld, die Hij nabij was alle de dagen, die Hij nabij was in dagen van vreugde èn in dagen van smart, in dagen van voorspoed èn in dagen van tegenspoed, in de dagen van hun leven, maar ook in de ure van hun sterven!

En zoo is het heden ten dage nog. Ja, het woord des Heeren is er ons borg voor dat het zoo blijven zal tot aan de voleinding der wereld, dat het dus zoo blijven zal tot op dien grooten dag dat de verheerlijkte Middelaar op de-wolken des hemels zal gezien worden.

Of heeft de Heere nog niet altoos in het midden der wereld een volk dat naar Zijnen naam is genoemd én dat naar Zijn beeld is geformeerd?

Heeft Hij nog niet altoos Zijn Kerk die, gebouwd op het fundament van apostelen en profeten, de gewisse belofte ontving dat zij door de poorten der hel niet overweldigd kan worden?

O zeker, de vijandschap waarmee die Kerk te worstelen heeft is vaak groot; de pijlen die op haar worden afgeschoten zijn vaak scherp; de haat waarmee de wereld jegens haar bezield is, is vaak fel; de smaad dien zij niet zelden vanwege hare eigen zonden over zich brengt is vaak grievend. En als wij die Kerk des Heeren zoo zien als een hutje in den wijngaard, als een nachthutje in den komkommerhof, als een belegerde stad, dan is het waarlijk geen wonder dat vreeze wel eens de ziele vervult of er van het volk des Heeren nog wel een verwachting zou overig zijn, dan is het waarlijk geen wonder, dat er wel eens wordt geklaagd en gezucht: wij zijn afgesneden van uwe hand. .

Immers dit zou ook zoo zijn indien de laatste belofte, die de Heere hier op aarde gaf, geen waarheid bevatte. Dan, ja, dan zou het voor de Kerke Gods hier een omkomen zijn, of liever dan zou zij reeds lang zijn uit, geroeid en er zou aan den naam van Israel reeds niet meer gedacht worden.

Maar nu Gods Kerk niet alléén staat in de wereld, maar nu Christus, de verhoogde Middelaar, in haar, naast en met haar is, nu zal Hij haar ook helpen in het aanbreken van den morgenstond; en daarom behoeft zij niet te vreezen al veranderde de aarde hare plaats en al werden de bergen verzet in het hart van de zee. Immers de Heere der heirscharen is met haar, de God van Jacob is haar een hoog vertrek. Laat dus nu de wateren bruisen, laat ze beroerd worden, laat de bergen daveren door derzelver verheflfing, de beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten.

Rijke beteekenis dus die er in de koninklijke macht van den verheerlijkten Middelaar ligt opgesloten.

Rijke beteekenis althans voor een iegelijk die die macht ook aan eigen hart reeds mocht ervaren en die dat woord „ulieden" dus ook op zichzelve mag toepassen.

Wat dunkt u, zou dat ook met u reeds zoo zijn ? Weet gij al dat Christus met u is ? Dan hebt gij niet te vreezen al zou de gansche wereld tegen u zijn.

Of is het misschien nog juist omgekeerd? Hebt gij de wereld nog mee? O bedenk dan dat gij Christus tegen u hebt, maar hoe schrikkelijk zal het dan zijn als steeds die machtige Koning als een vijand tegen u komt. O dat gij dan nu nog den Zoon mocht leeren kussen, opdat Hij niet toorne en gij op den weg straks vergaat.

Gelukkig daarentegen als gij de afscheidsbelofte des Heeren op uzelve moogt toepassen, als gij moogt zeggen: ja, dat weet ik, dat ik te doen heb met een machtigen Zaligmaker die mij van dood levend en van blind ziende heeft gemaakt. Dan moogt gij u verblijden over de laatste woorden die uw Heiland voor Zijn heengaan van deze aarde eens sprak en gij moogt het lied van den dichter tot het uwe maken:

Want deze God is onze God;

Hij is ons deel, ons zalig lot.

Door tijd noch eeuwigheid te scheiden;

Ter dood toe zal Hij ons geleiden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 mei 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 mei 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's