Voor Jong en Oud.
4) John Bunyan.
„Ik begon nu", zoo schrijft hij, „in den Bijbel te zien met nieuwe oogen en te lezen, zooals ik het nooit te voren gedaan had en voornamelijk waren de Brieven van den apostel Paulus zoet en liefelijk voor mij; en inderdaad, ik was toen nooit uit .den Bijbel uit, hetzij dan met lezen of met overdenken, altijd door tot God roepend om de waarheid te leeren kennen en den weg naar den hemel en de heerlijkheid."
In die dagen viel zijn oog op 1 Cor. 12, waar over de gaven des Geestes gesproken wordt en o. a. ook wordt gezegd, dat het geloof een gave Gods is, welke de Heere geven wil aan Zijne kinderen.
Geloof? Wat is geloof? Had hij geloof? Zijn Bijbel leerde hem, dat, wanneer hij slechts een geloof had, klein maar innerlijk levend als een mosterdzaadje, hij dan de macht moest bezitten om wonderen te doen. En hij kwam op het denkbeeld terstond met zichzelf de proef te nemen.
„Op zekeren dag", schrijft hij, „terwijl ik tusschen Elstow en Bedford was, brandde in mij de verzoeking om de proef te nemen, of ik geloof had, dat macht heeft wonderen te verachten. Ik nam my voor tot de met water gevulde wagensporen te zeggen: „wordt droog", en was werkelijk reeds op het punt om het woord over mijn lippen te laten gaan, toen mij nog ter rechter ure de gedachte trof: „begeef u in dat boschje en bid God, dat Hij u de bekwaamheid geve." Toen ik mijn hart in het gebed had uitgestort, greep mij met macht de gedachte aan, dat, wanneer ik nu heenging en het woord sprak, maar er gebeurde niets, ik tevens de zekerheid zou hebben, dat ik geen geloof bezat en dus verloren was. Neen, dacht ik, wanneer het er zóo mede staat, wil ik nooit de proef nemen, maar wachten tot mij de zekerheid des geloofs gegeven is.
„Langen tijd werd ik", zoo vermeldt Bunyan, „tusschen den booze en mijn eigen onwetendheid heen en weer geslingerd. De weg ging door licht en donkerheid. Ik wist dikwijls niet wat ik denken of doen moest. De geboden Gods waren mij tot gids en eenigen tijd ging mijn leven rusteloos voort. Schriftwoorden kwamen in mij op en deze waren mij zoet, zoolang ik ze had, maar telkens werden ze weder als het laken in het gezicht van Petrus.te Joppe, weder naar den hemel opgetrokken."
Bunyan bevond zich nu op den drempel van een ander leven.
Hij wist slechts een zeer arm, zondig, hulpbehoevend schepsel te zijn en vurig ging het verlangen zijner ziele uit tot God, om te mogen worden ingeleid in Zijnen dienst. Zichzelf kon hij niet helpen. Zijn eenige schat was zijn bijbel. En daarbij onthield de Heere hem niet vertroostende zegeningen te geven en middelen ter zijner beschikking te stellen, die zijne ziele zouden brengen tot de zalige gemeenschap met Christus.
In dezen tijd had hij een visioen, „De staat van het volk te Bedford", schrijft hij, „kwam mij aldus voor: ik zag hen allen zitten aan de zonzijde van een hoogen berg, waar zij zich in de zonnewarmte koesterden, terwijl ik te midden van sneeuw en ijs zat te rillen van de koude.
Tusschen mij en hen was een hooge muur opgetrokken. Ik wilde er doorheen, om mij mede te verlustigen in de stralen hunner zon. Nergens was een opening, alleen eene nauwe spleet vond ik, na lang zoeken. Ik kon er niet door; trachtte het hoofd er door te steken en na veel moeite gelukte mij dit. Toen de schouders, eindelijk het geheele lichaam — en o! wat verblijdde ik mij toen ik te midden van de vrome vrouwen van Bedford mocht zitten in het lieflijk licht van de zon!"
De uitlegging van dit gezicht werd hem tevens geopenbaard.
De berg was de Kerk des Heeren, de muur was het Woord, de spleet Jezus Ohristus, die de weg is tot den Vader.
„Dit gezicht leerde mij", schrijft Bunyan, „dat niemand tot het leven kan ingaan, dan wie het met vollen ernst begeert en dat niemand er toe komt, tenzij hij deze booze wereld den rug toekeert en haar achter zich laat, daar in het ware leven wel plaats is voor lichaam en ziel, maar geen plaats voor lichaam, ziel en zonde."
Het goede zaad reeds uitgestrooid in zijn hart begon te ontkiemen. Hij had geen rust en geen vrede. Zijn ziel dorstte naar het heil des Heeren, gelijk het dorre land hijgt naar water.
„Eens", zoo verhaalt hij, „terwijl ik het land rondtrok en ik in stilte nadacht over de verdorvenheid van mijn hart en de vijandschap tegen God, die in mijn binnenste leefde, kwam mij het Schriftwoord voor den geest: „Hij heeft vrede gemaakt door het bloed des kruises." Dit woord indenkende zag ik opeens in, dat de gerechtigheid Gods en mijne zondige ziel elkander omhelzen mochten en elkander kussen tot verzoening. Ik was op het punt van bezwijken, niet van angst of droefheid, maar van welgegronde blijdschap en vrede. Alles werd mij nu op eens helder, de gansche geschiedenis des Evangelies, des Heilands geboorte, leven en sterven,
{Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 mei 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's