Uit het kerkelijk leven.
De Dordtsehe kwestie.
Men weet hoe het zat. Zondag 7 Jan. j.l. zouden er 2 ouderlingen en 1 diaken bevestigd worden in de Ned. Herv. Kerk door Ds. J. Keiler. Maar de heeren — van vrijzinnig-godsdienstige richting — hadden niet veel zin op de vragen van het formulier bevestigend te antwoorden.
Toen vonden ze er op, dat ze zouden zeggen: „ja — volgens mijn opvatting."
Niet volgens Gods Woord. Niet volgens het formulier. Niet volgens de kerkelijke reglementen.
Neen — dat zeiden ze niet. Ze zeiden: volgens mijn opvatting. Zooals een vrijzinnig mensch dat gewoon is. Die heeft met niemand anders te rekenen dan met zichzelf.
En daar moet men nu maar niets van zeggen, want anders krijgt men ras den naam van onverdraagzaam naar het hoofd geslingerd. Die bekende scheldnaam, die door de echte vrijzinnigen, als ze héél goed op streek zijn, liefst 60 maal in een minuut gebruikt wordt.
Nu viel dat daar in Dordt niet mee. Daar redeneerde men zóo: „we hebben in onze Ned. Herv. Kerk ook nog orde, regel en wet — en het gaat niet aan, dat ambtsdragers dan zouden zeggen: wij zullen doen wat wij willen."
Tien lidmaten wendden zich tot het Classicaal Bestuur. En waarlijk, het Classicaal Bestuur vond deze zaak van zooveel belang, dat hier een ernstig onderzoek zou worden ingesteld.
Daarvoor brengen we het Classicaal Bestuur van Dordrecht gaarne een woord van hulde en dank.
We hebben het wel eens anders bijgewoond... Een commissie werd uit het midden van het Classicaal Bestuur benoemd, die het onderzoek leiden zou, bestaande uit de heeren Ds. A. H. de Klerck te Ridderkerk, Ds. H. Feijkes te Dordrecht en Ds. J. Booy te Puttershoek.
Op 20 Maart j.l. hield deze commissie zitting. De drie heeren, B., V. en K. werden achtereenvolgens. gehoord en van de antwoorden werden processen-verbaal opgemaakt, welke werden overgelegd aan het Classicaal Bestuur.
Dit nu kwam Woensdag 24 April bijeen om een beslissing te nemen. De vergadering begon ten 10 ure en duurde voort tot 5 uur. Na breedvoerige besprekingen overwoog en besliste het:
1e. wat den benoemden ouderling E, Bachman betreft:
„Overwegende, dat de ouderlingen in verband ook met hun roeping, .uitgedrukt in Art. 11 Alg. Regl. belast zijn met de handhaving van de leer der Herv. Kerk en wat hun belijdenis betreft volgens Art, 3 al. 4 Syn. Regl. Kerkeraden onberispelijk behooren te zijn:
„dat in elk geval tot die belijdenis behoort hetgeen uitgedrukt wordt in Art. 39 Regl. Godsdienst-onderwijs, met name genoemd in Art. 3 Regl. Kerkelijk Opzicht en Tucht en dat, wat genoemden E. Bachman betreft, uit zijn nadere verklaring duidelijk gebleken is, dat zelfs de belijdenis vervat in Art. 39 Regl. Godsdienst-onderwijs niet langer de zijne is, daar hij immers erkent niet te gelooven in Jezus Christus Gods Eeuiggeboren Zoon onzen Heer;
„acht het ingebracht bezwaar gegrond; „verklaart'genoemden E. Bachman in openbaren strijd met den geest en de beginselen van de belijdenis der Ned. Herv. Kerk (Ait. 3 Regl. Kerkelijk Opzicht en Tucht) en derhalve berispelijk in belijdenis (Art. 3 al. 4 Regl. V. d. Kerkeraden) en verklaart hem naar Art. 4 Regl. Kerkelijk Opzicht en Tucht voor onbepaalden tijd vervallen van de bevoegdheid tot het aanvaarden van kerkelijke bedieningen." 20. wat den benoemden ouderling A. Vleesenbeek betreft: „Overwegende, dat bij het onderzoek op 28 Maart 1912 gebleken is, dat genoemde A. Vleesenbeek bij eventueele bevestiging volhouden zou bij zijn antwoord, bij de bevestiging op 7 Januari 1912 gegeven; „verklaart de bezwaren gegrond en hem als tegenstrever van kerkelijke verordeningen, zie Art. 3 en Art. 22 van het Synodaal Reglement voor de Kerkeraden en Art. 39 alinea 4 van het Reglement Godsdienst-onderwijs, laatste zinsnede, voor onbepaalden tijd vervallen van de bevoegdheid tot het aanvaarden van kerkelijke bedieningen
(zie Art. 4 van het Reglement voor Kerkelijk Opzicht en Tucht)."
30. Wat den benoemden diaken H. P. Kramer betreft: „
Overwegende, dat diakenen in verband ook met hun roeping, uitgedrukt in Art. 11 Algem. Regl. belast zijn met de handhaving van de leer der Herv. Kerk en wat hun belijdenis betreft volgens Art. 3 al. 4. Syn. Regl. Kerkeraden onberispelijk behooren te zijn;
„dat in elk geval tot die belijdenis behoort hetgeen uitgedrukt wordt in Art. 39 Regl. Godsd. Onderwijs, met name genoemd in Art. 3 Regl. Kerk. Opzicht en Tucht en dat wat genoemden H. P. Kramer betreft uit zijn nadere verklaring duidelijk is gebleken, dat zelfs de belijdenis, vervat in Art. 39 Regl. Godsd. Onderwijs niet langer de zijne is, daar hij immers erkent niet te gelooven, dat Jezus Christus lichamelijk is opgestaan en in het bijzonder niet aan de wonderen gelooft, vervat in de Heilige Schrift en ook niet langer de belijdenisvraag van Art. 39 Regl. Gods. Onderwijs als zijn overtuiging houdt;
, acht het ingebrachte bezwaar gegrond;
„verklaart genoemden H. P. Kramer in openbaren strijd met den geest en beginselen van de belijdenis der Ned. Herv. Kerk (zie Art. 3 Regl. Kerkelijk Opzicht en Tucht) en derhalve berispelijk in belijdenis (Art. 3 al. 4 Regl, V. d. Kerkeraden) en verklaart hem naar Art. 4 Regl. Kerk. Opzicht en Tucht voor onbepaalden tijd vervallen van de bevoegdheid tot het aanvaarden van kerkelijke bedieningen."
Veroordeeld dus. Alle drie. De heer A. Vleesenbeek schijnt zich het minst bloot gegeven te hebben; de heer H. P, Kramer het meest en de heer E. Bachman schijnt ook nogal vrij te hebben gesproken.
't Is een héele gebeurtenis in ons kerkelijk leven. Waarbij men alleen verwonderd moet vragen : hoe komt het, dat deze en dergelijke dingen niet veel méér voorkomen?
Men wil dat naar de belijdenis gevraagd zal worden. Ook b, v, bij de persoonlijke kerkvisitatie.
Men wil dat de belijdenis gehandhaafd zal worden. Die dus afwijkt van de aloude belijdenis staat schuldig.
Men heeft alles vastgekoppeld aan de belijdenis en de besturen hebben te waken, dat geest en hoofdzaak van die belijdenis wordt gehandhaafd en verdedigd — op de wijze zooals de Besturen dat kunnen en moeten doen.
En hoewel men de machine zóo in elkaar gezet heeft en zoo houden wil — tot geen prijs eenige verandering in de bestuurs-inrichting makend — hoort men bijna nooit van deze dingen.
Men laat de brutaalste ontkenningen van de eenvoudigste en dierbaarste goddelijke waarheden maar toe.
En brutaler telkens varen de modernen voort in hun belijdenis en kerkelijk-leven verwoestend werk voort.
Gelukkig dat er dan nog Besturen zijn, die willen waken.
Niet dat wij er zooveel van verwachten, 't Is ook volstrekt.niet de weg, dien wij als gereformeerd mensch begeeren.
Maar op het standpunt van hen, diè het met onze tegenwoordige kerkelijke organisatie doen willen en die zoo ongeveer het non plus ultra vinden onder de manieren van kerkregeering, die moeten toch zeggen, dat men tot deze dingen moet komen, wil men z'n beginsel nu niet héelemaal wegwerpen.
Welk lid van een Bestuurslichaam in de Ned. Herv. Kerk kan nu toelaten, dat men de godheid van Christus loochent? Dat men de opstanding uit de dooden ontkent; dat men de wonderen, in de Schrift ons vermeld, ontkent enz. enz.
Als men die Bestuurs-inrichting wil, dan moet men op deze. botsingen rekenen.
En dan doet het ons weldadig aan, dat er een Classicaal Bestuur is, dat zegt: zulke menschen .behooren niet in het ambt
Ook predikanten niet, , . Ook kunnen we zulke lidmaten niet gebruiken ...
Onze Kerk is héelemaal in de war. Ze moet weer Kerk worden.
Dat wil zeggen huis des Heeren, waar de Heere Jezus Christus Koning en Wetgever is.
Waar alles gaat naar Gods Woord. Op den grondslag van onze aloude belijdenis. Op welken' grondslag niet saam staan kan, dat lijnrecht tegenover elkander gevonden wordt in belijdenis, levens-en wereldbeschouwing.
Wanneer zal er eens een krachtige actie komen om weer te mogen komen tot een Gereformeerde Kerk, staande als een pilaar en vastigheid der Waarheid in het midden van ons land en van ons volk?
En wanneer zullen de modernen in de Herv. Kerk eens gaan bekennen, dat zij een hoogst oneerlijk spel spelen met de Kerk, waarin zij, met hun moderne belijdenis, niet thuis hooren?
Bij elkaar kan en mogen niet wonen, wie niet bij elkaar hooren.
Ontdekkend preeken.
Het is een bekende en gebruikelijke uitdrukking: „den goddelooze aanzeggen dat het hem kwalijk zal gaan."
Op zich zelf is deze uitdrukking schriftuurlijk, kostelijk en ernstig.
Maar wanneer men dit woord brengt is nadere zielkundige ontleding en breede toepassing noodig.
Immers de mensch (ziedaar een element van zijn ellende en geestelijke blindheid) gelooft menigmaal dat hij reeds genade bezit, terwijl hij inderdaad nog onbekeerd is.
Zoo een zal het oordeel den goddeloozen met kalmte hooren aanzeggen; want hij zelf hoort er immers niet bij !
Hij denkt: dat is goed voor dézen en voor dien — maar zelf gaat hij vrij uit.
Ontdekkend preeken wil daarom niet alleen zeggen: dood en oordeel aanzeggen aan den goddelooze.
Maar vooral: ontvouwen, welke de kenmerken zijn van een onbekeerde. Den mensch voorleggen dat hij van nature nooit anders is dan een onbekeerde; zijn valsche gronden bloot leggen, waarop hij tot dusver de hope zijner zaligheid bouwde.
Eveneens zal omgekeerd menigeen in wien „de wortel der zaak" aanwezig is, zich toch niet durven houden voor een rechtvaardige, zoodat hij den troost derft van de beloften en toezeggingen die aan de rechtvaardigen worden geschonken.
Voor zóo een is noodig, dat helder en duidelijk worde aangetoond, waardoor het genadeleven zich meestal kenmerkt, hoe het zich vertoont, opdat hij worde gebracht tot de overtuiging, een kind van God te zijn.
Maar tot deze en diergelijke onderwijzingen en voorlichtingen is noodig veel kennis, geestelijke kennis, naar de H. Schrift, van de ziel en haar leven, van de gangen des H. Geestes in 'het leven der genade,
Onderwerpelijk preeken.
Wie denkt, dat onderwerpelijk preeken niet moeilijk is en meent dat het eigenlijk gezegd neerkomt op wat gemoedelijk gepraat, vergist zich deerlijk.
Onderwerpelijk preeken is niet, dat aan de verklaring van den tekst eenige studie gewijd wordt, maar het toepasselijk woord zoo maar voor de vuist weg wordt gesproken. Want dan zal de toepassing bij elke preek ongeveer het zelfde worden en geen nut doen.
Duidelijke, nauwkeurige uiteenzetting van de tekstwoorden is noodig, opdat het Woord helder en klaar worde voorgesteld aan de Gemeente — iets wat zonder studie en degelijke voorbereiding niet gaat.
Maar nauwkeurig moet de prediker dan ook nagaan de gangen van des menschen hart en de overleggingen zijner gedachten. Hij moet zich ernstig indenken de omstandigheden des levens en de gedachten des gemoeds.
Duidelijk en nauwkeurig zal hij de kenmerken des geloofs moeten uiteenzetten; het onderscheid tusschen schijn en wezen aangeven ; tusschen tijdgeloof en zaligmakend geloof, tusschen ongeloof en klein geloof enz., enz.
En dat gaat maar niet vanzelf. Dan zal van te voren „in 't hart opmerkzaam overdacht" moeten zijn geworden (Ps. 49 : 1). Anders zal het geen nut doen. Ontvouwing van geestelijk leven, met de bedoeling, om naar de verschillende behoeften, Gods Woord ; als medicijn toe te passen, is alleen mogelijk bij een verborgen omgang met God en degelijke, nauwgezette studie.
Biddende bestudeering van het practicale, geestelijke leven is daartoe van noode; waarbij het ontegenzeggelijk waar is, dat de „onderwerpelijke prediking een bizondere gave van Schriftontleding en zielsanalyse vereischt.
Men wachte zich het „onderwerpelijke" los te maken van het „voorwerpelijke."
Dat wordt fantasie. Maar het voorwerpelijke bedoele steeds het voordeel van het onderwerpelijke.
Ziekelijk-preeken.
Wanneer de preek uitsluitend voorwerpelijk of enkel onderwerpelijk is, dan is de preek ziekelijk te noemen.
De preek moet ontvouwing van het voorwerpelijke bevatten en toepassing voor het bevindelijke, onderwerpelijke leven.
En dan moet het voorwerpelijke en het onderwerpelijke overeenkomstig de H. Schrift worden verklaard.
Een voorwerpelijke preek, waarin b.v een algemeene-verzoeningsleer of eenige andere ketterij zou verkondigd worden, kan misschien gespeend zijn aan alle „bevindelijkheid" — maar is door en door ziek, zooal niet dood te noemen.
En omgekeerd is ziekelijk, wanneer het bevindelijke leven wordt uiteengezet naar eigen willekeurigen maatstaf, los van het Woord van God.
Gezond in de leer is hij, die het onderwerpelijke en voorwereplijke beide handhaaft en dat ontvouwt naar de meening des Geestes, overeenkomstig de H. Schrift.
Zoo behoort dan de bestudeering van Gods Woord en de kennisneming van het zieleleven des menschen, in zijn zielservaringen, tot de noodzakelijke vereischten van allen, die geroepen zijn ziele-herders te zijn.
Wordt dit verwaarloosd, dan mag men niet op veel vrucht rekenen ; geschiedt dit, dan kan het onder den zegen Gods rijke resultaten opleveren.
Er is behoefte aan ernstige, overtuigende en ziel verkwikkende toepassingen, die geheel naar het Woord zijn en het harte van Sion kunnen troosten en onderwijzen.
(Uit het Zieleleven van ds. G. Wisse, Kampen).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 mei 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's