Uit het kerkelijk leven.
Hardnekkig verweer.
Het Weekblad voor de Vrijzinnige Hervormden kan zich — natuurlijk — in ons betoogen in 't geheel niet vinden.
Het becritiseert ons voortdurend, nu ook weer ons artikel: eerlijk man.
Neen, zoo zegt het Vrijzinnige Weekblad, uw beweren, o Waarheidsvriend, alsof met „geest" en „beginsel", „hoofdzaak" en „karakter" van de Hervormde Kerk zou bedoeld worden geest en hoofdzaak van de oude belijdenis, die indertijd de Dordtsche vaderen vaststelden, is geheel bezijden de waarheid (Foei, Waarheidsvriend).
Wanneer gesproken wordt van „de beginselen en het karakter van de Hervormde Kerk" kan uit den aard der zaak slechts gedacht worden aan de beginselen en het karakter der Kerk in onze dagen.
In den tegenwoordig en tijd treedt de proponent de Kerk binnen; met de beginselen en het karakter, die de Kerk thans eigen zijn, heeft hij dus ook te doen.
En in elk geval bindt de Kerk haar leden niet aan een bepaalde leerstellige overtuiging, maar geeft plaats aan verschillende opvattingen.
De geheele inrichting en tal van reglementaire bepalingen geven daarvan blijk — zoo redeneert het Vrijzinnige Weekblad,
Nu — dat de geheele inrichting van de Kerk en tal van reglementaire bepalingen blijk geven, dat men leervrijheid heeft willen invoeren daar is wel wat van aan. Dat hebben we genoeg reeds besproken.
Maar nu springt het Vrijzinnige Weekblad met een polsstók over de kwestie heen.
Ja — men zou wel leervrijheid willen.
Maar er loopt juist een draad door onze Reglementen die bewijst dat dit een knoeien is in de afgeleide Reglementen, in "de reglementen die voor de bizoudere aangelegenheden gemaakt zijn, — want in het Algemeene Reglement ligt het bewijs, dat in 1816 niet een nieuwe Hervormde Kerk uit de lucht is komen vallen; maar dat de Hervormde Kerk van na 1816 in onlosmakelijk verband staat met de Hervormde Kerk van vóór 1816; met de Hervormde Kerk van 1618 dus.
Het oude art. 9 en het nieuwe artikel 11 van het Algem. Regl. is het bewijs dat men, bij al de veranderingen, toch wilde vastleggen, dat, bij al de vrijgevigheid en vrijnemigheid, gelet moest worden op de belijdenis van de Hervormde (Gereformeerde) Kerk, neergelegd in den Catechismus enz, en dat al de Besturen waken moesten dat die belijdenis werd gehandhaafd, dat al de kerkeraadsleden met die belijdenis moesten instemmen, dat alle propenenten die belijdenis moesten voorstaan, dat al de lidmaten ' die belijdenis als de hunne moesten uitspreken, alleen, — o! heerlijke vrijheid der verlichte 19de eeuw — alleen men behoefde - niet zoo letterlijk met de dingen in te stemmen, er waren hoofdzaken en bijzaken in die belijdenis; en in de bijzaken en ondergeschikte stukken mocht men vrij denken en spieken en leeren wat men wilde, mits men in alles toch maar voor oogen hield, dat de Hervormde Kerk van nu in "geest" en „beginsel", in „hoofdzaak" en „karakter" dezelfde bleef als zij altijd geweest is: niet Roomsch, niet Luthersch, niet Remonstrantsch, niet Doopsgezind — neen, in geest en beginsel, in hoofdzaak en karakter Gereformeerd.
Nu moest men dat van moderne zijde eerlijk gaan erkennen.
We leven nu in andere tijden dan in 1816 of 1830 of 1870. 't Is nu 1912. We zijn in de 20ste eeuw.
In de eeuw waarin alles zoo goed mogelijk onderscheiden wordt en net gezegd wordt zooals het is.
En nu moest men van moderne zijde eerlijk gaan uitspreken: onze geestelijke voorgangers hebben wat willen spelen met woorden, om zoo de Hervormde Kerk in handen te krijgen, maar dat is toch niet eerlijk geweest en dat moet uit zijn.
De Hervormde Kerk is nooit principieel van modernen geest geweest.
Ook in 1816 niet.
De geest en hoofdzaak is altijd gegaan om het Evangelie van Jezus Christus in orthodoxen zin.
Met geweld heeft het modernisme wel over haar willen heerschen.
Maar nooit heeft men iets in de belijdenis durven wijzigen.
Nooit heeft men art. 9, later art. 11, durven wegnemen.
Men is blijven spreken van een „belijdenis" 'in de organieke reglementen, zoo goed als in de afgeleide reglementen.
Wel die belijdenis plukkend en heen en weer trekkend alsof 't een doode kip was.
Maar officieel heeft dan altijd weer deftig geklonken: denk er aan, gij allen die tot de Herv. Kerk behoort, dat gij de belijdenis handhaaft, dat gij op elkanders belijdenis toezicht houdt, en dat geest en beginsel, hoofdzaak en karakter bewaard blijft.
Wel schamper daarbij lachend.
Maar men heeft het toch gezegd, omdat men het moest zeggen, omdat men niet anders durfde zeggen.
Mee een historisch document voor de waarheid van onze stelling: de moderne moest zoo eerlijk zijn, dat hij ophield te beloven, wat hij niet van plan is te doen.
Dat mocht wel gebeuren!
In de Stemmen voor Waarheid-en vrede van April j.l. zet Dr. A. W. Bronsveld een Paaschpreek. En in die preek betoogt hij, dat het wel noodig is te verklaren, wat de christelijke gemeente van alle tijden gelooft heeft en nog gelooft aangaande Jezus en Zijn opstanding.
Wij gelooven ook, dat zulks nog maar eens duidelijk moet worden uitgesproken door ieder die "orthodox" is en dat de Kerk zelve vooral in deze zaak èn van de proponenten en van de belijdenis doende leden der gemeente een duidelijke verklaring moest gaan vragen.
Hier dreigt groot gevaar door de vele principiële afwijkingen van de aloude christelijke belijdenis.
Dr. Bronsveld schrijft dan:
„Laat ons allereerst verklaren, dat wij met de christelijke gemeente van alle tijden gelooven, dat de Heer, dien men op Vrijdagavond heeft neergelegd in het graf, op Zondagmorgen dat graf levend heeft verlaten.
Niet alleen Zijn geest is teruggekeerd uit het doodenrijk, maar HlJzelf; en Hij heeft Zich levend vertoond onder vele gewisse kenteekenen. De verrezen Heiland is geen geestverschijning, maar Zijn geheele, onverminkte persoonlijkheid, met haar herinnering, met haar liefde, met haar trouw.
De opgestane Heer is niet de geliefde leermeester, dien men dood had gewaand, maar die in het hart, voor 't geloof Zijner discipelen is gaan herleven.
Hij is óok niet de op Golgotha gestorvene, maar Wiens geest en woord onder ons nog hun kracht doen en invloed uitoefenen.
Wij mogen niet met woorden spelen; als wij het christelijk Paaschfeest vieren, herdenken wij de gebeurtenis, die ons in den Paaschtekst wordt verhaald; waarop Paulus in zijn Brieven gedurig zich beroept; ja, waarop de geheele christelijke Kerk is gebouwd. Is Christus niet opgestaan — dan is onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof."
Tot zoover Dr. Bronsveld.
Wij mogen niet met woorden spelen. Neen, dat mogen de modernen niet doen. Dat mag onze Ned. Herv. Kerk ook niet langer doen. Er wordt gespeeld met woorden. Met de woorden „geest" en „hoofdzaak" en „karakter". Waarmee bedoeld is dat de geest en de hoofdzaak en het karakter van de Hervormde, Christelijke leer zou bewaard, gehandhaafd, geëerbiedigd en bewaard worden.
Om bij de viering vain het Christelijk Paaschfeest de gebeurtenis te herdenken ons in den Paaschtekst verhaald.
Maar dat doen de modernen niet. Die ontkennen het paaschverhaal. Die verwerpen hetgeen waarop Paulus zich gedurig beroept in zijn Brieven. En daarom zeggen we : laat de Herv. Kerk, door de tegenwoordige tijdsomstandigheden gedrongen, zich in de proponentsformule en bij de belijdenisvragen zóo uitspreken, dat er met deze hoogstgewichtige'zaak niet gespeeld kan worden.
Er moet een verklaring geëischt worden in deze én van de proponenten én van de belijdenis afleggende leden der gemeente.
Ieder die staat op den grondslag van het geloof der Christelijke gemeente van alle tijden moet hier Dr. Bronsveld nazeggen: er mag niet met de heiligste'dingen gespeeld worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 mei 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's