De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onze Belijdenis.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze Belijdenis.

8 minuten leestijd

Art. 10a. Wij gelooven dat Jezus Christus naar Zijne Goddelijke natuur de eeniggeborene Zone Gods is, van eeuwigheid geboren: niet gemaakt, noch geschapen (want alzoo zou Hij een schepsel zijn); maar eenswezens met den Vader, mede-eeuwig.

XL.

Nadat de leer der Drieëenheid is afgehandeld, wordt in onze Belijdenis nog een afzonderlijk artikel gewijd aan den tweeden Persoon van het Goddelijk Wezen, den Zoon, en daarna nog een afzonderlijk artikel aan den derden Persoon, den Heiligen Geest.

Inzonderheid het leerstuk van de waarachtige en eeuwige Godheid van den Zoon, dat in art. 10 aan de orde van behandeling is, heeft in den loop der eeuwen niet weinig bestrijding gevonden en ook in onze tegenwoordige dagen is de vraag: wat dunkt u van den Christus; wiens Zoon is Hij ? de vraag die de geesten verdeelt.

Reeds in de dagen van 's Heeren omwandeling op aarde was dit een vraag waarop de antwoorden zeer verschillend waren. Dat de Heiland zelf de beantwoording dezer vraag van niet geringe beteekenis voor Zijn Koninkrijk achtte, bleek wel uit het antwoord dat Hij zelf eens op de bekende belijdenis van Petrus te dien opzichte gegeven heeft. Immers als Petrus op de vraag: wie zegt gij dat Ik ben? gezegd heeft: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods, dan heeft de Heere aan deze belijdenis Zijn goddelijk zegel gehecht, zeggende dat op deze belijdenis van Petrus Zijne gemeente zou gebouwd worden en dat zij, slaande op dien grondslag, door de poorten der hel niet overweldigd zou kunnen worden.

„ Hij heeft zich zelven Gods Zoon gemaakt." Dat was dan ook de beschuldiging, die straks tegen den Zoon des menschen werd ingebracht en waarop Hij als een Godslasteraar veroordeeld is. En niet slechts in de dagen van Jezus' omwandeling op deze aarde, maar ook daarna in den tijd der apostelen, ja ook in den naapostolischen tijd tot op onze dagen toe is de leer over de waarachtige en eeuwige Godheid van den Zoon eenerzijds krachtig verdedigd maar ook anderzijds fel bestreden geworden.

Onder de apostelen is het vooral de apostel Johannes die de Godheid van Christus op den voorgrond stelt. Wanneer hij dan ook aan het slot van zijn evangelie spreekt over het doel waartoe al deze dingen beschreven zijn, dan zegt hij dat dat is „opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon des levenden Gods en opdat gij geloovende het leven hebt in Zijnen Naam."

Daar was reden voor dat juist Johannes op dit leerstuk zoo sterk den nadruk heeft gelegd. Meer dan een der andere apostelen toch kwam hij in aanraking met kettersche richtingen, die wel geloofden aan de waarachtig menschelijke natuur van Christus, maar die het Goddelijke in niets anders zagen dan in een buitengewone mate van gaven en krachten des Geestes, welke Hem bij Zijne geboorte of doop door God waren toebedeeld. Volgens de gevoelens van deze ketters was Jezus wel een rijk begaafd mensch, een religieus genie, maar Hij was en bleef toch een mensch.

Het waren in de eerste plaats de Ebionieten die deze beschouwing over den Persoon van Christus waren toegedaan dat Hij een gewoon mensch was, die wegens Zijn zedelijke volkomenheid rechtvaardig werd verklaard en die dus alleen in dien zin als de Zoon van God kon aangemerkt worden.

En in de tweede plaats was het Cerinthus, de vader van het Gnosticisme, die beweerde dat Jezus niet uit een maagd was geboren, maar dat Hij een zoon was van Jozef en Maria, dus aan alle andere menschen gelijk, dat Hij echter alle menschen overtroffen had in gerechtigheid en wijsheid. Bovendien maakte Cerinthus onderscheid tusschen den mensch Jezus en den Christus die bij.den doop in de gedaante van een duif uit het Opperste Wezen op Jezus was nedergedaald, maar die ook later weer van Hem was weggevlogen.

Op het voetspoor van Ebionitisme eenerzijds en Gnosticisnie anderzijds is men ten allen tijde óf ter rechter-óf ter linkerzijde afgeweken van de leer die de Kerk van Christus omtrent de waarachtige en eeuwige Godheid van den Zoon heeft voorgestaan.

Een der voornaamste dwalingen, die de meest verstrekkende gevolgen had, was de leer van Arius. Deze is een der voornaamste bestrijders van de generatie des Zoons en Zijne wezens-eenheid met den Vader geweest. Arius meende dat God-zijn en Zoon-zijn een tegenstrijdigheid was. Wie God was, was volgens hem geen Zoon en wie Zoon was, was volgens hem geen God.

Volgens de leer van Arius was' Christus dan ook een schepsel des Vaders. Wel kon men zeggen dat Hij in tijd en lang aan heel de wereld voorafging, dat Hij het eerste van alle schepselen was en ze allen in stand en eere overtrof; maar een schepsel bleef Hij dan toch; er was dus een tijd dat Hij er niet was. In den tijd werd Hij evenals alle andere schepselen door den wil Gods in het aanzijn geroepen.

Door het Arianisme werd dus geloochend dat Christus de eeuwige natuurlijke Zoon van God is.

In de lijn van het Arianisme ligt het Socianisme; een stelsel dat in de 16e eeuw werd uitgedacht door twee juristen-theologen uit Italië, nl. Laelius en Faustus Socinus. Dit stelsel, dat vol is van allerlei tegenstrijdigheden, tracht den naam „Zoon van God" aldus te verklaren dat het eigenlijk Goddelijke er uit wijkt en dat de naam van God ondergaat in zwak, vrijwel zinledig geklank. De Socinianen nemen het uitgangspunt van Jezus' bestaan in Zijne ontvangenis. Vóór Zijn ontvangenis zou, volgens hen, de Zoon alleen in de gedachten des Vaders hebben bestaan. Alléén om Zijn ambt en krachtens Zijne verhooging zou Hij de Zoon van God zijn geworden. Deze naam zou dus niet eigenlijk bedoeld, maar slechts een hooggestemde eeretitel zijn.

Eveneens ligt in de lijn van het Arianisme het stelsel dat in ons Vaderland door de z.g.n. Groninger School is uitgedacht. Ook zij had bezwaar tegen het eeuwige Zoonschap van Christus en leerde dat Christus het eerste en voornaamste schepsel des Vaders was. Ja onder allerlei namen en vormen is de oude loochening van Christus' Godheid vooral in de 19e eeuw met nieuwe kracht opgeleefd; en het is vooral de moderne theologie geweest die, zij het ook uit nog weer eenigszins andere overwegingen dan de Groninger School, omdat zij aanvankelijk het voetspoor van Sabellius betrad, de benaming „Zoon van God" heeft opgevat in een louter zedelijke beteekenis, in denzelfden zin b.v. als waarin in zeker opzicht alle menschen en vooral de godvruchtigen kinderen Gods genoemd kunnen worden. Immers men kan niet ontkennen dat er in Christus iets is dat Hem van alle menschen onderscheidt en boven allen verheft. Maar dit Goddelijke, dat men in Christus erkent, beschouwt men niet als een deelhebben aan de Goddelijke natuur zelve, maar als een Goddelijke gave of kracht die in bijzondere mate aan Christus geschonken is.

Christus zou dus alleen in dien zin de Zoon van God zijn dat Hij het „volmaakte orgaan van Gods openbaring" is geweest en dat Hij alzoo voor ons de waarde van God verkregen zou hebben.

Men tracht dit dan te bewijzen met een aanhaling van die plaatsen der Heilige Schrift, waar alle schepselen van hoogere orde met den naam van kinderen Gods worden aangeduid.

En metterdaad, het mag niet ontkend dat er enkele plaatsen in de Schrift zijn waar de naam „God" op niet-Goddelijke wezens wordt toegepast. Zoo worden in Job 38 : 7 de engelen kinderen Gods genoemd. Zoo worden in Psalm 82 : 6 en 7 de overheidspersohen, voor zoover zij in Gods plaats ambtelijk optreden. Goden genoemd. En zoo worden herhaaldelijk ook de geloovigen kinderen Gods geheeten.

Maar toch blijkt duidelijk dat de naam „Zone Gods" aan den Christus wordt toegekend in geheel eenigen zin van het woord.

In eigenlijken zin geldt de uitdrukking „Zone Gods" alleen van den Heere Jezus Christus.

„Niet gemaakt, noch geschapen", maar „van eeuwigheid - is Hij geboren of gegenereerd. En die generatie is een absolute eeuwige daad van den Vader, waarbij het Goddelijk Wezen aan den Zoon is medegedeeld. Hierdoor is de Zoon eenswezens met den Vader. Denk maar aan het woord dat de Heiland volgens Johannes 5 : 26 gesproken heeft: gelijk de Vader het leven heeft in zichzelven, alzoo heeft Hij ook den Zoon gegeven het leven te hebben in zichzelven."

We zullen aanstonds gevoelen dat kan van niemand van Gods kinderen, dat kan van geen enkel overheidspersoon, dat kan zelfs van geen enkelen engel worden gezegd. Integendeel, „tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik u gegenereerd? "

Ja, de Vader heeft den Zoon van eeuwigheid uit de volheid van Zijn eigen Wezen geteeld. Er is dus geen oogenblik aan te wijzen dat de Vader zonder den Zoon was en evenmin is er een oogenblik aan te wijzen, dat de Zoon zonder den Vader zal zijn. Op grond van Gods Woord gelooven wij dan ook met het concilie van Nicea „in éénen Heere Jezus Christus, den eeniggeboren Zoon Gods, geboren uit den Vader voor alle.eeuwen. Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God, geboren en niet gemaakt, van hetzelfde Wezen met den Vader, door welken alle dingen gemaakt zijn."

{Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Onze Belijdenis.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's