Voor Jong en Oud.
6)
John Bunyan.
Giflfords prediking werd trouw gevolgd, bezoeken ten zijnen huize werden dikwijls herhaald „en Gifiords onderricht mocht, door Gods genade, veel tot mijn bevestiging toebrengen", zegt Bunyan later.
In Gifford hebben wij Evangelist" te zien. van wien Bunyan in zijn pelgrimsreize spreekt.
In heilige olieverf heeft Bunyan ons het portret van Gifford geteekend, op 't schoonst uitkomend aan den wand van Uitleggers huis.
Gifford zelf was met moeite aan de stad Verderf ontkomen en met Giffords hulp Bunyan evenzoo.
Bunyan zelf is die man in lompen en Gifford, die ook dat pak gedragen had, komt hem troosten en den rechten weg wijzen.
Gifford is de Evangelist, die door de vier arme vrouwen gezonden is, om met den ontwaakten ketellapper van Elstow te spreken.
Wonderlijk zijn de wegen des Heeren. Hoe had Gifford ooit kunnen denken, dat hij daartoe nog eens gebruikt zou worden — en Bunyan heeft er zoo grootelijks voordeel van genoten.
Veel bestrijding moest Bunyan nog doormaken.
Diepe wegen lagen nog voor hem.
Het was werk Gods dat aan zijn ziel begonnen was,
Maar de Heere blijft vrij in Zijn daden.
En wanneer Hij Zijn voetstappen langzaam zet, heeft Hij er Zijn goddelijk-wijze bedoelingen mee.
Stuk voor stuk moest afgebroken worden. Langzaam en pijnlijk. Maar 't moest alzoo komen tot die overvloeiende en rijke genade aan den grootsten zondaar bewezen. Die er dan vreugd bij smaken zou. Die het dan anderen ook zou kunnen vertellen, tot onderwijzing, waarschuwing, bemoediging en vertroosting.
Ver van de blijdschap des geloofs was Bunyan nog af. Hij voelde de gruwelijkheid zijner zouden al dieper en dieper en hij kwam tot de vraag of er voor hem wel hulp zou wezen. Hij kon niet gelooven, dat hij een voorwerp van Jezus' liefde kon zijn: vooral Marc. 3:13 viel hem daarbij zwaar om te verstaan. Want daar had hij gelezen: En Jezus klom op den berg en riep tot zich die Hij wilde en zij kwamen tot Hem."
Hij werd zoo neerslachtig. Jezus riep wie Hij wilde. En zou hij daar wel bij zijn?
Maar o! hij kon toch niet loslaten. Hij wenschte zoo vurig: „mocht ik in hun plaats geweest zijn! mocht ik Petrus geweest zijn; mocht ik Johannes geweest zyn! of mocht ik bij Hem geweest zijn en Hem gehoord hebben toen Hij hen riep; hoe zou ik het uitgeschreeuwd hebben: o Heere, roep mij ook! Want o, ik vreesde dat Hij mij niet roepen zou."
Maanden lang verkeerde Bunyan in dien toestand, dien hij later in zijn Pelgrimsreize teekent als hij spreekt over den poel „Mistrouwen."
De poel „Mistrouwen" is een van Bunyans meesterstukken.
In de beschrijving van dien poel bereikt hij zijn hoogtepunt in kracht en schoonheid van taal.
De hart-ontroerende bladzijde van dien poel is door de tranen van velen bevochtigd geworden, als zij daar lazen van hun eigen zonden en ellende, van hun eigen strijd en angst.
't Is de plaats waar voor't eerst hun zonde hen vond.
Daar is die zee van schuim en modder in dien poel, voortdurend opnieuw volstroomend uit de onderaardsche riolen uit de stad Verderf en de stad Stompzinnigheid, die nog 4 graden verder ligt en uit zooveel andere huizen en verblijven van menschen.
Wij zien Zijner Majesteits werklieden ten einde raad, daar zij niet weten, hoe met dien zondvloed van bezoedeling te handelen, die zich gestadig uitgiet in den poel, die hun bevolen is, af te leiden en droog te leggen.
Eeuwen aan eeuwen hebben 's Konings wegopzieners daaraan al hun kennen en kunnen besteed. Ontelbare wagenvrachten van het beste materiaal om den poel te dempen zijn daar ingeworpen, en gij kunt er even weinig van bespeuren alsof er één enkele arbeider zijn kruiwagen in geledigd had.
Zeker, door bekwame ingenieurs zijn er in den poel groote steenen gelegd, die den reiziger er veilig door zouden kunnen helpen, maar die zijn meestal zóo glibberig door opborrelend schuim en slijk, dat de reiziger alleen bij, uitzondering er vasten voet op kan zetten.
Bunyan maakt dat alles nu zelf door. En hij heeft niet zoo'n voorspoedige reis.
Want gebeurde het wel eens dat de steenen in den poel zoo hoog en droog lagen, terwijl het schuim en het slijk waren gezakt — waarbij de Pelgrim die er overging dan kon jubelen: „Hij heeft mij uit een ruischenden kuil, uit modderig slijk opgehaald en heeft mijne voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijne gangen vastgemaakt" — Bunyan is niet zoo gelukkig.
Of het kwam, doordat de toevloeiing uit de stad sterker en vuiler is, of de dag donkerder, of iets anders-'t wordt ons niet bericht - maar Christen en Gezeglijk waren in een oogenblik tot over de ooren in den poel! (Wordt vervolgd, )
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's