Uit het kerkelijk leven.
Leertucht.
In de Reglementen onzer Herv. Kerk is telkens sprake van „de belijdenis der Hervormde Kerk."
In art. 11 Alg. Regl. b.v. en ook in art. 3 Regl. Opzicht en Tucht. En dan zóo, dat het duidelijk uitkomt, dat die belijdenis geëerbiedigd moet worden. Dat predikanten, ouderlingen, gemeenteleden enz. met deze belijdenis rekening moeten houden, terwijl ieder onder de tucht valt, als hij toont met den geest en de hoofdzaak van „de belijdenis der Hervormde Kerk" in strijd te zijn.
Dan valt men onder de tucht.
En bij predikanten wordt dan art. 27 van het Examen in herinnering gebracht (de zoogenaamde proponentsformule) terwijl voor lidmaten der gemeente herinnerd wordt aan art. 39 Regl. op het godsd. onderwijs.
art. 39 Regl. op het godsd. onderwijs. Dat art. 39 van het Regl. o. h. Godsd. Onderwijs schrijft voor, dat bij de bevestiging van nieuwe lidmaten drie bepaalde vragen moeten worden gedaan, „althans wat betreft den geest en de hoofdzaak van de daarin vervatte belijdenis, verklaring en belofte."
Woordelijk behoeft men die vragen dus niet voor te leggen aan de nieuwe lidmaten. Maar wat de belijdenis betreft, die in die vragen uitkomt, daar mag men „in geest en hoofdzaak" niets aan veranderen.
Men vreesde dat het met de vrijheid in de Herv. Kerk wel eens spaak kon loopen. Dat ieder ging vragen wat hij wilde.
Dat ieder ging beloven wat hij wilde; zoo iets als „Ja — naar mijn opvatting." Maar daar heeft men voor gezorgd, dat zulks niet mogelijk zou zijn.
Vrijheid — goed!
Maar... niet ieder zijn opvatting.
Neen — de Kerk heeft een belijdenis, de Kerk vraagt een verklaring, de Kerk eischt een belofte (zie art. 39 Regl. Godsd, onder w.) en nu moet ieder — bij al de vrijheid die men overigens heeft — in de Herv. Kerk die kerkelijke belijdenis, verklaring en belofte afleggen, althans wat „geest en hoofdzaak" betreft.
't Is dus zoo duidelijk als wat, dat niemand mag zeggen: „ja — naar mijn opvatting."
Dat is anarchistisch. Kerkverwoestend. Brutaal. Ongemanierd.
De eenvoudigste regelen van kerkrecht bewijst men dan niet te kennen.
Of ze brutaal en moedwillig te willen vertrappen.
Neen, neen — onze Herv. Kerk heeft een belijdenis.
Nu gaat het er maar om, wat met geest en hoofdzaak bedoeld wordt.
Want die uitdrukking „geest en hoofdzaak" is een onmogelijk ding.
Wat de moderne gewild heeft, om er tusschen uit te springen.
Maar dat de orthodoxe gebruiken moet om bij brutale verwerping, van wat volgens zijn eerlijke overtuiging „geest en hoofdzaak" van de Herv. belijdenis is, het reglement van Opzicht en Tucht toe te passen en al het mogelijke te doen om naar art. 11 Alg. Regl. de belijdenis der Kerk te handhaven.
Dat kan nooit iemand hem kwalijk nemen.
Allerminst de moderne, die hem dat mes in de handen gegeven heeft.
Dus als iemand geest en hoofdzaak van de belijdenis niet aanvaardt kan op hem een tuchtmiddel worden toegepast. Dat is buiten twijfel.
En dus als iemand b.v. niet gelooft in Jezus' lichamelijke opstanding en de Bijbelsche wonderen valt hij — volgens een gewoon orthodox Hervormd mensch, onverschillig of hij Dr. Bronsveld, Dr. Kromsigt of Dr. de Lind van Wijngaarden heet — onder de tucht.
Doch ziet — dat wil de moderne nu maar niet toestemmen.
Het Weekblad v. d. Vrijzinnige Hervormden b.v. zegt nog maar weer eens, dat, wanneer gevraagd wordt: „belijdt gij te gelooven in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde en in Jezus Christus, Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heere, en in den Heiligen Geest? " — dan zullen sommigen de hoofdzaak van de heele vraag gelegen achten in het woord „eeniggeboren" — en op grond daarvan in élk geval instemming eischen met het leerstuk van de Godheid van Christus.
Anderen zullen daarentegen dat als iets bijkomstigs beschouwen en met nadruk als hoofdzaak voorop stellen het geloof in God den Vader en dus geen genoegen nemen met een leerstellige overtuiging, die het geloof in Gods liefde niet tot zijn recht laat komen.
Dus — volgens het Weekblad v. d. Vrijzinnige Hervormden — zou geest en hoofdzaak van de vraag, die van een drieëenig God spreekt, nog behouden kunnen worden als ... de Godheid van Christus en de Godheid van den H. Geest geloochend wordt!
Heeft men nu ooit iets gehoord, dat nog meer gewrongen is dan een dergelijke uitlegging?
Men moest toch verstandiger zijn.
En als het Weekblad dan zegt: „het kan natuurlijk niet worden overgelaten aan het persoonlijk inzicht der bestuursleden te bepalen wat „de geest en de hoofdzaak van de belijdenis der Hervormde Kerk" is, want dan zou een groote rechtsongelijkheid daarvan het gevolg zijn", dan zijn we het daar in hoofdzaak mee eens.
Maar wie hebben dat juist gewild? Immers de vrijzinnigen, om vrij te zijn elke belijdenis in de Herv. Kerk te importeeren.
En we vinden ook, dat de tijdsomstandigheden het hoe langs hoe duidelijker maken, dat een nadere verklaring in het midden van onze Herv. Kerk noodzakelijk is, opdat er niet langer gespeeld worde met woorden; en opdat de grondwaarheden van de Christelijke Kerk in het midden van onze Herv. Kerk niet langer worden geloochend — onder toejuiching van velen, die wijzer moesten zijn en eerlijker positie moesten innemen op kerkelijk terrein.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's