De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

En het geschiedde, als Hij ze zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel. Lukas 24:51.

Hemelvaart.

Nooit verwelkt het schoon van Gods heilsdaden. Het parelsnoer dier wondere feiten, die in de volheid des tijds den gang van het geschapene leven hebben omgezet, verdonkert nooit in glans. Uit heel dien keten des heils kan geen enkele schalm gemist, of de redding van verlorenen zou onmogelijk zijn.

Daarom verdient 't ook geen aanbeveling deze heilsfeiten als meer-of minder-gewichtig te onderscheiden. Al is 't waar, dat 't peinzen der ziele, mede naar gelang der levensomstandigheden, nu eens meer het eene, dan weer meer het andere dier onvolprezen wonderen zoekt, gevraagd moet, of zich hierin niet vaak mengt het gebrek der menschelijke eenzijdigheid, die in de veelheid der schatten van Gods' Waarheid zoo lichtelijk 't een kiest ten koste van 't ander.

Dat is niet goed. Dat baart verwijdering en heeft tengevolge, dat samenstemming en harmonie worden gemist in de Gemeente des Heeren.

Wel kan de rijkdom van het leven, dat uit God is, niet ten volle in ééne ziel ontvouwd, en is de Gemeente daarvan eerst de volle ontluiking, doch dit ontaarde bij den enkeling nooit in eenzijdigheid, die noodeloos verarmt en strijdt met 't woord des Apostels: alles is uwe.

Dat daarom ook naar het Evangelie van de Hemelvaart de aandacht zich strekke, opdat ook daarvan de rijkdom geopend en de heerlijke zin te zijner plaatse worde ingevoegd in het mozaïek der verlossing.

Hemelvaart is de tweede trap in den staat van Immanuels verhooging; de tweede mijlpaal op Zijn weg uit de diepte naar Omhoog.

Hier spreidt de bloesem van den boom der verlossing, door Christus in de diepte geplant, heur lieflijke geur. Straks valt de voldragen vrucht der Gemeente in den schoot, als de Geest des Troosters in haar wonen komt.

Hemelvaart is het feest der heilige verheuging. Allereerst over den Christus zelf.

Men heeft gezegd: op Hemelvaartsdag viert de Gemeente het Kroningsfeest van haren Koning.

En daarin is waarheid.

Immers, als Immanuel opvaart voor 't oog Zijner jongeren, en straks de Vader Hem in de wolk, die aan 't oog dergenen, die Hem nastaren. Hem onttrekt, tegentreedt, en de engelenkoren Hem met gejuich omstuwen, dan is Hij niet slechts de Zoon, die na volbrachten arbeid blijde weerkeert in het Vaderhuis, maar ook de Koning, Die over Zijne verlosten het bewind aanvaardt, en den troon bestijgt, die 't loon is voor den arbeid Zijner ziel.

En daarom, waar bij de overdenking van des Middelaars lijden de weedom, die Hem verbrijzelt, naschrijnt in de harten der Zijnen, daar kan 't niet anders of de glorie, die Hem nu omstralen gaat, moet ook 't hart, dat Hem mint, in vreugdegloed koesteren.

Die den Heere Jezus in onverderfelijkheid liefheeft, mag niet koel blijven onder Hemelvaart, en kan het ook niet, als 't wèl is.

Wie met bewogen ziel Jezus volgde, toen Hij in den gruwelnacht van het verraad door het Kedrondal naar Gethsémané ging met de elven; wie toen beluisterde het klagend fluisteren der olijven over Hem, Die worstelde neergebogen in 't stof der aarde: „een Man van smarten, en verkocht in krankheid" wie het Lam zag op den kruisweg, gebogen onder de schandpaal, om daarna op Golgotha verbrijzeld te worden om „onze ongerechtigheden" ; die moet 't met verheuging zien, dat Immanuel nu weer ter poorte uitgaat, weer 't pad naar den Olijfberg bestijgt, maar nu tot beter dan worsteling en vloekdood, nu opdat Hij der wolken zegewagen zal beklimmen, om in te gaan in eeuwige glorie. Nu, opdat vervuld worden zal 't woord van den psalmist: „Heft uwe hoofden op, gij poorten! en verheft u, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der eere inga."

De klaagzang van Gethsémané's olijven is verstomd; zacht ruischt ter eere van den Koning een kroningslied door den tuin der schepping.

De nacht van Golgotha is doorbroken door den morgenstond van het eeuwige licht. De nevelen van den kruisweg zijn weggevaagd door de Zonne der gerechtigheid.

Uit het diep der vernedering Mimt de Zoon des menschen op naar 's hemels troon, opdat blijken zal, dat Zijns is al de macht in hemel en op aarde. 

Daarboven stemmen reeds de englenreien harp en lied, opdat machtig den hemel zal doorbruisen de zegezang des Overwinnaars, Die huiswaarts keert van het slaan der hellemacht.

Het spotkleed der versmading is afgelegd. - Zelf hangt Hem nu de Vader 't Koningshermelijn om.

Kan het, mag het anders, of de Bruid juicht van beneden heur Bruidegom in heerlijkheid toe?

Zoo zij 't dan bij u, lezer.

Maar bij de vreugde om Hem, Die uit het dal der vernedering opklom en bezit nam van 's hemels troon, voege zich nu voor allen, die door dezen Middelaar hopen zalig te worden, de blijdschap in Jezus, Die ten hemelvoer.

Daarvoor toch is stoffe te over.

De vrucht van 's Heeren hemelvaart voor Zijne Kerk is onuitsprekelijk rijk.

En die vrucht schuilt hierin, dat Hij ook bij dit heilswonder, dat Hem met eeuwige eer kroont, niet ophield Borg-Middelaar voor de Zijnen te wezen. Niet slechts in den staat Zijner grondelooze vernedering, maar ook in dien van Zijne glorieuze verhooging draagt Hij op Zijn Hoogepriesterlijk harte 't bundelke der levenden, waarin allen zijn saamgebonden die geen anderen grond der hope en der zaligheid kennen dan Jezus alleen.

Niet slechts voor den met triomf omgorden Zoon des Vaders, maar ook voor den Borg en het Hoofd van een in zichzelf verdoemelijk zondaarsvolk, zijn de eeuwige deuren gerezen en heeft de hemelpoort den boog verhoogd.

't Is dit woord des apostels, dat Hemelvaart kleurt met een warmen gloed van zalige weelde, dat één plan te met Christus zal zijn in de gelijkmaking van Zijne heerlijkheid, al wie 't met Hem werd in Zijnen dood. Wat van Hemelvaart de vrucht is voor de Kerk?

Maar gaat Hij dan nu niet heen, om daarboven in 't Vaderhuis de woningen in gereedheid te brengen, opdat allen, die in Christus sterven, rust en vrede zullen smaken tot in eeuwigheid?

Was dan de hemelpoort niet met zeven grendelen gesloten voor eiken zondaar, die deed wat kwaad is in de oogen des Heeren? En wie is het, die den cherub het vlammig lemmet uit de hand zal nemen, en 't vervange door de cither, wier vredezang het verloren kind-lokt naar 't Vaderhuis ?

Wie is machtig en waardig bevonden dan Jezus alleen?

Als Borg is Hij in 't binnenste van het heiligdom ingegaan, en u ten goede is Hij daar, o strijdende Kerk.

Zijn Hemelvaart is profetie en beginsel van de uwe, zuchtend Sion. Zou in Hem zich dan niet verblijden en van vreugde opspringen elke zondaar, die onder Zijne vleugels een toevlucht zoekt? Is dit niet de heerlijkheid van Hemelvaart, dat Christus van omhoog 't elken strijder toeroept: Waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn. Ja, in beginsel zijn al de Zijnen met Hem door den Vader in den hemel gezet. Daar moet hun hart, daar moet hun wandel zijn, want daar is hun schat!

Hemelvaart heeft voor 't strijdend Sion den gezichtskring verruimd; verruimd met een blik in 't land der eeuwige bevrijding. De bres is gebroken; ja de scheidsmuur is gevallen tusschen hemel en aarde.

Christus, Die ten hemel vaart, brengt den hemel in 't hart Zijner gekochten, en straks hen in den hemel.

Als Christus niet als de Borg der Zijnen als het Hoofd des lichaams in den hemel was, ach, dan zou nimmer aan 't pijnlijke: „Wij hebben hier geen blijvende stad", kunnen worden toegevoegd het hoopvolle: „maar wij zoeken de toekomende."

Immanuels Hemelvaart heeft door hare heerlijke vrucht aan 't „gasten en pelgrims hier beneden" zijn prikkel ontnomen.

Voor wie beter vaderland wacht, is het geen ramp, dat het tegenwoordige slechts tijdelijk is, en zeer haast zal voorbijgaan.

Hemelvaart leert ons niet te verachten onze aardsche roeping; doch doet ons zien, dat wat slechts leerschool is niet als einddoel mag worden beschouwd; eischt van ons, dat we in het land onzer doorreize tenten slechts en geen vaste gebouwen zullen bewonen; en dan ook de pinnen dier tenten nog niet al te vast in den bodem te drukken. En dat te leeren hebben wij noodig, die uit de aarde aardsch zijn. Dat predikt ons die hoogste Profeet, Die ook in Zijn Hemelvaart eenig Leeraar Zijner Kerke blijft.

Niet slechts Leeraar en Profeet, ook Priester, Voorbidder, Voorspreker blijft Hij, de gekroonde Borg. Zijne onuitsprekelijke hemelglorie drijft Zijn op aarde worstelend volk niet uit Zijne gedachten; doet Hem nooit vergeten, dat Hij arm geworden was om armen rijk te maken.

Niet slechts zit Hij op den troon, maar ook staat Hij bij 't outer der verzoening in het binnenste heiligdom.

Zijn werk is volbracht eens, en 't wordt volbracht altijd door nog; en die twee strijden niet met elkaar. Nu is de tijd des oogstes. De schoven worden nu ingehaald in de hemelsche voorraadschuren. En die nog op 't veld staan, moeten bewaard tot ook hun ure komt.

Wie maakt de schuld niet alle dagen meerder ?

Wie kan den avond, van welken dag ook, maar anders eindigen dan met de tollenaarsbede: o God, wees mij zondaar genadig?

Wie waagt 't in te gaan tegen 't woord des apostels: indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, zoo maken wij God tot een leugenaar, en Zijn woord is niet in ons? Wie ? Maar immers geen, die 't wèl meent.

Maar wat is, dan liefelijker vertroosting voor dit door nieuwe schuld bezwaard gemoed dan dit, dat 't kleed der verzoening, dat Jezus omhoog spreidt voor 't oog des Vaders over onze zonde, volkomen toereikt om alles te bedekken ?

Zondevernieler blijft Hij voor u, tot aan uw jongsten snik, kind des Heeren; en ge­lukkig voor u, want uw jongste snik zal, als 't wel is, nog klagen over uw zondeschuld, maar — God geve 't — ook roemen in de trouw van dien Rotssteen, Wiens werk volkomen is.

O lezer, dat ge met een heilbegeerig, toegenegen harte Hemelvaart's rijkdom moogt naspeuren, opdat ook dit heilsfeit werkelijkheid worde voor uw gemoed en in uw leven, opdat het met zijn glans uw pad bestrale, waar 't veelszins gaat door aardsche donkerheid.

Iets van 't Evangelie van Christus' Hemelvaart werd ons duidelijk; de volkomen vruchtgenieting derzelve toeven nog totdat de Bruid bij Hem is, voor altijd bij Hem, Dien heur ziele mint. Maar God de Heere oefent door Zijn Heiligen Geest de invloed van Hemelvaart over ons.

Laat u, zoo gij de zonde nog dient en voor de wereld nog buigt, ontrusten, dat aan Jezus alle macht werd gegeven, dat Hem de scepter werd toebetrouwd, een ijzeren scepter voor wie Hem vijand zijn. Zoó kome 't bij u nog tot dè hoogst ernstige vermaning des dichters : „Kust den Zoon, opdat Hij niet toorné en gij op den weg vergaat".

Stel u niet tegen Hem ; dat baart u eeuwigen weedom. Maar buig u voor Hem neer; vraag Hem ook uw ziele te redden van't grijpend verderf; en ge ervaart, dat Hij nog Dezelfde is, Die eens verlorenen zocht. Dan zegent u Zijn scepter, dan dekt u Zijn schild, dan wacht u de woning in 't Vaderhuis door Hem u bereid.

Weest dan niet versaagd, gij die Jezus zoekt! U zal 't licht opgaan in de duisternis. Hier deelt ge 't kruis, straks de kroon met Hem, Die bij u blijft tot aan de voleinding der wereld!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's