Voor Jong en Oud.
John Bunyan.
7)
Daar worstelden zij beiden in den poel, maar de man met het pak op zijn rug zonk met elke worsteling dieper in het slijk, terwijl zijn buurman, die geen last droeg, in plaats van hem te hulp te komen, zich uit den poel werkte aan dezelfde zijde waar hij er in gekomen was en zich toen zoo snel mogelijk wegspoedde, terug naar de stad Verderf, van waar hij gekomen was en waar zijn familie woonde.
Christen worstelt voort. Hij deed al wat hij kon, om de andere zijde te bereiken, tot eindelijk een man. Bijstand genaamd, hem de hand reikte en op drogen grond trok.
Dezen weg moet Bunyan niet tevergeefsch door maken.
Als de zondaar ontwaakt en zijn verloren staat ziet, ontstaan er in zijn ziel veel vrees en twijfel en moed-benemende overleggingen, die zich allen samen voegen en samen vormen dien poel van slijk en modder, waarin geen vasten grond te voelen is.
Bunyan zelf zegt: Mijn aangeborene, inwendige onreinheid, die, die was mijn plaag en kwelling. Ik zag, dat die zich telkens op een schrikkelijke wijze in my openbaarde, daarvan gevoelde ik de schuld zoo zeer, dat ik in mijn eigen oogen walgelijker was dan een pad en naar ik oordeelde ook noodzakelijk in de oogen Gods moest wezen. De zonde en de verdorvenheid bobbelden even natuurlijk in mijn hart op als het water van een fontein. Ik dacht nu, dat ieder een beter hart had dan ik. Met elk zou ik het hebben willen ruilen. Het scheen, mij toe, dat niemand mij gelijk was in inwendige goddeloosheid en onreinheid des harten dan de duivel zelf. Daarom verviel ik door het gezicht op mijn eigen snoodheid tot diepe wanhoop, ik kwam tot het besluit dat de staat, waar ik in was, niet bestaan kon met den staat der genade. Het is zeker, dacht ik dat ik van God verlaten ben; gewisselijk ik ben aan den duivel en aan een verworpen gestalte des harten overgegeven."
Dikwijls bad hij: Heere breek deze koperen deuren en houw deze ijzeren grendelen aan stukken! " (Ps. 107 : 16) en bij tijden ja, mocht zijn ziele een weinig bemoedigd worden door het woord „Ik zal u gorden, hoewel gij Mij niet kent" Jes. 45:5.
„Terwijl ik" — zoo schrijft Bunyan — „terwijl ik dermate gekweld werd door vrees voor mijn eigen verdoemenis, waren er twee dingen die mij verwonderden: het eerste was, dat ik oude menschen de dingen van dit leven zag najagen alsof ze hier altijd zouden blijven ; en het andere was, dat ik belijders bovenmate bedroefd zag en neergeslagen door uitwendige verliezen, die hen troffen, als van man, vrouw, kind enz. Heere! dacht ik, wat maken de menschen toch veel drukte over zulke kleine dingen! Wat een zoeken naar vleeschelijke dingen bij den een; welk een verdriet bij het verlies daarvan bij den ander! Indien zij zooveel moeite hebben van de dingen van dit leven en daarover zooveel tranen storten, hoe heb ik dan niet te weenen en te klagen! Hoe heb ik dan niet grootelijks behoefte aan voorbede en troost. Want mijn ziel is stervende; mijn ziel is verdoemd. O! ware mijn ziel slechts in goeden staat, of ware ik er maar van verzekerd, dat mijn ziel zal behouden worden hoe rijk zou ik mij achten al had ik dan maar brood en water tot mijn verzadiging."
„De mensch is inderdaad door de schepping het edelste van alle schepselen in de zichtbare wereld. Maar door de zonde heeft hij zich zelf het onedelste gemaakt. De beesten, vogels, visschen, enz., ik zegende hun toestand ; want zij hebben geen zondige natuur; zij zijn niet blootgesteld aan de gramschap Gods; zij gaan na den dood niet in het helsche vuur - — o! ik had kunnen juichen indien mijn toestand geweest ware als die van éen hunner."
„In dezen toestand bleef ik langen tijd, maar toen de tijd der vertroosting gekomen was, hoorde ik iemand prediken over déze woorden: Zie, gij zijt schoon, mijne vriendin! gij zijt schoon !" (Hoogl. 4 : 1).
Vooral aan déze woorden had ik veel: „indien het zoó is, dat de verloste ziel Christus' liefste is, zelfs onder verzoeking, aanvechting en verlating, dan, o arme, aangevochtene ziele, wanneer gij wordt besprongen en gekweld door verzoekingen en door de verberging van Gods aangezicht, denk dan steeds aan deze twee woorden: MIJNE VRIENDIN."
Bunyan mocht van deze woorden veel troost ontvangen. Ze werden hem een jubellied. Hij mocht nu gelooven, dat zijne zonden hem vergeven zouden worden.
Maar helaas! binnen minder dan veertig dagen begon hij weer opnieuw te klagen als te voren.
Satan besprong hem. Al de vertroosting was weg. Duisternis overviel hem. En zelfs kwam het zoó ver, dat een stortvloed van lasteringen tegen God, Christus en de Heilige Schrift over zijn ziel werd uitgestort. Die lasterlijke gedachten deden vragen in hem opdoemen zelfs tegen het bestaan van God en van Zijn eenigen geliefden Zoon: of er wel waarlijk een God en een Christus was?
{Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 mei 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's