Staat en Maatschappij.
Een gewichtige beslissing.
Wanneer dit nummer in handen onzer lezers is, zal de Raad van de gemeente Rotterdam naar alle waarschijnlijkheid zijn oordeel hebben uitgesproken met betrekking tot de vraag: of daar ter plaatse het houden van optochten met muziek op Zondag veroorloofd kan zijn en in hoeverre het spelen op gemeenteterrein op dien dag toelaatbaar is te achten. Dit hoogst gewichtige punt is althans op de agenda van den Raad geplaatst en op Donderdag 23 Mei aan de orde gesteld.
Men zal zich, uit hetgeen wij eenigen tijd geleden over deze aangelegenheid schreven, herinneren, dat de kwestie van „het houden van optochten en het spelen op Zondag", een punt van bespreking in het college van B. en W. heeft uitgemaakt en dat over deze kwestie door het dagelijksch bestuur praeadvies aan den Raad werd uitgebracht.
De conclusie, waartoe het prae-advies ten aanzien van het eerste punt kwam, is, dat B. en W. den Raad in overweging geven om den wensch uit te spreken dat de burgemeester voor den vervolge bij de aan hem staande beslissing tot het houden van optochten op den Zondag geen vergunning meer zal verleenen.
Stond op dit punt de tegenwoordige rechtsche meerderheid eenstemmig, men weet daarnaast dat ten opzichte van een advies aan den Raad om tot beperking van het 'spelen 'op den Dag des Heeren te geraken, er geen meerderheid in den boezem van het college te verkrijgen was.
Naar in de laatste weken bekend werd, moet — en wij betreuren dit — de Christ. Hist, wethouder te dezer zake de zijde van den vrijzinnigen burgemeester gekozen hebben. Naar luid van hetgeen in het slot van het praeadvies gezegd Werd, was dit lid van oordeel dat voor het tegenwoordige en zoolang het ontwakende volksgeweten zich niet sterker en algemeener dan thans uitspreekt, niet verder behoorde gegaan te worden dan tot een maatregel, waardoor voor het vervolg wordt voorkomen, dat reeds gedurende den Zondagochtend van de gemeentelijke terreinen of straten voor de eigenlijke wedstrijden en voor vliegdemonstraties en dergelijke gebruik wordt gemaakt.
Zoo de zaak staande deelden B. en W. mede, dat het voorstel om de terreinen van de gemeente op den Zondag niet vóór 1 uur des namiddags open' te stellen bij het college geen meerderheid heeft gevonden, zoodat het op dit punt geen conclusie voorstelt, die tot ingrijpende verandering in de gevolgde beschikbaarstelling aanleiding geeft.
Dat wij bij dit zoo belangrijke prae-advies, waarbij de Zondagsheiliging van zoo nabij betrokken is, nog even willen stilstaan, vindt zijn grond in een tweetal redenen.
In de eerste plaats komt ons het oordeel, dat door den Raad zal worden uitgesproken, als eene zaak van het hoogste gewicht voor. De beslissing, die te Rotterdam zal worden genomen, is een gebeurtenis van groote beteekenis, welke ook van grooten invloed zal worden op besluiten, die in andere gemeenten voor dergelijke aangelegenheden zullen worden uitgevaardigd.
Allicht geven de besluiten, die in groote gemeenten worden genomen, de richting aan welke in kleinere gemeenten wordt gevolgd. Maar bovendien zal bij eene beslissing, zoo zij in onzen zin genomen wordt, de prikkel voor onze mannen in andere gemeenten liggen om van gemeentewege op meerdere Zondagsheiliging aan te dringen.
En in de tweede plaats stelt het prae-advies, dat door B. en W. van Rotterdam aan den Raad werd uitgebracht, in algemeenen zin het vraagstuk van de Zondagsrust ook voor de landsoverheid weer aan de orde. Schier bij elke gelegenheid toch, dat de Zondagswetgeving ter sprake komt, blijkt het dat de Wet van 1815 dringend herziening eischt. Vooral in onze groote gemeenten steekt men met die Zondagswet den draak. Het is alsof de Zondagswet niet meer bestaat. Daarom zal het te bezien slaan of, zoo tot herziening der wet wordt overgegaan, alle beleid ten deze ook voor den vervolge nog aan het hoofd der gemeente mag worden overgelaten. Ons Christenvolk ergert zich — en terecht — aan de toenemende ontheiliging van den Dag des Heeren. Wedstrijden en sportfeesten zijn des Zondags aan de orde van den dag. En het is niet voor het minst dit dat zoo grieft, dat. die alles geschiedt onder goedkeuring en vaak ook met hulp van de gemeentelijke of van de landsoverheid.
Eere daarom aan de mannen die te Rotterdam zoo krachtig en energiek handelen.
Dat, om nog even tot Rotterdam terug te keeren, er nog heel wat in den Raad over deze zaak te doen zal zijn, blijkt wel uit de protestvergaderingen, welke tegen het praeadvies van B. en W. belegd werden en uit de moties, die van verschillende kanten tegen dit advies werden aangenomen.
Op de meest fanatieke wijze werd het praeadvies èn door vrijzinnigen èn door sociaaldemocraten besproken. Het orgaan der Vrijzinnig-democraten „De Wereld' schreef als opschrift boven een door haar redactie gesteld artikel „Dappere Christenen!" Het orgaan noemt de conclusies „laffe reactie."
Een enkel staaltje uit het artikel moge aantoonen, hoe vijandig de redactie tegenover het prae advies staat:
Drie wethouders, zoo zegt het blad, willen de gemeenteterreinen voor lichaamsspelen zien geweigerd des middags voor' 1 uur. De wedstrijden zelf onmogelijk maken durven ze niet, daarom willen ze voor de clubs, die geen eigen terrein hebben, de oefeningen onmogelijk maken.
Maar de vierde wethouder, die mèt deze drie de meerderheid vormt, wil in zijn jammerlijke zwakheid tegenover den verdervenden geest dezer volkssport ook zelfs dat niet, en wil alleen des Zondagsvoormiddags geen eigenlijke wedstrijden zien plaats hebben. Dan is de schijn gered en het geweten stil. Welk een Farizeïsme!
En ten aanzien van het verbod tot het houden van optochten, heet het in hetzelfde blad:
Maar de optochten, d. i. de gelegenheid voor de arbeidersbeweging om op den éénigen dag in de week dat zij kunnen, op ernstige, waardige wijze, zonder de minste uitspatting, maar veeleer in een geestdrift die de bezieling verraadt waarmee hoogere, ook zedelijke, belangen gediend worden ; die nooit een godsdientstoefening verstoren of zelfs maar hinderen; die zich steeds onderwerpen aan de voorschriften der politie, en waarbij nog nimmer iets is voorgevallen wat tot optreden noopte — die moeten vallen.... omdat ze voor de kerkgangers hinderlijk zijn?
Neen, natuurlijk! Maar omdat het de manifestaties van politieke en maatschappelijke tegenstanders zijn, die nu eenmaal bij de christenkiezers niet in de geur staan, en die daarom getroffen moeten worden.
Op gelijke wijze hebben ook de Socialisten van hunne vijandige gezindheid ten opzichte van de kloeke daad van het dagelijksch bestuur kennis gegeven.
In eene vergadering, welke op 18 April 11. te Rotterdam gehouden werd en waarin bet sociaal-democratische raadslid de heer Spiekman als woordvoerder optrad, werd, naar de N. R. Ct. meldt, de volgende motie met algemeene stemmen aangenomen:
De openbare vergadering, enz., gehoord de inleiding,
van oordeel, dat onder het mom van Zondagsheiliging en Zondagsviering, het in het prae-advies aanbevolen verbod zou inhouden verbod van Mei-en kiesrechtoptochten' en dergelijke op Zondag;
dat indien overeenkomstig het streven vaneen deel van het college van B. en W., door den raad een besluit genomen werd, aan zeer nuttige sportoefeningen groote belemmering in den weg gelegd zou worden;
dat noch politieke en aibeidersbetoogingen, zooals zij in Rotterdam tot nu worden georganiseerd, noch de sportoefeningen of muziekoptochten op andere dan gezochte en farizeesche argumenten geacht mogen worden tot ontheiliging van den Zondag aanleiding te geven of mede te werken;
protesteert ten sterkste tegen elke poging om door middel van gemeentelijke verordeningen of op andere wijze de propaganda voor politieke en vakorganisatie te belemmeren,
en komt in het belang van de volksgezondheid en de lichamelijke ontwikkeling op tegen het streven om de burgerij door middel van overheidsbepalingen af te houden van sport en dergelijke.
In gelijken toonaard is ook een adres geschreven, dat namens de Federatie Rotterdam der S. D. A. P. en den Rotterdamschen Bestuurdersbond naar aanleiding van het praeadvies aan den Raad werd opgezonden.
Het slot van het adres luidt:
Het houden van een manifestatie op Zondag te verbieden, achten adr. een politieke gewelddaad, waartegen zij, namens de organisatiën, zoo krachtig mogelijk protesteeren; slechts krenking van het rechtsgevoel en verbittering zou er het gevolg van zijn.
Uit een en ander wat wij hierboven citeerden, blijkt de stemming welke onder Vrijzinnigen en Sociaal-democraten heerscht. Wij vinden hier een voorproefje in van hetgeen ter Raadsvergadering zal gesproken worden.
Het laat zich aanzien dat de strijd ongemeen heftig zijn zal.
Wij hopen dat alle man van rechts voor het beginsel, dat ook de gemeentelijke overheid eene roeping heeft ten aanzien van het eeren van den Sabbath pal zal staan en den standaard fier zal ontplooien.
En vereenigt dan de meerderheid van den Raad zich met de conslusies uit het praeadvies, dan verzette de Burgemeester zich niet tegen de beslissing, maar hij voere het besluit op loyale wijze uit.
Onder 's Heeren gunst moge op den strijd eene heerlijke overwinning volgen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 mei 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's