Stichtelijke overdenking.
Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze reehtvaardigmaking. Rom. 4:25.
Feiten en vruchten.
Daar worden vele pogingen aangewend om iets te vinden in den mensch, dat als reden kon gelden, waarom de Heere naar hem omzag. En die pogingen zullen niet worden gestaakt, 't Geslacht is niet uitgestorven, 't welk zoekt naar „geschiktheden" en „aanknoopingspunten". Van 't heimwee der ellende tot den „ingebeelden adel des menschelijken geslachts", zijn heel wat sporten gemaakt om toch de genade des kruises te verdonkeren of weg te cijferen.
En om maar niet in de belijdenis van 's Heeren welbehagen te eindigen, ('t bleek me nog dezer dagen) wil men liever spreken „het raadsel der persoonlijkheid."
- Weet--men dan niet, —wil men dan niet erkennen, dat het kruis van Christus de bijl is aan de wortel van elkén roem des vleesches? Wil men dan niet zien, dat elke poging om het vleesch op te richten, te kort doet aan den overvloed van rechtvaardige genade ? 't Schijnt wel zoo.
Salomo sprak reeds van een, die zich zelven rijk maakte en... niet met al heeft en van een, die zichzelven arm maakt en hij heeft veel goed.
Paulus getuigt van de Joden, dat zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen en hunne eigene gerechtigheid zoeken op te richten, d. w. z. deze als echte munt in het Koninkrijk Gods zochten erkend te krijgen. Hadden ze van de noodzakelijkheid en heerlijkheid van Gods gerechtigheid (d.i. die door Hem wordt medegedeeld en toegepast) kennis bekomen, zij zouden met de inbeelding hunner gerechtigheid geenen vrede meer hebben; maar juist, 't is duidelijk, die ingebeelde rijkdom, die valsche munt, doet hun de echte niet waardeeren noch zoeken.
Alle gedachten aan zelf-hulp sluiten Gods hulpe uit; „gansch hulploos tot Hem gevloden, zal Hij ten Redder zijn."
Geen mensch kan zich der gerechtigheid Gods onderwerpen, tenzij hij sterve aan zijne eigengerechtigheid.
Het algemeen zeggen : „door den dood tot het leven" heeft een diepe nadrukkelijke beteekenis.
Deze dingen komen op den voorgrond als de gedachten aan Golgotha en den Olijfberg zich vermenigvuldigen.
Wij zijn, geachte lezers, niet onder degenen, die de stroomende wateren van machtige rivieren ons denken, zonder Gods bergen, waardoor ze worden gedrenkt; wij denken ons geen beekjes, die de stad Gods verblijden zonder de koele bronnen, uitgezonden door den Heere, die in natuur en genade Zich verheerlijkt. Neen! we maken de feiten niet los van 't leven en bizonder zien we in de daden van den Christus den grond voor de weldaden der Christenen, d. i. der gezalfden met den Geest der genade.
Christus' lijden en opstanding zijn bronnen, waaruit het leven ontspringt; 't zijn feiten vol beteekenis, opdat de heilsweldaden, daarin besloten en daaruit vloeiende, een arm volk, dat alle gerechtigheid mist, zouden toekomen.
't Feit was niet iets bijkomstigs, maar in zekeren zin een begin, opdat de kracht en de vrucht van 't verzoenend lijden en sterven en de kracht der opstanding zou uitkomen in de toepassing van 's Middelaars werk door den Heiligen Geest.
Niet slechts het water, 't welk vloeide zoo mild uit den rotssteen, maar de Rotssteen zelf, die geslagen werd, is hoogst belangrijk en zonder dien Rotssteen zou er geen druppeltje water tot verkwikking in de woestijn genoten zijn.
Wij maken het leven Gods in de gemeente niet los van het leven van den Heiland en van alles, wat Hij deed en leed; de feiten zijn heilsfeiten; daarom en daardoor woont de Heere in 't midden Zijner heiligen, en is er geroemd als de Heere onze gerechtigheid, en de God van volkomene zaligheid.
De betrekkelijk kleine dingen in 't leven van Gods volk staan in oorzakelijk verband, met de gebeurtenissen, met de grootste gebeurtenissen in het leven van den Christus Gods. In de vruchten komt de uitnemendheid van den wortel uit en van heel den boom; en 't heet, wat de vruchten des Geestes betreft: „Uwe vrucht is uit Mij gevonden."
Hoe schoon wijst ook de apostel Paulus dit aan in 't woord hierboven afgedrukt! Rom, 4 is een treffend hoofdstuk over de rechtvaardigmaking door 't geloof en het deelgenootschap aan Gods toegerekende gerechtigheid, ook voor de Heidenen.
Het slot van dit capittel wijst in weinige woorden aan de zaligheid van alle kinderen Gods gelegen in den dood en de opstanding des Heeren.
De vernedering van Christus tot in den dood heeft de verzoening teweeggebracht, en Zijne verheerlijking is waarborg niet alleen van de algenoegzaamheid Zijner offerande, maar heeft zoo rijke beteekenis voor 't leven „in de aanwending van de kracht Zijner verdiensten ten goede der Zijnen."
Elders heeft Paulus gesproken van deze dingen en den schat van Christus' sterven en aanvankelijke heerlijkheid aangegeven in het woord: „want indien wij, vijanden zijnde (en niet halve vrienden!) .met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veelmeer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven."
Het is een gulden besluit genoemd, 't welk diep in de harten der menschen gegrift worde, overmits het den geloove zijn wezen en gedaante geeft en ontroerde en ontruste conscientiën geheel vertroost en in vrede stelt.
Heel de inhoud van het-Evangelium staat in dit ééne woord.
Overgeleverd om onze zonden, naar den bepaalden Raad en Voorkennisse Gods. De uitdrukking zelve leidt ons op tot de wijsheid en goedheid des Heeren, welke Hem overleverde aan al den smaad en ellende. Zeker Israels volk heeft den Christus overgeleverd aan de Heidenen; Judas heeft Hem overgeleverd aan de Joden; maar, behalve wat daarin sprak van de schuld van Jood en Heiden in 't algemeen, staat achter die overlevering het welbehagen des Heeren, zonder Wiens wille zich geen schepsel roeren noch bewegen kan.
Zijne overlevering is ook Zijne overgave, opdat de straf, die al Zijn volk den vrede aanbrengt, op Hem zou zijn.
Vrucht van Christus'sterven is „vergeving van zonden en verlossing van den dood"; en als vrucht Zijner opwekking roemt Paulus onze rechtvaardigmaking, en wijst daarmee aan niet alleen dat de opstanding Gods zegel is aan 's Middelaars werk ter verzoening, maar ook de beteekenis van dit feit met 't oog op de toerekening van Gods gerechtigheid aan een goddeloos volk.
„Daarmee is. Hij tot het rijk des levens verheven, om den Zijnen de rechtvaardigheid en het leven te geven", zegt Calvijn. Gewis, met betrekking tot het recht ten leven, doch ook met 't oog op het werk der toepassing aan de ziele, is dit woord van hoog belang.
„Daarenboven", zoo laat zich een onzer verklaarders uit, „ware Christus in den staat des doods gebleven, zoo zou Hij de gerechtigheid, door zulk een dierbaren prijs verkregen, niet hebben kunnen toepassen."
't Is opmerkelijk, dat dit „gulden besluit" van ouden datum af is verwrongen.
Hugo de Groot en voor hem Socinus en een voornaam en kundig Jezuïet, zochten dit getuigenis van zijn kracht en troostvollen inhoud te berooven en het los te zetten van Christus' verzoeningswerk en het levensrecht van Zijn volk en heel Zijne heerlijkheid in het werk der toepassing der door Hem verworvene gerechtigheid.
De „wijdberoemde" David Paraeus heeft daarop gewezen en anderen na hem; en't is waarlijk niet overbodig om de door verkeerde verklaring versperde wegen te openen en 't werk, 't welk geschiedt om de bronnen te verstoppen, aan te wijzen.
Bij loochening van bet volle Borgschap van Jezus Christus krijgen we zoo'n armen bijbel en in den grond der zaak geen God, „die rijk is in barmhartigheid", en zulk Eénen hebben wij strikt noodig, omdat wij rijk zijn in ellendigheid.
Waren wij niet zoo ellendig en zoo arm.... maar nu, nu hebben we noodig een rijken God en een rijken bijbel.
En die deze bronnen zoekt te vergiftigen, doet een boos werk.
Er werd voor enkele jaren voorgesteld om dezen tekst uit Rom. 4 te nemen als formule, waarin al de belijders der Waarheid vrijwel eenstemmig waren.
't Was wel goed bedoeld. Doch als ge dezen tekst, ook in verband met Rom 6, beziet, dan staat gij op eenmaal midden in den strijd onzer dagen.
Wat een geesten, die zoogenaamd rechtzinnig heeten, worden openbaar als zeer onrechtzinnig, indien het gaat over het werk van den Christus, door den Heiligen Geest, in de dadelijke toepassing van.Zijn verworven heil!
Oude dwalingen komen op in een nieuw kleed.
Door sommigen worden schoone dingen gezegd over het werk van Jezus, doch komt het aan de vraag toe: hoe krijg ik deel aan Zijn werk, dan gaan de geesten uiteen.
Remonstrantsche gedachten komen uit en waarlijk, 't is niet te sterk, als men van velen zegt: zij prediken een halven Zaligmaker.
Tot op den „Goeden Vrijdag" gaat het nog wel, doch op den Paaschmorgen, als 't over den rechtsgrond der rechtvaardiging en de beteekenis van Christus' opstanding „ter onzer rechtvaardigmaking" (vergelijk Rom. 6 en Ef. 2) gaat, dan merkt ge tot ontzetting, dat eigenlijk de vruchten van den Paaschmorgen worden miskend en het werk der toepassing van Christus wordt geloochend met 't oog op de practijk, of er wordt wat gesproken over de eene zijde, nl. de opstanding des lichaams en alzoo over den triumph over den lichamelijken dood, met voorbijzien van de kracht der opstanding naar 't geestelijk leven.
't Wordt: Christus de verwerver en de mensch de toepasser.
In die gedachte schuilt feitelijk miskenning of loochening van de heerlijkheid van Christus' opstanding en hare werking en vrucht.
Gods gemeente belijdt en beleeft, dat Christus een volkomen Zaligmaker is.
Christus is het, die gestorven is, ja, wat eer is, die ook opgewekt is.
Hij zal ook in de toepassing van Zijn werk niet falen, want Hij is opgestaan, en wat Hij leeft, dat leeft Hij Gode.
Hier zou ik wel willen zeggen: Wat de Heere vereenigd heeft, schelde de mensch niet.
Zalig hij, die Hem noodig heeft beide als Verwerver en Toepasser van Zijn heil; want het heil is des Heeren en de volheid daarvan.
Zoo kome Gods rijk in kracht tot gerechtigheid en vrede en voltooie zich in heerlijkheid!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 mei 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's