De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven

12 minuten leestijd

Een promotie

Wanneer deze woorden onder de oogen van de lezers komen, is Jan Jacobus van Baarsel, beroepen predikant van Hei-en Boeikop (Classis Gouda, Ring Vianen) gepromoveerd tot Doctor in de Godgeleerdheid, op proefschrift „William Perkins, eene bijdrage tot de kennis der religieuse ontwikkeling - in Engeland ten tijde van koningin Elisabeth."

Wij wenschen den jeugdigen Doctor van harte geluk met dit kranig stuk werk, dat hij, als leerling van Prof. Dr. H. Visscher, in het publiek gebracht heeft en het verheugt ons bizonder, dat deze jonge gereformeerde candidaat én in zijn dissertatie én in zijn stellingen zóo voor den dag gekomen is. Dat belooft, onder de gunste Gods, wat voor de toekomst!

Worde deze eersteling zijner studiën op den bestemden tijd door meerder wetenschappelijk werk gevolgd.

En zij deze eersteling uit „de school van Prof. Visscher" de profetie, dat de lust tot wetenschappelijke studie onder de gereformeerde studenten aan het ontwaken is, dan kan dat, onder beding van Gods zegen, van heerlijke gevolgen zijn voor onze Ned. Herv; (Geref.) Kerk

Ook Prof. Visscher bereike onze gelukwensch, met deze studie van zijn discipel, die zelf schrijft: In het bizonder dank ik U, Hooggeleerde Heer Visscher, hooggeschatte Promotor, voor het vele, dat Gij voor mij waart.

Onvergetelijk zijn mij de uren, waarin Gij door Uwe altijd boeiende behandeling, inzonderheid van Calvijns Institutie, mij een inzicht gaaft in de diepte van het Gereformeerd beginsel. Wat ik ben, ik ben het voornamelijk door U geworden, enz."

Heil den jongen Doctor!

Stellingen.

Van de Stellingen, in de Dissertatie van Dr. J. J. van Baarsel voorkomend, vermelden we :

1. Tusschen algemeene en bizondere openbaring bestaat een specifiek verschil.

4. De voorstelling, alsof aan het absoluut monotheïsme onder Israël henotheïsme voorafging is onhoudbaar.

8. De vraag, of het Woord vleesch zou zijn geworden, indien Adam niet gevallen ware, behoeft niet te worden gesteld.

10. De voorstellingen, over paradijs, val en verlossing, welke bij de natuurvolken gevonden worden, kunnen niet uit traditie worden verklaard.

12. Eene Christelijke Overheid behoort de Neo-Malthusianistische propaganda strafbaar te stellen.

14. De politiek van den Prins van Oranje met betrekking tot de religie bedoelde verdeeling der kerkelijke goederen naar de gezindten.

16. Tusschen de Gereformeerden en de ethischen bestaat een principieel verschil, tusschan de ethischen en de modernen een gradueel verschil.

17. De modernen kunnen op den naam „Christen" geen aanspraak hebben.

18. Aan eene publieke universiteit ten onzent is geene plaats voor eene faculteit der H. Godgeleerdheid in den Gereformeerden zin des woords.

20. Het verdient geen aanbeveling in onze Gereformeerde godsdienstoefening eene uitgewerkte, zich steeds monotoon herhalende liturgie in te voeren.

21. Het herstel der Gereformeerde Kerk moet gezocht worden in den weg van het uiteengaan der verschillende richtingen, die door de Synodale organisatie kunstmatig worden saamgehouden.

De nieuwe Hoogleeraar.

Aan de Rijksuniversiteit te Utrecht is in de vacature Valeton dezer dagen door H. M. de Koningin benoemd Dr. A. Noordtzij, leeraar aan het Gereformeerd Gymnasium te Kampen.

De benoemde is een zoon van den bekenden hoogleeraar van de Theologische School te Kampen, M. Noordtzij.

Zijn studie volbracht hij aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Zijn wetenschappelijke onderzoeking ging vooral in betrekking tot de opgravingen in het Oosten, waaruit hij machtig materiaal wist voort te brengen om de waarheid der Schrift te verdedigen tegenover de velerlei ontkenningen der moderne wetenschap. Vruchtbaar was zijn pen, door menig artikel voort te brengen in Gereformeerde tijdschriften en bladen, laatst nog een reeks vervolgstukken waarin hij prachtig positie innam tegenover de moderne schriftkritiek, die tegenwoordig door modernen en ethischen algemeen gehuldigd wordt. Wij hopen, dat die artikelenreeks, die in „de Bazuin" verschijnt en nog niet voltooid is, ter gelegener tijd afzonderlijk worde uitgegeven, daar we gelooven dat dergelijk geschrijf broodnoodig onder veler . oog moet komen en van onberekenbaar nut kan zijn.

Wat zou het vreeselijk geweest zijn, indien we een man te Utrecht gekregen hadden, die den weg der schriftcritiek weer blijmoedig was opgegaan, de studenten meesleepend, gelijk dat ongeveer een „gewoon" verschijnsel is geworden aan onze Universiteiten.

En wat hebben we dankbaar te zijn, dat H. M. de Koningin uit de zeer weinige Gereformeerde theologen, die wetenschappelijk zóo onderlegd zijn, dat de wetenschappelijke wereld er respect voor heeft, dezen jeugdigen Doctor heeft willen verkiezen om de plaats te gaan innemen van wijlen Prof. Yaleton.

Een edel drietal nu te Utrecht, Prof. Vi'sscher. Prof. van Leeuwen, Prof. Noordtzij.

De zonne der gerechtigheid en de zonne des heils en de zonne der liefde bestrale Universiteit en Hoogleeraren en Studenten!

Heil den nieuwen Professor.

Is de Herv. Kerk de valsehe Kerk? II

Wij achten 't gansch naar recht, wanneer wij zeggen dat de Ned. Hervormde Kerk een belijdende Kerk is. Een Kerk met een belijdenis. Een Kerk met een oude belijdenis, met een gereformeerde belijdenis, met een belijdenis die zij in 1816 volstrekt niet weggeworpen heeft; zelf verklarende dat het toen niet te doen was om de kerkleer te veranderen, ja later telkens betuigend, dat de grondslagen van de Gereformeerde Kerk niet waren losgerukt en ook niet mochten omgewoeld worden.

Men wist dat allerlei meening er geweest was en dat de meeningen niet zouden stilstaan. Maar het werd plechtig verklaard, dat de grondslagen waarop de belijdenis der Kerk rustte, niet mochten losgerukt worden en men verordineerde in art. 9 van het oude Reglement en in art. XI van het nieuwe Reglement, dat het voor al de besturen een voorwerp van aanhoudende zorg moest wezen, dat de leer der Kerk werd gehandhaafd, verdedigd en beschermd.

Men heeft deze dingen wel eens willen tegenspreken en met allerlei bombastische redeneeringen willen omver praten, betoogende, dat de Ned. Herv. Kerk er geen belijdenis en geen leer op na houdt en dat de Reglementen geen leertucht toelaten en dat er dus gereglementeerde leervrijheid in de Herv. Kerk hèerscht. Maar men begint toch hoe langs hoe meer te voelen, dat men in deze redenèering zwak staat en dat de Herv. Kerk er tóch inderdaad wél een belijdenis op na houdt en dat er toch rechtens geen leervrijheid in de Herv. Kerk is en leertucht moet geoefend worden.

Door de lauwheid van de rechtzinnigen kwamen de modernen e. a. tot die valsche voorstelling van de zaken onzer Kerk. Er was niemand die zijn stem verhief tegen de meest brutale ontkenning van de grondwaarheden onzer gereformeerde belijdenis.

Dus, zoo concludeerde de moderne, wij leven in een vrij land, waar we mogen doen en laten wat we willen. En als men in het rechtzinnige kamp z'n stem liet hooren en wilde overgaan tot de daad, volgde men in den doolhof onzer kerkelijke reglementen bijna altijd een verkeerden weg en liep reglementair vast. Wat dan de modernen meer juichensstof nog gaf. En het werd voor hen bewijs te meer, dat men er van rechtzinnige zijde in de Herv. Kerk toch niets aan doen kon, als zij met hun vrijzinnige leeringen en practijken voortgingen.

Dat is evenwel van de modernen verkeerd gezien.

Er mag in de Ned. Herv. Kerk niet gepreekt worden wat men wil.

Men mag in de Herv. Kerk de sacramenten niet afschaffen of van karakter veranderen.

Men moet in de Herv. Kerk leertucht oefenen en men is verplicht toezicht te houden op den levenswandel van al de gemeenteleden. Dat is niet tegen te spreken.

In den beroepsbrief van elken predikant moet staan, dat hij naar Gods Woord, in gehoorzaamheid aan de verordeningen der Kerk het Evangelie van Jezus Christus zal verkondigen.

In de reglementen, die elke predikant bezit, vindt hij, dat de leer der Hervormde Kerk, die in 1816 niet van belijdenis is veranderd, maar in de leer vasthield aan de Formulieren van Eenigheid, in haar grondwaarheden niet mag worden losgewoeld, maar juist altijd en overal moet worden beschermd, bewaard en verdedigd.

Dat ook de sacramenten van Doop en Avondmaal moeten bediend worden en niet mogen afgeschaft of verwaarloosd.

Waarbij in zake den Doop zelfs is voorgeschreven, dat geen Doop erkend wordt, dan die geschiedt in den driemaal heiligen Naam des Heeren, Vader, Zoon en Heiligen Geest, terwijl niemand belijdenis des geloofs mag afleggen, of hij moet eerst gedoopt zijn.

Het staat voor ons dan ook vast, dat ieder die onbevooroordeeld en eerlijk de dingen overziet, zal moeten toestemmen, dat in de Ned. Herv. Kerk geen leervrijheid hèerscht, maar de leer der Kerk is omschreven èn in den beroepsbrief ' èn in de reglementen, als moetende overeenstemmen met Gods Woord en met de grondwaarheden der Geref. Kerk, zooals die van ouds in ons vaderland geweest is.

En het viel ons dan ook op, dat b.v. „De Hervorming", het bekende vrijzinnige kerkblad, ongeveer dit schreef, naar aanleiding van de Dordtsche belijdenis-kwestie: „de opleving der vrijzinnigheid in de Herv. Kerk en de daardoor gewekte actie, die reeds hier en daar bij de verkiezingen in verschillende besturen tot een overwinning op de heerschende rechtzinnigheid leidde, moest wel dezerzijds een reactie in het leven roepen. En het lag voor de hand, dat de orthodoxie, vooral de strijdbare en strijdlustige fractie der Confessioneelen of der „Gereformeerden", het wapen der leertucht zou ter hand nemen om haar bedreigde heerschappij te verdedigen, een wapen trouwens, door de kerkelijke reglementen haar aan de hand gedaan.'''

Die steek onder water door, dat het de Confessioneelen en de Gereformeerden slechts om de heerschappij te doen is (iets waarvan, tusschen twee haakjes zij 't gezegd, de vrijzinnigen nooit zoo héél af keerig zijn geweest!) laten we rusten.

Maar opmerkelijk is het zeker, dat dit vrijzinnige kerkblad verklaart, dat de reglementen der Herv. Keik leertucht toelaten en leertucht eischen. De reglementen zijn daar geheel op ingericht èn het Algemeene Reglement èn de organieke reglementen.

„De Hervorming" is dan ook, evenals het „Weekblad voor de Vrijzinnige Hervormden", van oordeel, „dat geen vrijzinnig lidmaat der Ned. Herv. Kerk meer veilig is" — iets, wat we zéér natuurlijk zouden vinden.

Want de Kerk wil niet en mag niet dulden, dat de grondwaarheden der Geref. Kerk worden omgewoeld en losgerukt — en dus de Kerk is het aan zichzelf verplicht, dat zij, die het wél doen, er aan worden herinnerd, dat zij dan in de Herv. Kerk niet thuis hooren.

Wat is er nu gewoner dan dat?

De schildwacht bij het kruithuis duldt toch ook niet, dat men daar met vuur speelt?

Mogen met lucifers spelende knapen dan den schildwacht aanklagen en zeggen: dat is iemand, die de vrijheid van den mensch bedreigt, want hij gunt ons niet eens, dat we bij het kruithuis een vuurtje stoken?

't Zou de ongegrondheid zelve zijn, als vrijzinnige lidmaten in de Ned. Hervormde Kerk vrij waren, om met hun vrijzinnige leeringen de belijdenis der Kerk gansch omver te werken.

Dat kan, dat mag de Herv. Kerk niet toelaten.

Zij is het aan haar eer en aan haar veiligheid en aan haar bestaan verplicht leertucht te oefenen.

Dat voelt men wel van moderne zijde.

Men voelt wel, dat de toestand van de Herv. Kerk eigenlijk zóo is — ook na al de gaten en mazen, die de vrijzinnigen in de reglementen gemaakt hebben — dat als de Ned. Herv-Kerk handelend optreedt, het voor  de vrijzinnigen een onhoudbare positie wordt.

En spijtig hoort - men hier en daar een enkel woord — want ze zeggen niet alles wat ze denken! — „hadden we vroeger nog maar wat méér doortastend geweest in het uitsnijden uit de Reglementen van alles wat spreekt van belijdenis en leertucht, want wat we vroeger uit schaamte voor de menschen niet dorsten doen, dat zal nu het mes worden, dat ons den levensdraad in de Herv. Kerk komt afsnijden."

O! er gebeurt niets bij geval.

De Heere heeft het toegelaten, dat veel ellende en veel schande over onze Hervormde Kerk kwam. De vijanden reden op haar hoofd. En de zonden van onze vaderen en ons zijn daar niet vreemd aan.

Maar de Heere heeft niet toegelaten, dat zij tot een valsehe Kerk werd.

Hij heeft èn de prediking des Woords èn de bediening der sacramenten èa de tucht over leer en leven voor haar willen bewaren, opdat het later zou blijken, dat de Heere deze Zijne Kerk, de plantinge van Zijne hand, niet heeft verstooten om haar, als de tijd Zijner genade daar is, weer op te richten en te herstellen.

Konden de modernen dat maar ontkennen en tegenspreken — wat zouden ze gelukkig zijn!

Maar dat kunnen ze niet.

„De Hervorming" zegt daarvan:

„Men ziet dus, dat de confessioneele kwestie in de Ned. Herv. Kerk met vollen nadruk dreigt aan de orde te komen. Wij houden dit voor onvermijdelijk; wat intusschen niet wegneemt dat het, hoe onvermijdelijk ook, diep betreurenswaardig is. Wij zijn ongeneigd het verleden van voor eenige tientallen van jaren op te halen, maar blyven van oordeel, dat het mede de schuld der „vrijzinnigen" en van vele „modernen" van toen is, dat nog altijd al de jammeren van den confessioneelen strijd over de kerk dreigen te worden losgelaten."

De vrijzinnigen en de modernen hadden het tientallen van jaren terug anders moeten aanleggen, zegt „De Hervorming" dus. Men had nog brutaler moeten optreden en nog meer wijzigingen in de Reglementen moeten aanbrengen. Men had moedig, zonder schroom, alles wat wees op de belijdenis der Kerk, uit de Reglementen moeten verwijderen en men had radicaal onmogelijk moeten maken, dat ooit leertucht zou kunnen worden geoefend.

Dat hadden ze moeten doen.En dus — 't is niet gebeurd. Niet radicaal gebeurd. Wat nu misère komt brengen over de modernen.

Maar wat voor óns het bewijs is, dat de Heere regeert en ook in bange tijden het werk Zijner handen niet laat varen.

Wat voor ons gemakkelijker maakt, om te bewijzen, dat, wat er ook gebeurd is, de Hervormde Kerk niet geworden is een valsche Kerk.

't Kan, 't mag, 't moet in haar midden gaan om Gods Woord en om de grondwaarheden van de belijdenis onzer vaderen.

Wat zeer stellig bewijst, dat — hoe ellendig ook de toestand is — de Ned. Herv. Kerk de voortzetting is van de aloude Geref. Kerk en dat zij is de plantinge van Gods hand, waarvan Hij nog geen afscheid heeft genomen.

Integendeel! Hij waakt over haar en heeft haar bewaard tot op dezen stond, waarbij duizenden nog in den lande zich verblijden, smeekende: o Levensbron, wil nu maar bijstand zenden!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 mei 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 mei 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's