De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voor Jong en Oud.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Jong en Oud.

4 minuten leestijd

8) John Bunyan.

Of de Heilige Schriften niet veel meer een fabel en een verdicht verhaal waren dan het heilig en zuiver Woord van God?

De verzoeker besprong hem en legde hem dit voor: hoe kunt gij bewijzen, dat de Turken niet even betrouwbare Schriften hebben om aan te toonen, dat hun Mohammed de zaligmaker is evenals wij Jezus hebben?

Ook deed satan dit in zijn hart komen: hoe kunt gij nu toch denken, dat er zooveel tienduizende menschen in alle landen woonden, zonder kennis van den rechten weg naar den hemel (indien er waarlijk een hemel bestond) terwijl dan alleen wij, die in een hoekje van de aarde wonen, alleen dan maar weten zouden hoe er te kunnen komen? Ieder meent immers dat zijn eigen godsdienst de beste is, zoowel Joden en Turken en Heidenen — wie weet of ons geloof aangaande den Christus en den Bijbel niet maar een fantasie is van eigen brein?

Zeer werd Bunyan er door gekweld. Maar gelukkig voelde hij, dat het alles van den duivel kwam en er was iets in hem dat hem terughield om deze dwaze en zondige redeneeringen aan te hangen.

Evenwel bedekte donkerheid en duisternis zijn ziel en hij begon te vreezen de zonde tegen den Heiligen Geest bedreven te hebben.

„De goddeloozen zijn als eene voortgedrevene zee, want die kan niet rusten en hare wateren werpen slijk en modder op. De goddeloozen, zegt mijn God, hebben geen vrede" (Jes. 57:20, 21), die schriftuurplaats verscheurde en pijnigde zijn ziel.

Daarbij kwam dat zijn hart dikwijls zoo hard was. Hij kon géén enkelen traan storten. En hij was zéér terneergeslagen door de gedachte, dat dit zijn lot zou zijn en blijven.

Vooral als hij anderen in droefheid en rouwe zag vanwege hunne zonden, of anderen zich zag verheugen in God, door de zegeningen in Christus — dan kon het hem zoo benauwen, dat hij niet weenen en niet juichen kon. Welke toestand ongeveer een jaar zoo aanhield.

't Was vreeselijk. Wat is er veel werk voor noodig, om ëen zondaar zalig te maken! Wat is het een groot en goddelijk werk! Wat kan het alleen maar geschieden door de hand des Heeren, die almachtig, wijs en goed is en Zijn kinderen bemint naar redenen uit Zichzelf genomen!

Lang kan de onzekerheid duren. Telkens kan de vertwijfeling opkomen en staan naar de heerschappij over het hart.

Maar 't heeft al zijn oorzaak in Gods wijsheid en goedheid, die weet wat er voor noodig is, om een ziel gansch te ontblooten en een ziel zekerheid des geloofs te geven, ook voor de ure des gevaars.

Dan moet alles, alles wat des menschen is stuk voor stuk weggenomen worden en 't moet al teleurstellend en afbrekend werk zijn, om het harte geheel behoeftig te maken naar de borggerechtigheid van Christus, die alleen, in hare toerekening aan de ziel, het fundament der zaligheid kan zijn.

De prediking van Ds. Gifford was daar geheel voor ingericht om zijne hoorders te bevrijden van al die valsche en ongezonde gevoelens, waartoe wij van nature geneigd zijn. Hij was gewoon Gods volk voortdurend te waarschuwen tegen zelfmisleidihg en ze niet tevreden te laten zijn met eenige kennis of eenige ervaringen.

Hij drong er steeds op aan, dat het geloof in Jezus Christus inderdaad het eigendom des harten zou zijn, ontvangen door den Heiligen Geest, waarbij de ziele mocht weten als een goddelooze door God gerechtvaardigd te zijn in de toegerekende borggerechtigheid van Jezus Christus.

Bunyan zelf zegt daarvan: Hij zeide ons, dat wij toch vooral op onze hoede moesten zijn om geen enkele waarheid op goed vertrouwen aan te nemen, op welken grond dan ook; maar wij moesten sterk tot God roepen, opdat Hij ons overtuigde van de werkelijkheid daarvan en ons daarin nederzette door Zijn eigen Geest in het heilig Woord. Want, zeide hij, zoo gij anders doet, dan zult gij, als de verzoekingen machtig over u worden en de aanvechtingen tot u komen, te vergeefs die hulp en kracht zoeken, welke gij meendet te bezitten, omdat gij ze niet met klaarheid uit den hemel hebt ontvangen."

„Dit kwam mij", zoo vervolgt Bunyan, „gansch redelijk voor. En ik vond, door genade, mijne ziale zeer bereid om.dit alles in te drinken en om God te bidden, dat in geen ding 't welk Gods eer en mijn eigen eeuwige gelukzaligheid betrof. Hij zou toelaten dat ik zonder de bevestiging daarvan uit den hemel zijn mocht; want nu zag ik duidelijk, dat er een belangrijk verschil was tusschen de leerstellingen van vleesch en bloed en de openbaringen van God in den hemel en evenzoo een groot verschil tusschen een geloof, dat geveinsd en in overeenstemming met de menschelijke wijsheid is, en dat hetwelk volgt op de wedergeboorte des menschen uit God. (Matth 16:15:1 Joh. 5:1.)"

{Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 mei 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Voor Jong en Oud.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 mei 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's