De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voor Jong en Oud.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Jong en Oud.

5 minuten leestijd

John Bunyan.

„O, hoe werd mijn ziel nu door God geleid. Van waarheid tot waarheid. Geleid van de geboorte en de kribbe van Gods Zoon, tot Zijne hemelvaart en tweede komst op de wolken om de wereld te oordeelen.

Waarlijk, toen en daardoor zag ik dat de groote God zeer goed voor mij was, want, zoover ik mij herinner, was daar geen enkel ding waarvan ik God aanriep het mij te leeren kennen en te openbaren, of het behaagde Hem dat voor mij te doen. Ik werd ordelijk ingeleid in elk deel van het Evangelie van den Heere Jezus; mij docht, ik zag met groote duidelijkheid, door het verhaal van de vier Evangelisten, het wonderlijk werk Gods in de overgave van Jezus Christus om ons zalig te maken; van Zijne ontvangenis en geboorte, zelfs tot Zijn tweede komst ten oordeel; mij docht, het was als had ik Hem zien geboren worden, als had ik Hem zien opwassen; als had ik Hem zien wandelen door deze wereld van de kribbe naar het kruis, waaraan, toen Hij daar kwam, ik zag hoe gewillig Hij zich overgaf om daaraan gehangen en genageld te worden voor mijne zonden en misdaden. Als een Lam zag ik Hem ter slachting gaan, maar ik heb Hem ook gezien als ontkomen uit den muil van het graf en met vreugde dat Hij was verrezen en de overwinning over onze vreeselijke vijanden behaald had (Joh. 20:17). Ik heb Hem evenzoo gezien als de man, aan de rechterhand van God den Vader voor mij en heb gezien de wijze van Zijn wederkomst van den hemel, om de wereld met heerlijkheid te oordeelen; en ben bevestigd in deze dingen door de navolgende Schriftuurplaatsen: Hand. 1:9, 10; 7:56; 10 : 42; Hebr. 7 : 24en9 : 28; Openb. 1:18; 1 Thess. 4 : 17, 18.

Het zou hier te lang ophouden om u in bizonderhèden te verhalen, hoe God mij bevestigde in al de dingen van Christus, en hoe Hij, om dat te doen, mij in Zijne woorden inleidde; ja, en evenzoo hoe Hij die voor mij opende, en ze voor mij schijnen deed en maakte dat ze mij bijbleven, met mij spraken, mij telkens en telkens vertroostten, beide over Zijn eigen Wezen en het wezen van Zijn Zoon en Zijn Geest, en Woord, en Evangelie.

Alleen dit, gelijk ik vroeger zeide, wil ik nog eens tot u zeggen, dat het Hem behaagde, in 't algemeen dézen weg met mij te houden: eerst liet Hij toe, dat ik door aanvechtingen in betrekking tot die dingen bedroefd werd en .daarna openbaarde Hij ze mij.

Zoo kon ik somtijds onder groot schuldgevoel over mijn zonden liggen, zelfs tot op den bodem vernield daardoor, en dan wilde de Heere mij den dood van Christus zien laten, ja zóo mijn geweten met Zijn bloed besprenkelen, dat ik bevond, zelfs vóór ik het mij bewust was, dat in dit geweten, waar zooeven nog de wet regeerde en woedde, nu de vrede en de liefde Gods door Christus wilden rusten en blijven.

O, wat was ik gelukkig.

Ik had nu eene bevestiging, naar mij docht, van mijne redding, uit den hemel, met vele gouden zegels daaraan, alle voor mijne oogen hangende. Nu kon ik mij deze openbaring en de andere ontdekking van genade met vertroosting herinneren en kon dikwijls verlangen en begeeren, dat de laatste dag gekomen ware, opdat ik voor eeuwig in gloed gezet mocht zijn door het gezicht, de vreugde en de gemeenschap met Hem, wiens hoofd gekroond was met doornen, wiens aangezicht bespuwd, wiens lichaam verbroken was en wiens ziel tot eene offerande voor mijne zonden gemaakt was. Want terwijl ik vroeger onafgebroken bevende nederlag aan den ingang der hel, zoo dacht ik, was ik daarvan nu zoo ver verwijderd, dat ik, wanneer ik terug zag, die nauwelijks onderscheiden kon. En o, dacht ik, was ik nu maar tachtig jaar oud, opdat ik spoedig sterven en mijne ziel in de rust mocht ingaan."

Onder al deze leidingen, die tot meerdere bevestiging brachten, begeerde Bunyan een boek te mogen lezen, waarin een of ander godzalig man van den ouden dag zijn ervaringen en bevindingen had neergeschreven. Want in zijn eigen omgeving en uit de jaren waarin hij leefde, dacht Bunyan, was er niemand, die zulke geestelijke bevindingen had als welke hij mocht ervaren, 't Was in zijn tijd maar napraten van anderen of bestudeerde wijsheid, meende hij. „Maar ik vraag daar nu vergeving voor", schreef hij later. Er waren er wèl die door den Heere geleerd en geleid werden. Er waren er wèl door wier woord en geschrift hij kon onderwezen worden. Maar hij meende, dat er alleen vroeger zulke godzalige menschen waren als hij tot onderwijzing noodig had. Een meening die helaas! bij zielen, door den Heere aangeraakt en getrokken, veel voorkomt, waardoor Satan veel wat anders tot onderwijzing, tot vertroosting en tot bemoediging der zielen dienen kon, weet te rooven en te onthouden.

De Heere, Bunyans begeerte kennende, deed hem op zekeren dag een boek in handen komen, geschreven door Maarten Luther, en wel zijn uitlegging van den Brief aan de Galatiërs.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juni 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Voor Jong en Oud.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juni 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's