De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven

14 minuten leestijd

Is de Herv. Kerk de valsche Kerk

Het behoeft nu niet meer nadrukkelijk gezegd te worden, dat er véél, héél veel gedaan is om in het midden van onze Ned. Herv. Kerk leervrijheid te krijgen en alle leertucht te doen verdwijnen — maar dat het, ten spijt van de modernen, niet gelukt is.

Van den beginne af aan is men schroomvallig geweest om principieele veranderingen te maken. Men dorst niet goed voor de menschen. „Dat wreekt zich nu!" — roept men van moderne zijde uit. „Waren we maar wat brutaler geweest, dan hadden we nu misschien een gereglementeerde leervrijheid kunnen hebben in de Herv. Kerk, wat we helaas nu nog niet hebben en wat, bij de opwaking van de gereformeerde beginselen, tot onberekenbaar verdriet voor de vrijzinnigen kan worden", zoo zegt men nu onder de vrijzinnigen.

Schroomvallig is men te werk gegaan.

Ja — het ging in 1816 niet met bedoelingen, die conform ons gereformeerd beginrel waren.

Lang niet!

Maar in het publiek, officieel verklaart men keer op keer dat het totaal niet de bedoeling is om de aloude geref. kerkelijke belijdenis weg te krijgen of te veranderen.

Voor de ooren van heel het volk werd het uitgesproken en plechtig verzekerd, gelijk het later telkens nog  weer is herhaald, dat dezelfde belijdenis van de aloude Geref. Kerk bleef en dat men niet zou dulden, dat de grondwaarheden van de aloude Geref. Kerk zouden worden losgerukt (zie o, a. acta der Synode van 1816 bl. 44 en die van 1841. bl. 132 en 137).

Of sprak de Commissaris-Generaal namens den Koning niet: „Wat de leer zelve betreft, zijn de verplichtingen van de leden der Kerk, van de Synode en alle Kerkbesturen begrepen in dit 9de artikel (thans art. XI algem. Regl.) hetwelk met ronde woorden van hen vordert de handhaving van de leer der Hervormde Kerk."

En stond in het onderteekeningsformulier van 1816 niet „de leer, overeenkomstig Gods heilig Woord, vervat in de formulieren van eenigheid" — wat later is veranderd in „de aangenomen formulieren van eenigheid", zijnde de Heid. Catechismus en de Nederl. Geloofsbelijdenis in 37 artikelen.

De leer naar de Formulieren van Eenigheid der aloude Geref. Kerk bleef. Er werd verklaard, dat die leer overeenkomstig Gods Woord was.

't Was en het bleef dus dezelfde Kerk als van de dagen der 16de en 17de eeuw.

In de Acta van de Synode van 1847 lezen we (bl. 111) o, a. dit:

„Onze Herv. Kerk dagteekent niet van 1816 evenmin als van 1618, maar van de Hervorming en hare vestiging. Doch onze tegenwoordige kerkvorm is in 1816 in' het leven geroepen"

Om hetgeen de aloude Geref. Kerk zelf in haar eigen belijdenis, gedurende de eeuwen van haar bestaan, als haar leer, haar beginsel, haar karakter neergelegd en geteekend had, ging het dus ook waar er een nieuwe Kerkregeering gekomen was.

Om haar anti Roomsch, anti-Remonstrantsch, gereformeerd beginsel en karakter.

Uit welk gereformeerd beginsel en karakter elk Kerkbestuurder, van den diaken der kleinste gemeente tot den Voorzitter der Algemeene Synode toe, ieder in zijn eigen betrekking, rekening moest houden, om de leer en de belijdenis der Hervormde Kerk te handhaven, dat ze niet vermengd of vervormd zou worden met en door Roomsche of Remonstrantsche of Doopsgezinde elementen, maar haar gereformeerd karakter zou blijven behouden.

Maar, maar... I

Wat zijn er veel pogingen gedaan om toch te komen tot leer vrij heid en om van alle leertucht af te komen!

Wat zijn er b. v. veel pogingen gedaan om art. XI Algem. Reglement (vroeger art. 9) veranderd te krijgen, omdat daar staat: „de handhaving harer leer moet steeds het hoofddoel zijn van allen, die in onderscheidene betrekkingen met het kerkelijk bestuur belast zijn."

Men voelde: dat artikel moet weg, want daar ligt het bewijs, dat de Ned. Herv. Kerk een belijdende Kerk is, hebbende de belijdenis der aloude Geref. Kerk ten grondslag, wat voor allen, die met de belijdenis der Kerk niet overeenstemmen wel eens noodlottige gevolgen kan hebben.

Hoort de pleitende vrijzinnigen in het jaar 1899 nog maar eens redeneeren!

Nadat o. a. in 1874 door den hoogleeraar Prins tevergeefs een poging gewaagd was een geheel nieuw (en ander) artikel 9 te krijgen, en nadat in de Synode van 1878 en in die van '79 er weer over gesproken was, gelijk ook in 1887 naar aanleiding van een verzoek van den ring Franeker en in 1889 naar aanleiding van een voorstel van Dr. Bruins en de Class. Verg. van Eindhoven — probeerde in 1899 de heer J. E. Moltzer c. s. (gesteund door de classis Deventer en Hoorn) om óf die woorden „de handhaving harer leer nader verklaard te krijgen óf ze te doen schrappen. Want, zoo redeneert hij: „als de Ned. Herv. Kerk een belijdende Kerk is moet dit noodwendig tot gevolg hebben een scherpe omschrijving dier leer en uitbanning van allen, die in minder of meerder mate daarvan afwijken."

O! wat had. men art. 9 (het tegenwoordige artikel XI) gaarne weggewerkt. Want die „belijdenis", die „leer" zou men zoo gaarne wég hebben.

Maar 't is niet mogen gelukken I

Niet — dat men in 't geheel geen succes gehad heeft. Helaas! maar al te veel.

Maar ... art. XI is toch altijd nog de steen des aanstoots voor alles wat vrijzinnig is, omdat het nog altijd een van de bewijzen is, dat onze Ned. Herv. Kerk de aloude Geref. Kerk is, die haar eigen belijdenis, beginsel en karakter geteekend en uiteengezet en verdedigd heeft in hare Formulieren van Eenigheid.

Vooral de proponents-formule en de belijdenisvragen heeft men besnoeid en veranderd, om van de belijdenis de hoogst mogelijke verdunning over te houden.

De Dordtsche proponents-formule of Formulier van onderteekening was natuurlijk veel te beslist en veel te kras en veel te gebonden!

Deze luidde: „Wij verklaren opregtelijk en in goeder conscientie voor den Heere, met dese onze onderteekening, dat wij van herten gevoelen en gelooven, dat alle Artikelen en Stukken der Leere, in de Belijdenis en Catechismus der Gereformeerde Nederlandsche Kerken begrepen, mitsgaders de Verklaringe over eenige Poincten der voorseyde Leere in de Nationale Synodus Anno 1619 tot Dordregt gedaan, in alles met Gods Woord overeenkomen. Beloven derhalve, dat Wij de voorseyde Leere neerstelijk sullen leeren en getrouwelijk voorstaan, sonder yet tegen deselve Leere, 'tzij opentlijk of heymelijk, directelijk of indirectelijk te leeren of te schrijven enz.

Dat was te kras voor vrijzinnige menschen. Die moeten vrij zijn om af te breken wat ze willen, om te veranderen wat jze willen, om te wijzigen wat ze willen, om te leeren wat ze willen, om te doen wat ze willen.

Neen — de Kerk heeft niet het recht om te zeggen dat is de belijdenis en ieder lid van de Kerk moet die belijdenis beamen zoolang die belijdenis op grond van Gods Woord en met gemeen accoord niet veranderd of gewijzigd is.

Die vrijheid gunt de vrijzinnige niet aan de Kerk.

De vrijzinnige moet vrij zijn om de belijdenis te kunnen ondergraven, de grondwaarheden te kunnen omwoelen, de grondslagen te kunnen losrukken.

En waar de Kerk zeide en bleef zeggen: wij hebben een belijdenis en met die belijdenis moet door ieder gerekend worden én is een van de voornaamste zorgen van allen die in eenig kerkbestuur zitten, te waken dat die belijdenis gehandhaafd zal worden (o! ergernis) daar gingen de vrijzinnigen nu knabbelen aan de bizondere reglementen b.v. aan het reglement op het Examen en van het Godsdienstonderwijs en probeerden dan om zoo veel mogelijk zich vrijheid te verschaffen, om toch de grondslagen van de aloude Geref. Kerk te kunnen losrukken!

Tegen de uitgesproken bedoeling der Kerk in! Maar wat deert dat een vrijzinnig mensch, die alles doet in naam van de moderne wetenschap, die spot met al dat oude gedoe!

En ja — het gelukte. Althans voor een groot gedeelte.

In de bizondere reglementen — die natuurlijk in normale omstandigheden onder normale menschen nooit anders verklaard, toegelicht of uitgelegd worden, dan bij het licht en naar de bedoeling van het Algemeen Reglement — in de bizondere reglementen rukte men steen voor steen uit. 't Kwam al losser en losser te staan. En ja — daar zijn de bewijzen bij massa's te vinden dat men leervrijheid wilde en dat men de leertucht niet begeerde.

Men begon te goochelen met de woorden „geest en hoofdzaak", woorden die nog nooit iemand begrepen heeft en waarvan ieder mensch en ieder Kerkbestuur kan maken wat men wil —of althans probeert om dat te doen.

't Was er om te doen om een formule te vinden, dat men er altijd tusschen door kruipen kon.

Die ergerlijke woorden „belijdenis" en „leer" kon men niet wegkrijgen.

Dan zou men probeeren omschrijvingen te vinden die al het belijdende van de belijdenis kwamen wegnemen en allen inhoud aan de Kerkleer kwamen rooven.

Men moet de taaiheid van het geduld en den volhardenden ijver der vrijzinnigen prijzen, om in deze telkens weer op hetzelfde aanbeeld te slaan, om hierin van stukje tot stukje toch maar verder te gaan.

Men wilde komen tot een onderteekeningsformule, die ... tot niets verbindt. En dus een misleiding is.

Men wilde komen tot belijdenis-vragen, waarin men .., niets belijdt. En die dus leugenachtig en bedriegelijk zijn.

En ja — 't is hun gelukt.

Stond in het. formulier van onderteekening van 1816 „de leer, overeenkomstig Gods Heilig Woord, vervat in de aangenomen formulieren van eenigheid" — in 1853 wordt voorgesteld te lezen : „Wij ondergeschrevenen — verklaren bij deze opregtelijk, dat wij, naar het grondbeginsel der Christelijke Kerk in 't algemeen en der Hervormde in 't bizonder, Gods heilig Woord, in de Schriften des Ouden en Nieuwen verbonds vervat, te goedertrouw aannemen en hartelijk gelooven; dat wij des zins en willens zijn, den geest en de hoofdzaak der leer, welke in de aangenomen formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde Kerk begrepen is, getrouwelijk te handhaven, enz."

(Wordt vervolgd.)

Tegen onzen Bond.

„De Geref. Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Nederlandsch Hervormde (Gereformeerde) Kerk" schijnt velen onzer nog een hoopvol teeken.

Men verwacht er groote dingen van voor het herstel der Herv. Kerk, maar bovenal voor onze actie op zoo velerlei terrein.

Stelle men zijn verwachting echter vooral niet te hoog.

Reeds de wordingsgeschiedenis van den Bond spelt niet voor krachtig leven. Eerst werd opgericht de Bond tot vrijmaking der Herv. Kerk. Fier werd de reformatorische vlag ontrold. Vrijmaking uit de hiërarchische banden van 1816, dat was het doel.

Een schoon doel, dat bij alle Gereformeerde belijders in de Hervormde Kerk moest voorzitten. Maar, toen men inzag, dat de ingeslagen weg op een nieuwe doleantie zou kunnen uitloopen huiverde men voor 't geen ondernomen was. De leiders trokken zich terug en degenen, die nu op den voorgrond traden hervormden den Bond tot een Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Herv. Kerk. Inderdaad een droef verloop. In vergelijking met den eersten Bond een verslapping, die niet genoeg te bejammeren is. We vreezen, dat te weinig het Woord des Heeren verstaan wordt: niet die daar zeggen Heere, Heere, maar die daar doen den wil mijns Vaders — dat zijn de ware onderdanen des Koninkrijks. En velen, die dit woord beter verstonden en van wie daarom meer actie te wachten was, laten zich nu door den Bond op sleeptouw nemen, zien daarin het middel, dat hen tot hun ideaal zal voeren en gaan daardoor voor den echt reformatorischen arbeid in de Hervormde kerk verloren.

Zoo schrijft Ds. Jaspers, Geref. predikant te Moordrecht in de Goudsche Kerkbode van 3 Mei j.l.

Men ziet — 'tis weer het oude liedje. We moeten den weg bewandelen „die op een nieuwe doleantie zou kunnen uitloopen" anders is het niet goed.

Ja — 't wordt hier niet onduidelijk gezegd, dat we dan alleen den wil des Vaders doen, terwijl we anders maar praters van ijdele en godslasterlijke woorden zijn, in de daad afkeerig van Gods inzettingen.

Geen onderdanen des Koninkrijks!

O! die doleantie, 't Is toch maar de steen der wijzen geweest, 't Is toch maar de eenige weg dien God verlangt tot herstel van onze diep gezonken Herv., Gereformeerde,Kerk!

Jammer dat er zoo vélen zijn die dat niet gelooven.

Jammer ook, dat de oprichters van den Geréf. Bond dit ook NOOIT geloofd hebben en van den beginne af aan èn onder elkaar èn in het publiek hebben verklaard: 't moet in een anderen weg worden gezocht, want niet enkele honderden of duizenden gereformeerden moeten tot de vrijheid komen, de Gereformeerde Kerk in gebondenheid achterlatende; — neen! de Kerk moet vrij komen, om als Gereformeerde Kerk, als Kerk des Heeren, zich in dezen lande te kunnen openbaren, in gehoorzaamheid aan 's Heeren Woord, levend onder een Kerkorde, waarin de trekken van de Dordtsche van 1619 terug te vinden zijn.

Geen doleantie. Niet een herhaling van 1886. Onze Hervormde Kerk is niet een valsche Kerk. Onze Hervormde Kerk is de Gereformeerde Kerk, met haar Geref. belijdenis in de zonde levend. En nu moet zij worden toegeroepen: „sta op, dochter Sions, uit uw staat van verval en kom tot de vrijheid, dat Christus over U heersche als Koning, Wetgever en Rechter, Hij zal u behouden."

Om weer Gereformeerde Kerk te worden.

Om te bekennen, dat de organisatie van 1816 niet naar Gods Woord is.

Om te gevoelen, dat haar onrecht is aangedaan van de Regeering.

Om te erkennen, dat zij zelve schrikkelijk heeft misdreven.

Om er naar te staan weer te mogen worden wat zij nu nog niet is: een getuige Christi en een pilaar en vastigheid der waarheid.

Zóo hebben we het van den beginne af aan gezegd. En zóo zeggen we het nog. Wat onlangs ook in het propagandablad van Feyenoords afdeeling weer eens voor de, zooveelste maal uiteengezet is.

Wonderlijk misverstand dus.

Eerst ging de Geref. Bond in den echt-reformatorischen weg, onder de echt-reformatorische vlag, vol echt-reformatorischen arbeid — en nu zoo anders.

Ja — dit is de smart van den Geref. predikant van Moordrecht: „en velen, die het Woord des Heeren beter verstonden en van wie daarom meer actie te wachten was, laten zich nu door den Bond op sleeptouw nemen, zien daarin het middel, dat hen tot hun ideaal zal voeren en gaan daardoor voor den echt-reformatorischen arbeid in de Hervormde Kerk verloren.

Wat een meelij ; innig en oprecht.

... omdat men in de Herv. Kerk geen zin heeft — en nooit gehad heeft — een weg in te slaan die op een nieuwe doleantie zou kunnen uitloopen ...

Vat ge nu waar de kneep zit? 't Is nu maar praten, wat de Geref. Bond wil.

En dan is 't bovendien ijdele praat; 't zijn woorden vol ongehoorzaamheid, die men daar hoort. Alleen als men 1886 na doet, dan doet men wat. Dan doet men Gods wil. Dan is men een onderdaan van Gods Koninkrijk.

Zoo schrijft Ds. Jaspers, in navolging van velen die vóór hem reeds de pen opnamen.

Vindt ge het niet een beetje ijdel en zelf-genoegzaam, als iemand van de doleerende broeders zoo over eigen weg oordeelt ?

En is het niet onbillijk tegenover ons ? Zijn wij bezig woorden te gebruiken om het niets doen aan te raden en goed te praten ? Is er in ons hart en in onze mond niets, dat tot actie drijft en prikkelt?

Zitten de Gereformeerden in de Herv. Kerk stil?

Wordt er in de bediening des Woords, op de catechisatie, in de huisgezinnen op 't gebied van School en Vereeniging, op het terrein van Zending en armverzorging niets gedaan ?

Neen! — we willen geen doleantie zooals in 1886.

Maar dat is toch waarlijk geen bewijs, dat we niets doen.

Zoo dwaas is men wel in de Geref, Kerken, dat men dat telkens de menschen wil wijs maken: die geen tweede doleantie wil doen niets. Maar 't is toch eigenlijk te zot om los te loopen, en 't kan alleen vrucht zijn van zélf-overschatting.

In 1897 schreef Ds. C. van Proosdij, Geref. predikant te Leiden (nu te Amsterdam) „laten wij niet vergeten te waardeeren wat de Gereformeerden in de Herv. Kerk doen. En men zegge niet: hunne 'daden zijn alleen woorden, want zij doen door prediking, catechisatie en andere werkzaamheden meer dan praten ; en ook hunne woorden zijn in den vijandigen kring, waarin zij spreken, tevens daden. Zij vooral hebben, zoo hun getuigenis getrouw is, hun deel van den smaad, waarmede de gereformeerde leer' en het gereformeerde volk altijd beladen is en nog beladen, wordt."

Zoo getuigde éen der doleerende broeders in 1897.

En nu zouden we willen vragen : doen we in 1912 méér of minder dan in 1897?

Die waarlijk iets van de schuld der Kerk voelt en van de diepte harer vernedering iets verstaat, zal zich in deze mogen verblijden en zeggen: 't is al van den Heere!

En immers, ziende in het gebod en blind voor de toekomst, mogen we vast houden den Onzienlijke, elkander toeroepende: God van den hemel zal het ons doen gelukken en wij Zijne knechten zullen ons opmaken en bouwen.

Voor vrijheid en recht!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juni 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juni 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's