Ned. Herv. Jongelingsbond.
Verslag van den 2den Bondsdag op 27 Mei 1912 te Veenendaal.
(Slot)
De Voorzitter stelt nu eerst het laatste punt van de agenda aan de orde n.l. de besprekingen om. over een eigen orgaan. De afgevaardigde van Ouderkerk a.d. IJsel is de eerste die over deze zaak het woord voert. Hij acht het wenschelijk dat door den Bond spoedig een eigen blad, al was het voorloopig maar een maandblad zal uitgegeven worden. Hij acht dat vooral gewenscht uit een oogpunt van propaganda en saambinding. De afgevaardigde van Huizen sluit zich bij het gesprokene aan en zou vooral daarom een eigen blad wenschen omdat er dan meer plaatsruimte voor het beantwoorden van te stellen vragen zou zijn.
De afgevaardigde van Utrecht zou een eigen orgaan ook wel wenschelijk vinden, maar acht den tijd er nog niet rijp voor. Hij oppert het denkbeeld voor rekening van den Jongelingsbond' »de Waarheidsvriend* te vergrooten. De afgevaardigde van Leerbroek vraagt hoeveel de kosten van een eigen orgaan bedragen zouden. De afgevaardigde van Veenendaal wil niet slechts de kosten overrekenen, maar gelooft dat wij ook voor deze vraag zullen komen, wie zulk een eigen blad geregeld zal vullen.
De Voorzitter, de verschillende vragen beantwoordend, gelooft dat een eigen orgaan wenschelijk en nuttig en noodig is, maar ontveinst zich niet, dat de uitvoering voorloopig uiterst moeilijk zal blijken. Wat »de Waarheidsvriend betreft, deze geeft aan den Jongelingsbond meer ruimte dan zij kan missen. Ook met het oog daarop zou het wenschelijk zijn dat een eigen blad door den Jongelingsbond kon uitgegeven worden.
Zal echter, afgezien nog van de vulling, het bestaan van een eigen orgaan, dat 2 maal per maand verschijnt, eenigszins verzekerd zijn, dan zouden al de jongelingen die thans leden zijn van aangesloten vereenigingen tegen de abonnementsprijs van f. 1,- per jaar abonné moeten worden. Zal dit voor de jongelingen op den duur geen bezwaar zijn?
De afgevaardigde van Leerdam meent deze laatste vraag van den Voorzitter bevestigend te moeten beantwoorden. Hij gelooft dat dit voor vele jongelingen een overwegend bezwaar zal wezen en zou dus adviseeren nog niet tot de uitgave van een eigen orgaan over te gaan. Ook andere afgevaardigden laten zich in denzelfden geest uit.
Ten slotte wordt aangenomen een voorstel van Ds. de Bruin van Veenendaal dat het hoofdbestuur de kwestie van een eigen orgaan vooral wat de finantieele zijde betreft nog eens nader zal onderzoeken en dat dan binnen niet al te langen tijd verslag van dit onderzoek zal worden uitgebracht.
Voorts worden nog besprekingen gehouden over een rooster van werkzaamheden, vnl. zooals die door den heer Bongers in de Waarheidsvriend gegeven wordt, alsmede over de propaganda. Wat dit laatste betreft wordt de wenschelijkheid uitgesproken van het verspreiden van vlugschriften en wordt gediscussieerd over het nut van »ringen«. In het afgeloopen jaar blijkt opgericht te zijn de ring Leerbroek, waarbij de vereenigingen te Gorkum, Ameide, Leerbroek en Leerdam zich hebben aangesloten. Ook te Ouderkerk blijken reeds plannen tot het oprichten van zulk een ring te bestaan.
Ten slotte is aan de orde te bepalen waar de Bondsdag in 1913 D.V. gehouden zal worden. Genoemd worden Gorinchem, Utrecht, Leerdam en Delft. Bij stemming wordt met 38 stemmen uitgemaakt dat men een volgend jaar te Utrecht zal samenkomen. Delft had 15 en Leerdam 8 stemmen op zich vereenigd.
Nadat door sommige afgevaardigden nog enkele vragen zijn gesteld, o. m. over een artikel uit het Statuut, en door anderen nog enkele denkbeelden geopperd waren, o. m. door Leerdam het denkbeeld van «meerdere bestuurslieden», door Veenendaal dat van een «Bondslied» en door Utrecht om voortaan niet meer op 2den Pinksterdag maar op Hemelvaartsdag te vergaderen, brengt de Voorzitter een woord van dank aan de Vereeniging te Veenendaal voor de uitnemende wijze waarop zij deze vergadering heeft voorbereid en gaat hierop, nadat nog gezongen is Psalm 84:6, in dankzegging voor.
Het was intusschen ook tegen 4 uur geworden, zoodat het meer dan tijd was zich weer te begeven naar het kerkgebouw, waar Ds. van Grieken weldra den kansel betrad, om nog een woord van opwekking te spreken.
Nadat gezongen was Psalm 138: , gelezen Jesaja 35, en de spreker in gebed was voorgegaan, begon hij met de mededeeling van het teleurstellend bericht dat Ds. Remme door ongesteldheid verhinderd was de aangekondigde spreekbeurt te vervullen. Waarbij zich 'thans zag aangewezen in deze vergadering het woord te voeren, daar wenschte hij dit te doen naar aanleiding van 1 Johannes 5:5: Wie is het die de wereld overwint dan die gelooft dat Jezus is de Zoon van God? »
«De wereld», zegt spreker, «moet overwonnen worden; dat is een bewijs dat de wereld een vijand is. En metterdaad de wereld is een vijand van God; de wereld is ook een vijand van den mensch. De mensch worstelt met de wereld. Als de zonde niet tusschenbeiden gekomen was, dan zou het zoo heel anders zijn.
De wereld toch is oorspronkelijk een gave Gods, maar door de zonde is de wereld niet slechts een vijand van God, maar ook een vijand van den mensch geworden. Nu is er echter van nature niemand die den strijd met de wereld aanbindt. Wanneer God dan ook Zijn oog niet over de wereld had laten gaan, dan was niemand gered. Maar God heeft medelijden gehad. Hij heeft in het midden van de wereld een leven voor de eeuwigheid geopenbaard. Hij heeft Zijn Zoon in de wereld gezonden. En nu is het die Zoon die als hun Hoofd alle de Zijnen vooraangaat in den strijd.
Ja, Jezus Christus is Gods Zoon. Daarom alléén kan Hij verlossen. Dat is een geheim voor den natuurlijken mensch. En geen wonder. Immers de wereld begeert een anderen Koning, een Koning sterk van macht die op paarden en op wagenen zijn vertrouwen stelt. En met Zions Koning, met den Zoon van God, is het zoo juist andersom. Wilt gij van dezen Koning iets hooren, ga dan naar Gethsémané en naar Golgotha, maar ga dan ook naar den opstandingshof en den Olijfberg, en denk dan aan wat op het Pinksterfeest is geschied, hoe de Koning toen Zijn gaven om te overwinnen aan al de Zijnen heeft medegedeeld. En alleen nu door die gaven van den Heiligen Geest, door te gelooven in Christus als in den Zone Gods, wordt de wereld overwonnen. Dat is dan ook het eenige wapen dat we den jongelingen in handen mogen geven. Geen wapenen uit het tuighuis der wereld. Daarmee is het al zoo dikwijls beproefd, maar is de wereld nog nooit overwonnen. Alleen wanneer ons vertrouwen op den Heere mag zijn, dan zullen wij, als de wereld met Ezau zegt: ik heb veel, met Jacob kunnen getuigen dat wij alles bezitten.*
Het gesproken woord van den Voorzitter vormde een waardig slot van dezen tweeden Bondsdag van onzen Jongelingsbond. Nadat nog gezongen was Psalm 21: 1 en 4, ging Ds. van Grieken voor in dankzegging en hiermede was althans het officieele gedeelte van den Bondsdag ten einde.
De meeste afgevaardigden spoedden zich daarop nog naar het Vereenigingsgebouw, waar men nog eenigen tijd gezellig verkeerde. Weldra was echter de tijd van vertrek aangebroken. De trein van 7.07, die zich wat verlaat had, voerde de laatste bezoekers van den Bondsdag uit Veenendaal weg. Wij willen hopen dat de 2e Pinksterdag, die velen onzer jongelingen in Veenendaal hebben doorgebracht, voor onze Gereformeerd Hervormde jongelingschap nog tot een rijken zegen moge zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juni 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juni 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's