De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voor Jong en Oud.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Jong en Oud.

5 minuten leestijd

10) John Bunyan.

„Dit boek", zoo schrijft Bunyan, „was zóo oud, dat het gevaar liep in stukken te vallen toen ik de bladen omsloeg. Nu, ik was zéér verblijd dat zulk een oud boek mij in handen gekomen was; en ik had er slechts een weinig in gelezen, of ik vond mijn toestand in zijne ondervindingen zoo breedvoerig en zoo grondig behandeld als had hij zijn boek uit mijn hart geschreven. Dit verwonderde mij, want ik dacht: deze man kon niets weten van den staat der Christenen van onzen tijd, dus hij moet neerschrijven en uitspreken de ondervinding van vroeger dagen.

Daarenboven beredeneerde hij zeer ernstig in dat boek de oorzaak van deze aanvechtingen, namelijk godslastering, wanhoop en dergelijke; aantoonende, dat de wet van Mozes, zoowel als duivel, dood en hel, daar groot aandeel aan had, hetgeen in het eerst zeer vreemd voor mij was, maar de zaak beschouwende en nagaande, bevond ik dat het waar was. Maar mijn doel is niet daarover hier in bizonderheden te treden, alleen dit moet ik, dunkt mij, hier voor alle menschen erkennen: ik verkies dit boek van Maarten Luther over de Galatiërs (uitgenomen den Heiligen Bijbel) boven alle boeken, die ik ooit gezien heb, als het meest geschikt voor een gewond geweten.

En nu bevond ik, gelijk ik dacht, dat ik Christus innig liefhad. O, mij docht: mijne ziel kleefde Hem achteraan, mijne genegenheden kleefden Hem achteraan; ik gevoelde liefde voor Hem branden als een vuur; en nu, gelijk Job zeide: „«ik dacht, ik zal sterven in mijn nest''; maar spoedig ondervond ik, dat mijn groote liefde slechts klein was en dat ik, die meende zulk een brandende liefde voor Jezus Christus te hebben. Hem opnieuw kon verlaten zelfs voor een beuzeling — God weet hoe ons te vernederen en een mensch voor hoogmoed te bewaren!"

Verloren, verlost, bevestigd — verloren, verlost, bevestigd, dat is zoo ongeveer de gansche levensgeschiedenis van Bunyan in een paar woorden weergegeven.

Probeer eens, met een potlood in uw hand, de levensgeschiedenis, door Bunyan zelf beschreven in „Overvloeiende-Genade", na te gaan, om dan aan te teekenen waar de schrijver van zijn eigen ondervindingen van twijfel, wantrouwen en ongeloof spreekt, en — gij moet het weldra opgeven.

De aanvechtingen zijn zoo velen, de verzoeking is zoo groot, de werking der zonde zoo vreeselijk.

Bunyan moet het telkens, ook zoo vlak na die hooggespannen oogenblikken van zoete bevestiging, ondervinden, dat het woord van Paulus zoo waar is: „werk uws zelfs zaligheid met vreeze en beven, want het is God die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen."

't Is wel eens gezegd: „Bunyans geheele boek („Overvloeiende genade") is de reus Wanhoop en diens hol, met enkele stralen van dien zonneschijn, die de reus in stuipen deed neervallen en hem voor een tijd van het gebruik zijner ledematen beroofde."

En daar is zooveel waars in dat oordeel.

Waarom het lezen van Bunyans levensgeschiedenis oök zoo rijk vertroostend kan zijn voor een door zonde gewonden geest en een door schuld verslagen hart.

We willen van dien „Reus Wanhoop" iets meedeelen nu. Ge kunt er van lezen in „des Christens pelgrimsreis", 't laatste gedeelte.

Bunyan komt zoo onverwachts bij het kasteel Twijfel en zoo plotseling in het hol van Reus Wanhoop. .

Dat moet onze eerste opmerking zijn.

Pas nog hebben Christen en Hopende gesproken met Demos en Bijoogmerk, en zélf moedig voortgaande in blijmoedig Godsvertrouwen, hadden ze Demas aldus aangesproken: „Ik weet wie gij zijt: Gehazi was uw overgrootvader en Judas uw vader en gij hebt hunne voetstappen gedrukt. Het is maar een duivelsche trek, dien gij speelt, uw vader werd als een verrader opgehangen en gij verdient geen beter lot. Wees er zeker van, dat wij, wanneer wij bij den Koning komen. Hem uw gedrag zullen mededeelen."

Hoe beslist. In vast geloof stappen ze voort en zullen weldra voor des Konings aangezicht staan en de heerlijkheid van Zijn goddelijk paleis aanschouwen.

De Heere is nog zoo goed om hen dan ook nog langs het zoutbeeld van Loths vrouw te doen gaan. Waar dan het volgende gesprek gevoerd wordt:

Christen: „ Ach mijn broeder! dit is een toepasselijk gezicht; het kwam ter gelegener lijd tot ons, juist toen Demas ons uitnoodigde om over te komen en den heuvel Gewin te gaan zien. Als wij overgegaan waren, zooals hij ons verzocht te doen en waartoe gij genegen waart, mijn broeder, wij zouden, voor zoover ik weet, onszelven een schouwspel gemaakt hebben voor allen, die na ons zullen komen, gelijk als deze vrouw."

Hopende: „Het spijt mij, dat ik zoo dwaas was en ik verwonder mij, dat ik nog niet ben gelijk deze vrouw; want waarin verschilde hare zonde van de mijne? Zij zag slechts achtorom, maar ik was begeerig om te gaan zien. Dat de genade geloofd worde en ik beschaamd zij, dat ooit zulks in mijn hart opkwam."

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juni 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Voor Jong en Oud.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juni 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's