Uit de Pers.
De benoeming van prof. Dr. A. Noordtzij.
De heer D. J. Couvee, theol. student te Utrecht, geeft in „De Nederlander" een kijkje in het studentenleven en komt ons vertellen, dat het daar gewoonte is om de gereformeerde studenten met den nek aan te zien.
Men hééft maar één getuigenis voor hen, en wel dit: hard, onwetenschappelijk en oneerlijk.
Hij vertelt dat Prof. Valeton bij zijn laatste college nog gezegd heeft: allen die niet aan kritiek op den Bijbel willen doen moeten hun wetenschappelijk geweten toeschroeien.
Nooit heeft men ook aan de Gereformeerden gelegenheid willen geven om hun standpunt wetenschappelijk te kunnen verdedigen.
En nu heeft de Regeering een man benoemd van kennis, maar gereformeerd van beginsel, en van Groningen tot Leiden roept men moord en brand.
De heer Couvee neemt met die solidariteit van het moderne Leiden en het modernethische Groningen dan een loopje en zegt dat men in Utrecht hartelijk bedankt die sympathie alzoo te aanvaarden. Men is te Utrecht veel te veel ingenomen met de komst van een wetenschappelijk, gereformeerd professor, die nu de plaats van den ethischcritischen Valeton komt innemen.
Hij schrijft dan:
Voor wie een vreemdeling in Utrecht is, moet al het kranten geschrijf wel den indruk geven als wordt dr. N.'s komst in onze Academiestad alleen met vreugde begroet door ouderlingen en diakenen der Geref. Kerk van Utrecht. De studenten moesten niets van hem hebben. Zoo'n man uit zoo'n vijandige kerk. En dan onzelfstandig onderwijs! Zelfs in Leiden en Groningen meent men, dat men voor Utrecht moet zorgen: men wil «solidair* zijn.
Ongetwijfeld uit naam der plm. 40 Geref. studenten aan Utrechts Hoogeschool danken wij voor dergelijk een solidariteit.
Solidair? Maar met wie? Ook al met dat deel der moderne theologen te Leiden en Groningen, die denken ons een dienst te bewijzen door een dwaas en slecht geformuleerd protest tegen een broeder uit een andere Kerk?
Wij wenschen die solidariteit niet. Het is louter bekrompenheid. Indien wij zelf eens de keus hadden gehad tusschen een even bekwaam man uit onze Kerk en dr. N., wie zou niet den Herv. hebben gewild? Nu de Regeering ons echter dr. N. toewijst, verheugen wij ons van harte, niet over de benoeming van dr. N. — "want wij kennen hem niet — maar over het feit, dat een Gereformeerde thans het woord zal komen voeren over kwesties, die hier steeds eenzijdig zijn belicht. Niet de politiek, maar het hier opgezonden gebed heeft den doorslag gegeven.
En indien dr. Noordtzij zelf in den naam van zijn God komt om ons Gods Woord te verklaren, eerlijk en oprecht, zooals zijn portret eerlijk en oprecht ziet; en met een biddend hart, dat God hem wijsheid mag geven; nu, dan ontvangen wij hem met open armen en om het leed, dat men hem nu reeds deed, zal hij ons des te liever zijn, ook al is hij uit een ons «vijandige» kerk. Wie werkelijk de Herv. Kerk liefheeft, d. i. niet dat amalgama, waarvoor Groningen en Leiden zich druk maken, kan zich niet anders dan verheugen over het feit, dat weer iemand die één is met de ware belijdenis dier kerk, hier zal doceeren.
Hier is studiebelang, levensbelang..
En wien het spijt, dat hij thans niet vóór, maar tegen de schrift-critiek zal hooren pleiten, die onthoude het: Audi et alteram partem; wat wij tot nog toe steeds hebben betracht.
Utrecht, 14 Juni 1912.
D. J. COUVEE,
Theol. student.
In „De Nederlander" van 17 Juni jl. lazen we:
De benoeming van Prof. Noordtzij en de critische Schriftbeschouwing.
Geachte Redactie.
Audi et alteram partem.
Nu dr. van Gheèl Gildemeester in uw blad met kracht opgekomen is tegen de benoeming van dr. A. Noordtzij tot hoogleeraar in de vacature-Valeton op grond van zijn lid zijn van de «Geref. Kerken", zij het mij toch vergund er eens op te wijzen, dat deze zaak twee zijden heeft. Niemand zal mij wel verdenken van te veel sympathie voor het separatisme, doch ik acht het zeer onbillijk, dat men voortdurend slechts éene zijde scherp belicht en voor de andere zijde geen oog heeft of haar althans onbesproken laat. En die andere zijde is voor onze Kerk naar mijne meening (en ik weet dat ik hierin een zeer groot deel der gemeente aan mijne zijde heb) nog van veel grooter gewicht dan de kerkelijke positie van dr. Noordtzij. Het gaat hier namelijk om de Schriftbeschouwing.
De groote vraag was, of wij te Utrecht voor het onderwijs in het O. T. nu eindelijk eens iemand zouden krijgen, die de traditioneele Schriftbeschouwing der geloovige Gemeente, gegrond op het gezag van Jezus en de apostelen, deelt, dan wel iemand van de critische school, welke school bijv. ontkent, dat de wetgeving op den Sinaï heeft plaats gehad, zooals het ons in den Bijbel wordt bericht, ontkent, dat de tabernakel en de eeredienst daarmede verbonden, zooals de Bijbel ons dat verhaalt, ooit heeft bestaan, ontkent, dat de muren van Jericho door het geloof zijn gevallen, enz, welke school dus m. a. w. niet alleen het O. T., maar indirect ook het N. T. en ons geloof in den Christus als den Zoon van God en Hoogepriester des N. Verbonds aantast.
Het was m. i. hoog tijd, dat de regeering nu eindelijk eens toonde, ook hier het audi et alteram partem (hoor ook de wederpartij) te willen toepassen, waar tot nog toe voor al onze hoogescholen zoowel voor de theologische als voor de literarische faculteit (onlangs ook nog weer te Leiden door de benoeming van prof. Wensinck) niet anders dan critische geleerden voor het O. T. zijn benoemd en dus een soort monopolie is toegepast. Bij deze hoofdkwestie vergeleken, is de kwestie van dr. Noordtzij's kerkelijke beschouwing ongetwijfeld, hoewel niet van belang ontbloot, toch van veel minder gewicht. Het spreekt toch vanzelf, dat bij inleiding en exegese van het O. T. de kerkelijke zienswijze weinig of niet ter sprake behoeft te komen, terwijl daarentegen de vraag naar de betrouwbaarheid van de historische verhalen van het O. T., naar verhouding van 'de wet en de profeten, naar de verhouding van den O. Testamentischen eeredienst tot hare vervulling in Christus hier alles beslist en met name beteekenis heeft voor de opbouwing onzer Kerk in positieven zin. Men heeft zoo lang geroepen: de traditioneele Schriftbeschouwing is niet meer te handhaven, doch — men heeft nooit iemand van niet-critische richting gelegenheid gegeven zijn beschouwing nu eens niet slechts dogmatisch, maar ook literarisch en historisch wetenschappelijke wijze uit te werken. Aan deze groote onrechtvaardigheid op wetenschappelijk gebied (die ook b.v. door de Nieuwe Courant is gevoeld; herkende ik hierin het bezadigde woord van een ouden, hooggeleerden leermeester van het gymnasium t. L. ? ) is nu ten minste een einde gemaakt.
Natuurlijk betreur ook ik het, dat men hiervoor niet iemand koos van Hervormde zijde. Alleen bedenke men, dat de keuze op dit gebied uit den aard der zaak niet groot is. Toch was er een zeer geschikt candidaat voor de vacature geweest, wiens naam ik hier maar zal verzwijgen, en ik blijf het jammer vinden, dat hij niet is benoemd.
Intusschen laat ons rustig afwachten. Dr. Noordtzij heeft nog op geen enkele manier getoond, dat hij «vijandig* zou staan tegenover de Ned. Herv. Kerk; integendeel, hij wordt geroemd als een man van zeer breede sympathieën. Laat ons ook oppassen, dat de ontevredenheid over deze benoeming niet worde geëxploiteerd om te komen tot algeheele opheffing der theologische faculteit. Dan zou de bom juist naar de verkeerde zijde springen. Daardoor zou toch de ontkerstening onzer openbare instellingen alweer een schrede verder voortgaan, terwijl nu juist door de benoeming van een Schriftgeloovig man een schrede gezet wordt in tegenovergestelde richting. Moge de kerkelijke kwestie in deze zaak tot hare juiste afmetingen (zooals ook de Nederlandsche Kerkbode ze zag) worden herleid en de hoofdkwestie hierbij in het oog gevat, waarom het gaat in den wetenschappelijken strijd onzer dagen en die vooral ook aan onze openbare universiteiten niet moge worden genegeerd, nl. het "Daar staat geschreven". Waarlijk er is hier reden voor een dubbel Audi et alteram partem.
Met vriendelijken dank. voor de verleende plaatsruimte, noem ik mij, hoogachtend.
Uw dw. dr. P.J. Kromsigt
Amsterdam, 14 Juni 1912.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juni 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juni 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's