De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

En zij werden allen vervuld met den H. Geest en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid. En der menigte van degenen, die geloofden, was één hart en één ziel. Hand. IV : 31b-32a; .

Een gezegend samenzijn.

God kan veel gegeven hebben, terwijl van 's menschen zijde nog beleden moet worden: „ik heb o zoo weinig verkregen". Neem de prediking van het woord, d. i. Gods gave; maar wanneer de Geest des Heeren zich nu verre houdt, zal deze nog geen gewenschte vruchten afwerpen. Dus wat noodig is, noodzakelijk zelfs, dat de bede voortdurend oprijst:

„Heere houd uwen Geest niet in".

De H. Schrift spreekt het zoo duidelijk uit: niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn dan door den H. Geest.

't Heele leven uit God ontgaat ons, als daar geene uitstorting des H. Geestes in ons harte plaatsgreep. Zonder deze geboorte van Boven kunnen we 't Koninkrijk Gods niet zien. Neemt maar een beeld uit het natuurlijke leven.

Al zet ge een blinde in het volle zonlicht, zóó, dat ieder, die zien kan, zeggen zou: „geef mij een sluier, want ik word blind" — zoo zal deze blinde 't oog niet afwenden, zijn doffe oog staart zonder eenige gewaarwording in 't volle licht.

Hoe komt dit nu ? Waarom kan die blinde 't felste licht verdragen, terwijl de ziende zich voor het zwakke moet verbergen? Ge zegt het zelf. het licht is uit dat oog verdwenen.

Zoo is 't nu bij den geestelijk blinden mensch ook. Al zit hij onder de zuiverste prediking van het heerlijkste Evangelie — zonder dat het licht Gods werd ingeplant — hij ziet niets. De Heere moet met zijn levenwekkenden Geest nederkomen.

't Geldt voor elke ziel in 't bizonder en ook voor heel het volk des Heeren tezamen.

Wat loopt 't dadelijk in de war, 't zit onmiddelijk vast als de Geest niet in de raderen werkt.

Hoe heerlijk als Deze de staf der samenbinding over de hoofden her en der beweegt. Dan wordt wat verstrooid lag en verstoord was één. Wilt ge 't zien? Neem dan Hand. IV maar eens voor u.

Jeruzalem had wónder-heerlijke dingen gezien. Petrus en Johannes hadden ten aanschouwe van ieder een kreupel-geborene genezen. Enkel en alleen door de kracht van Boven. Luistert maar naar deze eigene woorden: „zoo zij u allen kennelijk en aan het gansche volk, dat door den Naam van Jezus Christus den Nazarener, deze, die hier voor u staat, gezond is geworden".

De vijand kon dit feit niet loochenen, maar erkennen nog minder. Wat ze doen moesten wisten ze niet. En zoo ziet ge het gebeuren, lezer, dat weldoeners terecht moeten staan als misdadigers. Evenwel zulk terechtstaan is niet moeilijk. Ze spreken met zulk een vrijmoedigheid, dat de rechters er verbaasd van staan. Ze konden ze niet veroordeelen. En de uitkomst is deze, dat ze worden vrijgelaten, ook al klinkt hun getuigenis: wij kunnen niet laten te spreken hetgeen wij gezien en gehoord hebben. Hun gang is, zoo als licht valt te vermoeden, dadelijk weer naar den discipelenkring. Wat hier plaats greep laat zich verstaan: hart en hand hief zich naar omhoog, om Gode te danken en Zijn Naam te prijzen. „En als zij gebeden hadden", zoo leest ge, „werd de plaats waar ze vergaderd waren, bewogen en zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid.

En der menigte van degenen, die geloofden, was één hart en één ziel".

Dat mocht met recht een gezegend saamvergaderen heeten. Daar was de Heere met Zijn Geest in het midden. Vandaar al die edele vruchten. Wat uit den Allerhoogste Zelven ontspruit, draagt dit duidelijk aan het voorhoofd. Op de knieën wordt het harte vervuld, de tong losgemaakt en de zielen samengesnoerd. Wat woudt ge me ooit schooners aanwijzen.

Op de knieën, d. i. het eerste. We spreken er vaak van, we nemens telkens de vormen in acht, maar in werkelijkheid, zou het gebed niet o zoo dikwerf geheel ontbreken, ook als we opgaan naar en verkeeren in het huis des Heeren? 't Is wel de naam, beluistert maar het woord door den Heiland zelven gesproken: „Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden".

Daar is 't in de allereerste plaats om begonnen. Vanwege al die verbeurde zegeningen dient de Heere geprezen en al de nooden naar ziel en lichaam moeten voor Hem nedergelegd.

Och het moest geen oorzaak hebben, telkenmale op de noodzakelijkheid hiervan te wijzen. Maar de werkelijkheid leert, dat de zegen vaak zoo gering is, wijl onzerzijds geen enkele vraag is opgerezen. O, wee de prediker, die dit vergeten kan, dat de Heere voor hem het pad geheel moet effenen. En 't is tot schade voor de Gemeente zelve, die het naliet de knie te buigen, om den Koning der Kerke te smeeken, dat het Woord zijn loop hebbe, dat zielen door zijn Geest worden getrokken.

Het verhaal is bekend, wellicht ook aan u, lezer, van den prediker die bij de prediking 's morgens zich langer liet wachten dan men gewoon was. Men wist, dat hij reeds in de consistorie was, vandaar dat men wachtte. Evenwel de koster kon het niet laten even te zien, 't was toch mogelijk dat hem een ongeluk overkomen ware. De deur stond op een kier en door de opening kon hij zien dat de prediker in het gebed was.

Men wachtte nog een wijle. Intusschen begon de stilte in het kerkgebouw benauwend te worden. Een ouderling staat op, deze zal op een zachte wijze den prediker herinneren, dat het tijd was.

En waarmede meent ge nu, lezer, met welke tijding, komt deze terug.

Gemeente, wacht. Ik heb onzen leeraar dit hooren zeggen: „Ik zal heden niet opgaan, tenzij Gij met me mede zult trekken!"

Hij komt niet, tenzij de Heere met hem is. Wat ons te doen staat, is met hem mede te worstelen.

Na enkele oogenblikken komt de prediker op, zijn aangezicht scheen te blinken, en de prediking was met zulk een kracht, dat langen tijd daarna van deze wónder-heerlijke samenkomst nog gesproken werd. En wat het voornaamste is: de eeuwigheid zal de heerlijkste vruchten toonen.

Een Gemeente, die biddend haren leeraar ontvangt, en een leeraar, die hinkende werd aan zijn heupe — het kan niet anders — de vruchten des Geestes komen.

In de Gemeente te Jeruzalem kwam de Geest met zulk een kracht, dat de vergaderplaats bewogen werd, allen, die er waren, met den Geest vervuld.

Och, lezers, wat zou het heerlijk zijn, als meerdere kinderen Gods werden tezaam gedreven op de knieën. Als Gods zaak. Zijne eere en Zijne deugden, ter eener zijde, met de nooden der zijnen ter anderer zijde, zoo­ zeer de harten in beslag namen, dat ze eens recht als bedelaars kwamen te staan voor de poorten des hemels. Wat zou daar een reeks van zegeningen ontspruiten. De hemel is nog vol van krachten, 't Is dezelfde God als van-ouds. Het gebed tot den Allerhoogste heeft nog dezelfde beloften.

Zij verkregen vrijmoedigheid in het spreken en eensgezindheid in het willen.

Zouden dit geen twee voorname zijn, wat dunkt u?

Vrijmoedigheid in het getuigen. De Geest des Heeren heeft beslag gelegd. Men durft en men wil. Kostelijke zaken.

De roeping van de Kerk, weet ge, getuigen, het Evangelie verkondigen, de kruisbaniere laten uitwapperen, als een zuurdeesem het gansche meel doorzuren. Deze roeping staat er voor alles wat tot de Kerk behoort, maar nu is haar gang door de wereld niet als van een weldoenster, die overal geopende poorten vindt; integendeel, zoodra zij komt met haren lastbrief, stiet ze op verzet, 't Is een leger ten strijde, het keurkorps des Heeren. Niet alleen een strijd inwendig, maar ook uitwendig. En o, wee als 't nu niet durft en aals men 't onder elkander niet eens.is.

Neemt maar een leger in natuurlijken zin. Als de soldaten geen moed hebben en de officieren zijn oneenig, wat ziet ge dan: het wordt overwonnen.

Zoo ook de Kerke Christi.

Zij heeft het zwaard aan te gespen, niet het wereldlijk zwaard, maar dat des Geestes, hetwelk is Gods Woord. Ziehier haar eenig wapen, om aan te vallen. Dit moet altijd gehanteerd. Predik het woord.

Wat de discipelen dus van noode hebben is vrijmoedigheid. Een lust, een liefde, een drang van binnen, en van buiten geen schroom, geen bangheid, maar moed om te getuigen. Dit alles wordt geleerd in de school des Heiligen Geestes. Hier alleen.

Vrijmoedigheid in het spreken en eensgezindheid in het willen.

De menigte, die geloofde was één hart en één ziel.

Het kostelijkste wat zich denken laat. Sedert het Paradijs voor den mensch de poorten liet dichtvallen, is dit ten eenenmale zoek. Al kan hij in dezen treurigen staat van twist en tweespalt niet leven, toch treden ze hem overal in den weg. Heel de wereld over. Alleen waar Christus in het harte heerscht, daar is in beginsel die vrede hersteld. Vandaar, dat we ook spreken vaneen gemeenschap der heiligen. Zij hebben het middelpunt gemeen. En als ze daar in weg mogen val!en, wegzinken, zie dan wordt die vrucht gesmaakt, van één ziel en één hart.

Eensgezindheid wil ook de wereld. Zij heeft het er telkens over. Zij treedt u telkenmale op zij: „zouden wij geen verbond kunnen sluiten? Waarom zouden wij niet in vrede kunnen leven, als we dat eens een weinig leerden, niet te spreken over wat ons scheidt. Mij .dunkt dan konden we het best vinden."

Hoort ge daar het addertje niet schuifelen? Zoo is de werking des Geestes immers niet; deze geeft juist vrijmoedigheid in het spreken.

Daar komt het juist in uit. Daar treedt het door naar buiten. Waar hun harte ruste vond. Waar hun ziele in weg smolt: in de armen van hun Heiland, in Zijn Borggerechtigheid, daarvan spreekt hun tong.

Weet ge daarvan, lezer? Voelt ge u één met Gods volk, gaat daarheen uw hart uit?

Van nature neen. Daartoe is noodig niets meer, maar ook niets minder dan de werking van Gods Geest.

Dat ons harte er naar uit ga bij aanvang of bij vernieuwing. De Heere wil er om gevraagd zijn. Dat het gebed van onze lippen niet wijke.

„Heere schenk mij de hulpe Uws Heiligen Geestes".

Verkeer daartoe veel op de middelijke wegen. Wanneer 't niet uit liefde is, laat het dan zijn uit gehoorzaamheid Aan zijn woord voegt Hij telkenmale zijn Geest toe.

Zoo luiden de beloftenissen.

En wie onder de levendmakende aanraking des Geestes eenmaal door ging — ook al moet thans telkens beleden, de vrijmoedigheid ontbreekt me op dit oogenblik ten eenenmale — hij voege zich bij het volk des Heeren in het huis van hun God, opdat knie naast knie zich buige; opdat ziel naast ziel zich uitstorte, opdat 's Heeren Geest nog wonderen doe.

Laat het hier gebrekkig blijven vanwege de zonde, eenmaal zal 't zijn één hart en één ziel voor den Troon.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juni 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juni 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's