Voor Jong en Oud.
12) John Bunyan.
In plaats dat men zich in zaken des geloofs alléén door Gods Woord liet leiden en Gods geboden tot eenigen regel stelde; in plaats dat men zocht alleen door Gods Geest geleerd en geleid te mogen worden langs een effen pad — is de uitgang des harten zoo dikwijls naar allerlei raad, die uit den booze is.
En mag het dan aanvankelijk nog zoo slecht niet gaan, spoedig valt de duisternis en de ziel weet geen raad.
Wanneer de dichter van Ps. 119 zegt: „Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond, dat onbedacht zijn herder heeft verloren", dan is daarin neergelegd hoe, na ontvangene genade, het harte zoo dwaas en zoo arglistig kan zijn en de voet zoo gemakkelijk kan ingaan in schadelijke en verkeerde wegen.
Dat zien we ook bij de twee pelgrims Christen en Hoop.
Ze gaan de Weide met het Bijpad in.
En op het Bijpad gekomen vonden zij het heel wat makkelijker voor hun voeten, die zeer gevoelig waren geworden op het hobbelige pad, dat zij een tijd lang hadden moeten bewandelen.
Dat is juist zooals zij het wenschten.
En zij worden bemoedigd, daar zij bemerken dat er nog iemand op dat pad loopt, 't Is IJdel-Vertrouwen, wien zij aanspreken, vragende of hij hun ook zeggen kan waar deze weg heengaat.
Hij zeide: „naar de Hemelpoort."
„Zie", zeide Christen, „heb ik het u niet gezegd? Hieruit ziet gij, Hoop, dat wij op den rechten weg zijn!"
De vreemdeling, IJdel-Vertrouwen, ging voor hen uit en zij volgden.
Maar ziet, ze zijn nog niet zoo héél ver gegaan, of het wordt donker en de nacht overvalt hen.
Hun reismakker, IJdel-Vertrouwen, kunnen ze niet meer zien. De groote duisternis bedekt alles en de schrik slaat hen om 't hart. Wat moeten ze doen?
En de angst wordt ontzettend, toen zij recht voor zich uit hun reismakker in een diepen put (Jes. 8 : 15) hooren vallen en het hun in de ooien klonk, alsof hij te pletter viel.
De koning van het land had daar opzettelijk een diepen kuil laten graven om ijdelroemende dwazen, die het zonder de 'lampe van Gods Woord konden stellen, in te vangen. En aan het geluid van het steunen en kermen was het te bemerken, dat IJdel-Vertrouwen in stukken gebroken in de diepte neerlag!
Toen zei Hoop: „waar zijn we nu? "
Doch Christen zweeg stil met bezwaard hart, omdat hij Hoop op den verkeerden weg had geleid.
Onderwijl begon het te regenen, te donderen en te lichten op een verschrikkelijke wijze en het water wies zeer sterk.
Toen zuchtte Hoop, zeggende: „Ach, had ik toch maar mijn weg gehouden."
Christen: „Wie kon dat gedacht hebben, dat dit pad ons zoo uit den weg zou gevoerd hebben? "
Hoop: „Ik was er héél in 't begin al bang voor, daarom gaf ik zulk een ernstige waarschuwing. En ik zou wel duidelijker gesproken hebben, maar gij zijt ouder dan ik."
Christen: „Lieve broeder, wees niet toornig op mij; het spijt mij, het spijt mij zéér, dat ik u uit den weg heb gevoerd en u in zulk een dreigend gevaar gebracht heb; ik bid u, mijn broeder, vergeef het mij; ik deed het niet met een verkeerde bedoeling."
Hoop: „Zijt goedsmoeds, mijn broeder, want ik vergeef het u en ik geloof ook, dat dit ons nut zal zijn."
Christen: „Ik ben blijde, dat ik in u zulk een barmhartigen broeder heb; maar wij moeten hier niet blijven staan: laat ons trachten weer terug te gaan."
Hoop: „Maar, lieve broeder, laat mij voor gaan."
Christen: „Neen; zoo gij het goed vindt, laat mij dan vóórgaan, opdat, zoo er gevaar is, ik er het eerst in mag komen, want ik draag de schuld, dat wij beiden uit den weg zijn gegaan."
Hoop: Neen, gij zult niet voorgaan. Want daar uw gemoed nog beroerd is, mocht gij den weg weder eens misloopen."
Tot hunne bemoediging hoorden zij toen eene stem, zeggende: zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt; keert weder". Jer. 31:21.
Onderwijl waren evenwel de wateren zéér gerezen, zoodat de weg, om terug te gaan, zeer gevaarlijk was. Bovendien was het zóo donker geworden en de vloed was zóo hoog, dat zij bij de pogingen om terug te keeren wel negen-of tienmaal gevaar liepen te verdrinken.
Ze konden, wat ze ook deden, den overstap niet meer terugvinden. Daarom zetten zij zich ten laatste onder een kleine schuilplaats neder, om daar het aanbreken van den dag af te wachten, doch vermoeid zijnde en geheel uitgeput, vielen zij daar in slaap.
Ongelukkige pelgrims!
Wat is het gemakkelijk om uit den weg te raken, en wat is hetmoeilijk, ja, voor den mensch-onmogelijk om weer in den weg te komen.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juni 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juni 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's