Stichtelijke overdenking.
Maar ik zal uitzien naar den Heere; ik zal wachten op den God mijns heils: mijn God zal mij hooren. Micha 7 : 7.
Machtig is de stuwkracht der hope. In donkere tijden houdt de hoop op betere dagen den lijdenden mensch staande. Als de baren der levenszee hoog opzwalpen, dan doet de hope nog haar licht glanzen over de fel bewogen golven. Alleen de hope op beter gelukken drijft u om op de puinhoopen van verbroken verwachtingen nieuwe te bouwen. Dat zich straks zijne voorraadschuur ontsluiten zal om de vrucht van zijn arbeid te ontvangen, spoort den landman aan om de hand aan den ploeg te slaan. De hope een dierbaar leven, dat bedreigd wordt, te mogen behouden, doet u vergeten uitputting en vermoeienis aan de sponde van uwen kranke.
Reeds in 't natuurlijk leven is de hope ontwijfelbaar zeker van de hoogste beteekenis.
Alleen maar tegen 't hek van het kerkhof wordt zoo menig aardsch verwachten versplinterd ; op de riffen van den dood lijdt zoo velerlei hope schipbreuk.
Als een dichter ons verhaalt van een jongeling, die moedig en hoopvol optrekt naar den Alpentop, met wapperende banier steeds booger op, maar straks in sneeuw en ijs daar boven den dood vindt, dan wordt ons hierin een welgelijkend beeld getoond van 't leven, dat aardsche hope slechts tot grondslag en drijfkracht heeft.
De jongen zullen moede en mat worden. Maar die den Heere verwachten, die zullen de kracht vernieuwen.
Alle hope, die uit God niet is, liegt.
En hoevelen toch, die niet anders koesteren dan verwachling, wier versplintering zeker is; die 't niet opmerken, dat de Heere hen in de teleurstelling des levens terugroept van de ijdelheden tot Hem, Die waarachtig is.
Want er is geen leven zonder hope, maar daar is evenmin een leven zonder teleurstellingen.
Daar ontkomt niemand aan. Die liggen op elk levenspad. Dat is pijnlijk, want de teleurgestelde hope krenkt 't hart.
Hier richt ge u met wat inspanning weer van uwe teleurstellingen op, maar eens, als voor de poorten der eeuwigheid de losse verwachtingen voor 't hiernamaals duizenden zullen ontvallen, dan is er geen herstel meer.
Als 't scheepke der hope bij 't overglijden uit den stroom des tijds in den oceaan der eeuwigheid stuk stoot, dan is ondergang onontwijkbaar.
Nooit meer rust door het knagen van den worm der bitterste teleurstelling.
Laat dit ons nimmer doen aflaten van het ernstig onderzoek, of onze hope op hechten grond gebouwd werd.
Waarachtig is uw hope alleen, als zij rust in God, Die niet verandert, en bij Wien geen schaduw is van ommekeer.
Die op den Heere hopen, worden nooit beschaamd.
Laat ons uit dit oogpunt bovenstaand Schriftwoord beschouwen, en er een enkel woord van zeggen.
't Waren bange, donkere tijden, toen de profeet Micha werd uitgezonden om de woorden Gods te leggen in het midden van een afvallig volk.
Een ander profeet heeft de diepte van den afval aldus geteekend: het gansche hoofd is krank en 't gansche hart is mank. En ook deze knecht Gods, lees slechts wat aan dit tekstvers voorafgaat, moet 't. bangste wee aanschouwen eu uitroepen over een volk, dat zoover is afgeweken. Angstig ziet hij rond, maar bespeurt geen straal van licht, 't Is hem, als ware hij op een akker, waar de zomervruchten zijn ingezameld, of in een wijnberg, waar de nalezingen geschied zijn! Vroegrijpe vrucht begeert zijne ziel, maar hij vindt ze niet. De goedertierenen en de oprechten zijn vergaan onder de kinderen der menschen. De besten des volks zijn scherper nog dan een doornhaag; als een scherpe doorn, zoo wonden zij, vreemd aan alle mededoogen.
O, de dag, waarop dit diepgezonken volk zal worden verstoord, is niet verre meer.
Alle grondslagen van recht en orde en saamleving zijn ondermijnd; de schending der heiligste betrekkingen is aan de orde van den dag. De trouw wordt bespot. Zoo kan geen volk bestaan.
En midden in de schildering dezer donkere dagen plaatst de profeet nu zijn. maar ik zal uitzien naar den Heere, ik zal wachten op den God mijns heils. Van zichzelf, van zijn volk verwacht hij niets 't Stelt alles teleur; 't-breekt alles bij de handen af. Wie nauw onderkent, speurt alleen wat tot bange zorge zou kunnen aandrijven.. Hem ontzinkt alle hoop, alle moed. Gestorven aan de hope op eenig schepsel, rust zijne verwachting nu enkel op de trouw zijns Gods; op 't Woord des Heeren, dat niet liegt.
Zoo staat hij en staart naar 't licht, dat hij heel verre ziet blinken, verzonken in het heil, dat opkomt uit zijn God. Zijn God zal hem hooren.
Liefelijke gestalte der ziele, waarin ons hier Gods Kerk wordt geteekend. Want haar stelt de profeet hier voor. Als aller menschen hulp en heil werd weggevaagd als een morgenwolk; als al wat gezien wordt, met bange vrees vervult; als 't geloof in waarheid is geworden 't bewijs der zaken, die men niet ziet, dan is er dat uitzien naar den Heere, dat stille wachten op den God des heils.
Zie echter wel toe, lezer. Wachten en wachten is twee.
Daar zijn er, die u op de vraag naar hun verwachting voor de eeuwigheid, antwoorden, dat zij 't maar afwachten willen, wijl ze er toch niets aan kunnen doen. Een stoïcijnsch, koud, gevoelloos wachten, dat eigenlijk op niets wacht, eene valsche lijdelijkheid, 't drogbeeld van ware lijdzaamheid, dat zich „wachten" noemt, maar eigenhjk „verachten" is. Een drogbeeld, waarmee zich helaas toch zoo velen in onze kringen tevreden stellen voor de eeuwigheid.
Met algemeene waarheden, die 't in hun mond niet zijn, leggen zij der conscientie 't zwijgen op, ze kunnen er immers toch niets aan doen; wat kunnen ze anders dan afwachten maar de toon maakt 't lied, zegt een Fransch spreekwoord, maar hun toon verraadt, dat 't niet om waarheid, om woorden slechts te doen is.
De gruwel van dit misleiden ligt naakt voor God. Niets wat Hem meer grieft, dan dat wij Zijne Waarheid tot dekmantel onzer leugenen maken.
Van wat gansch ander wachten spreekt dan de profeet. Geen afwachten in koele onaandoenlijkheid; ook niet een her-en derwaarts geslingerd worden door hoop en vreeze. Dan had de profeet niet gezegd: ik zal uitzien.
Wie uitziet, verwacht verlossing; terwijl ge weifelend voor u henen staart, als ge van uw toekomst onzeker zijt. Hier is een wachten bedoeld, dat zeker is van de komst des Verwachten !
En daarom, het is een lijdzaam en tegelijk een arbeidzaam wachten. Dit wachten is inwachten.
Als wij zoo wachten en uitzien, lezer, dan ging de belofte vooraf, dat de Heere komen zal om ons met Zijn heil te bezoeken.
Dit wachten onderstelt, dat de Heere beloften gaf niet alleen, maar ook dat Hij geloof werkte, dat deze belofte aannam; en nu blijft niets anders over dan gereed te zijn, om het beloofde straks in ontvangst te nemen.
Heerlijke gestalte der ziele, mijn lezer!
Als een nachthutje in den komkommerhof, zoo staat in ons tekstwoord Gods Kerke, te midden van bange nood en moeite en afval en zonde, die Israel verscheuren. Daar staat Gods Kerk als één, die een gast verwacht en nu uitgaat om te zien, of hij reeds komt; neen, anders nog, als één die den Heere, den Waarachtige verwacht, en zeker van Zijn komst, uitziet naar Hem.
Zij hoopt; en hopen is geen zuchtend wenschen van het onzekere, maar uitzien naar het beloofde.
De echte hope heeft een vasten grond.
Dit is hare machtige kracht, dat in haar inligt de aanvankelijke ervaring der vervulling, de aanvankelijke genieting van het gehoopte.
Voor wie waarlijk hoopt, is de vervulling van Gods belofte niet een twijfelachtige, zelfs niet een waarschijnlijke, maar eene boven alle onzekerheid verheven zaak.
't Staat vast. Hij, Die u roept, is getrouw. Die het ook doen zal.
Daarom kon de Apostel tot zijne gemeente zeggen: in hope zijt gij zalig geworden.
En al mag 't soms lang ook duren eer Sions verlossing komt, toch blijft Sion op haar wachttoren en ziet uit.
Als gij aanklopt aan 't huis van één, dien gij kent als niet zeer mild, om een gave, en men doet u de deur niet spoedig open, dan gevoelt ge neiging weer heen te gaan, maar hij, die weet dat het heil komt, omdat God 't beloofd heeft, verlaat zijn plaats niet.
Eens, na een nacht van wild noodweer, stond op een duin aan 't strand der zee een visschersvrouw, die tuurde over de wijde wateren. Zij wachtte haar man, die weerkeeren moest. Niemand kon haar wegvoeren van haar eenzamen post, zij wachtte haar man, die weerkeeren moest. Maar hij kwam niet weer, want in de zilte golven vond hij zijn graf.
Zoo kan teleurstellen wat mensch is, wijl hij van gisteren is en niet weet, maar nooit de Heere, want Hij is Waarachtig.
Voor die eenzame vrouw was het de radeloosheid van angst en smart, die haar bond aan haar wachttoren, voor Gods Kerke moet het zijn geloof aan het Woord Zijner belofte, dat haar zóó sterken moet, dat geen macht ter wereld van haar wachtpost haar kan afdringen, waar zij uitziet naar den Heere. Waan niet, dat zij op de rots barer hope onbereikbaar zou zijn voor de aanvechtingen des boozen, voor de lokstem van wereld en eigen hart, die als Israels Verlosser te komen toeft, Israel om strijd toeroepen : naar u hoort Hij niet; kom af en in ons midden, en vergeet Hem, Die u vergeet.
Als 't water klimt en de vloed stijgt, al hooger en hooger, over heup en borst en schouders, stijgt tot aan de lippen toe, dan wordt 't bang, dan omvademt .donkerheid vaak de ziele, en wordt 't uitzicht belemmerd; dan dreigt de gezichtslijn, die met God verbindt, te breken door de geweldige spanning.
Al is er zekerheid in God, die hooren zal, ze is niet onaangevochten; ze blijft niet onbestreden ; ze kan veeleer slechts vrucht zijn van volhardenden strijd. Slechts in volle wapenrusting mag zich een geestelijk strijder ter ruste leggen. Nooit mag 't zwaard afgelegd, nooit 't pantsier ontgespt. 't Uiterst gevaar bedreigt een ziel, die haar opperste Leidsman en Voleinder des geloofs uit 't oog verliest. De levensstrijd maakt zoo al meer onmisbaar en in diezelfde mate al meer dierbaar Hem, Die de ware Wijnstok is, de eenige Fontein van Licht en kracht. En hoe hooger de bestrijding en aanvechting klimt, met des te meer kracht moet het leven in de ziele: Mijn God zal mij hooren.
Treffend getuigenis van hope, die op God gebouwd werd. Om tot jaloerschheid te verwekken,
't Is geen sprong in het duister voor zulk een ziele, die zich op God werpt.
Ik weet, in Wien ik geloofd heb, mocht de apostel getuigen, en eeuwen te voren reeds een ander kind van God: Ik weet, dat mijn Verlosser leeft
Geen ongegronde, valsche verzekerdheid. Evenmin een wisselend spel van goddelijk doen en menschelijk werken.
Neen, maar 't vastklemmen aan het Woord der belofte van een God Die niet liegt.
„Ik zal u antwoorden, en in de benauwdheid zal Ik bij u zijn."
Wel is waar neemt niemand zulks aan, of 't moet hem van Boven worden gegeven; dit wachtend uitzien is geen eigen werk, maar werk Gods, om 't welk Hij wil gezocht worden door Zijn volk, en dan geeft Hij ook metterdaad aan Zijn in zichzelf wankelend kind te Zijner tijd te gelooven.
Mijn God zal mij hooren! niet omdat ik het ben, neen, maar omdat Hij 't is, de Getrouwe, Die 't ook doen zal.
Belofte en geloof zijn beide Gods gaven. Hij, de Heere, doet geen half werk. Zonder geloof spreekt de belofte u niet toe. 't Is geloofstaal: mijn God zal mij hooren. 't Is geloofsactie: ik zal uitzien naar den Heere, en wachten op den God mijns heils. En daarom, 't is taal, die niet liegt, en werk dat niet bedriegt.
Lezer, opdat 't ook de taal van uw hart zal zijn, is noodig, dat gij ontdekt wordt aan uw verlorenheid, opdat over de puinhoopen van 't paleis uwer heerlijkheid en de burcht uwer kracht, voor u 't pad gebaand worde naar de eeuwige tabernakelen.' Vrees niet, als dit komt, want zoo leidt u des Vaders hand uit duisternis naar 't eeuwige licht. Zoo geneest Hij afkeerige kinderen en brengt ze in Christus Jezus terug naar het Vaderhuis.
Zie toe, welke de grond uwer hope zij; waarop uwe verwachting staat gefundeerd.
Christus alleen is de Rots, Die niet bezwijkt. Door het geloof wordt Hij uwe, en uwe hope in Hem gegrond.
Worde u dat geloof geschonken of vermeerderd, opdat ge in Gods beloften rusten moogt.
En zoo Hij vertoeft, het is goed Hem te verbeiden, want Hij komt gewis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juni 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juni 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's