De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven

12 minuten leestijd

De 3 voorstellen tot Reglementswijziging.

Wat we in No. 28 schreven over drie wijzigingen tegelijk hebben we tot een bepaald voorstel gemaakt en is aan de Algemeene Synode onzer Kerk "verzonden door het Bestuur van onzen Geref. Bond.

Tegelijk hebben we een afdruk van dit adres aan de Synode gezonden aan tal van Kerkeraden met verzoek als Kerkeraad dat adres ook te zenden naar den Haag, waardoor ons pogen tot nadere omschrijving van de proponentsformule enz. te komen, zeer zeker in kracht en invloed winnen zal,

Wij hopen dat veel, héél veel Kerkeraden adresseeren zullen.

Laat men niet zeggen: 't geeft toch niet.

Want 1e weet men dat niet en 2e moeten we de uitkomst geheel overlaten aan den Heere, die spreekt en het is er, gebiedt en het staat er, alles besturende naar Zijn welbehagen.

Intusschen verheugt het ons in de pers reeds een stem gehoord te hebben, ten gunste van onze Voorstellen.

In het „Kerkblaadje", weekblad onder redactie van Ds. Meischke van Raamsdonksveer eu Ds. Locher te Waspik, schrijft de laatste toch:

Belangrijke voorstellen.

Onder het opschrift »Drie wijzigingen tegelijk" brengt het weekblad »de Waarheidsvriend« (7 Juni 1912) drie voorstellen, die bedoelen, Art. 11 van ons Algemeen Reglement, dat de handhaving der leer voorschrijft, niet langer te doen zijn eene doode letter. Voorgesteld wordt: eene wijziging der proponentsformule, eene wijziging van hetgeen aanstaande godsdienstonderwijzers moeten onderteekenen, en eene wijziging van de belijdenisvragen.*

Na ons artikel dan geheel te hebben meegedeeld aan de lezers van het „Kerkblaadje" vervolgt de schrijver:

»Wij zijn mede van oordeel, dat de Belijdenis gehandhaafd behoort te worden in onze Nederlandsche Hervormde Kerk, overeenkomstig Gods Woord, en wanneer wij verleden jaar bij de bespreking van de voorstellen der Confessioneele Vereeniging zeiden, dat wij liever nog andere voorstellen wenschten, waarin nog duidelijker zou uitkomen, dat onze Kerk aan Gods Woord gebonden is, en haar belijdend karakter zou blijken, zoo kunnen wij met deze voorstellen, die van eene andere zijde komen, onze instemming betuigen. Het gaat er om, dat in onze Kerk Gods Woord gepredikt worde en niet allerlei wind van leer, dat dit Woord ook heersche. Dan komt ook de reorganisatie aan de orde, dat kan niet uitblijven; maar die komt eerst in de tweede plaats.

Ds. Locher heeft dan ten opzichte van onze voorstellen ook wel enkele opmerkingen.

Een scherpere formuleering zou hij liever gezien hebben, maar zegt aanstonds zelf: „natuurlijk zouden de kansen van aanneming nog veel geringer dan worden."

Ook zou hij liever voor de tegenwoordige belijdenisvragen de vragen hebben die achter het Doopsformulier voor volwassenen staan. Evenwel schrijft hij:

Daar echter de voorstellen eene enorme verbetering geven tegenover de bestaande verordeningen, gaan wij gaarne met de strekking mede.

Is de Herv. Kerk de valsche Kerk? V.

Alles wat we tot hiertoe gezien hebben in betrekking tot de toestanden in onze Hervormde Kerk brengt ons tot de stelling, dat onze Ned. Herv. (Gereformeerde) Kerk niet is geworden een valsche Kerk, hoewel het leven der Kerk zich door allerlei omstandigheden allergebrekkigst openbaart, vol zonde en onder veel schande.

Onze Herv. Kerk heeft haar aloude belijdenis niet weggedaan en heeft niet een andere belijdenis aangenomen, die in strijd is met Gods Woord.

Dat zou haar maken tot een valsche Kerk.

Hoewel het voor de hand ligt, dat, waar de pogingen zoo ' vele geweest zijn om te komen tot leervrijheid, de practijk van het kerkelijk leven zooveel van grenzelooze, willekeurige, wederrechtelijke, bandtlooze vrijheid te zien geeft!

Men wil en zal vrij zijnl

Vrij om de meest heterogene leeringen te brengen. Om onze Hervormde Kerk te maken tot een disputeergezelschap, waar men twist over allerlei vragen — uitnemend geschikt, om dan te worden een kweekplaats van allerlei partijschappen.

Maar ... met de geschiedenis van onze Ned. Herv. Kerk achter ons en de reglementen voor ons, is ieder gereformeerd mensch, die aan de belijdenis der Kerk vasthoudt, gerechtigd om te zeggen: die grenzelooze willekeur in leeren is in onze Ned. Herv. Kerk verboden en mitsdien oneerlijk. Want het moet in alles gaan om hetgeen onze Vaderen zelf, in de kerkelijke belijdenisschriften, als het wezen en de hoofdzaak van de Herv. leer hebben aangegeven !

Alleen op knoeierige wijze kan men volhouden wat men nu doet; eenvoudig alles uitgevende voor wezen en hoofdzaak van de leer, óok wat op 't duidelijkst met den geest der Hervormde Kerk strijdt.

Maar het zal ook uit zijn, wanneer in de kerkelijke besturen mannen opstaan, die te veel eerbied hebben voor de hoofdzaak der kerkelijke belijdenjs en te veel liefde hebben voor het beginsel der kerkleer, om het karakter der Kerk ruw te laten schenden en den geest der belijdenis keer op keer geweld te laten aandoen.

En ziet, dat gebeurt maar al te veel. Men is zoo brutaal van vrijzinnige zijde.Men durft dlles.

Schreven de 4 Evangelische predikanten van Leeuwarden, Ds. P. de Buck, Ds. P. A. J. Jas, Ds. B. Klein Wassink en Ds. G. W. Heesen in 1908 niet: „wij zijn afkeerig van orthodoxe termen als plaatsbekleedend lijden e. a.; wij willen niet weten van de „eeuwige, waarachtige Godheid van Christus, wij gelooven niet in het leerstuk der drie-eenheid, wij spreken niet van den Bijbel als „Gods Woord" — en wordt dan gezegd, dat er een breede klove is tusschen „de orthodoxe en de Evangelische leer", dan zijn wij dat volkomen eens, wanneer daarmee bedoeld wordt die orthodoxie, welken den Vader van onzen Heer Jezus Christus voorstelt als een vertoornd Rechter, die niet Zijne liefde heeft geopenbaard in de overgave Zijns Zoons, maar wiens toorn eerst bevredigd kon worden door het bloed van den Heilige"

Met de doekjes eraf worden hier toch rond weg de fundamenteele stukken des Christendoms (n.l. de zoenverdienste des Heilands, Zijn plaatsbekleedend lijden en sterven en de leer der Drie eenheid) ontkend en verworpen. Men brengt niet meer het Evangelie der Schriften.

Ja — men noemt zich wel met den schoonen naam „Evangelisch", maar men ondergraaft de grondslagen van de aloude Geref Kerk, die op het fundament der Evangelisten en Apostelen gebouwd is.

Evenals degenen die zich in ons Vaderland indertijd „patriotten" noemden juist den val van het Vaderland bedoelden.

Men gaat van de zijde der vrijzinnigen hoe langs hoe verder.

Maakte Ds. Beversluis pas nog niet een verwijt aan de Ethische predikanten, die de 12 geloofsartikelen nog lazen in het midden van de gemeente?

„Aan vroom bedrog maakt gij u schuldig", zoo schreef hij, „wanneer gij, ethischen, nog belijdt te gelooven o. a. de opstanding des vleesches.... !

Al de hoofd waarheden van ons geloof moeten weg!

Omdat de H. Geest het den vrijzinnigen in het hart gegeven heeft, zegt Prof. B. D. Eerdmans.

„Juist omdat hun ziel opkwam tegen de geloofsvoorstellingen der oude dogmatiek, omdat zij gevoelden dat Gods Geest in hen anders getuigde, juist daarom zijn zij afgeweken van leerstukken, waarop hun hart geen ja kon zeggen.

De drieëenheid en het borgtochtelijk lijden, de eeuwige verdoemenis en de particuliere genade, de middelaars-dienst in plaats van den Godsdienst — het waren al te maal leeringen, die de Heilige Geesl in hunne harten niet bevestigde."

Fraai! Neen, — allertreurigst.

Het echt Protestantsch beginsel: „er staat geschreven" wordt, hier te niet gedaan en het modern beginsel: „eigen verstand en geweten moeten als de hoogste en zuiverste maatstaf worden gerekend" wordt er wederrechtelijk voor in de plaats geschoven.

En dat in onze Hervormde, Gereformeerde Kerk" die in 1816 en 1841 nog sprak van de leer naar Gods Woord en naar de aangenomen Formulieren van Eenigheid.

In de Kerk, die eiken predikant in den beroepsbrief Gods Woord nog aanwijst als den eersten en voornaamsten regel voor geloof en leven!

In de Kerk, waar altijd geleerd is, dat wat z. g. n. van den H. Geest komt, maar niet overeenstemt met Gods Woord, leugen en bedrog is.

In de Kerk, waar men zelfs een engel uit den hemel niet zou toestaan anders te spreken dan staat in Gods Getuigenis.

Moet, moet de Kerk des Heeren hier niet op waken waar nu op allerlei wijze beproefd wordt een ander fundament te leggen dan gelegd is? .

Moet nu niet de wacht worden betrokken, dat men de grondslagen van Christus' Kerk niet ruw omwoelt en de steenen van Gods huis los rukt?

Ja — de belijdenis der Kerk dient gehandhaafd !

Gehandhaafd — zooals Groen van Prinsterer het uitdrukte — wat het wezen en de hoofdzaak der Hervormde Leer betreft, naar den geest van de opstellers der kerkelijke belijdenisschriften, naar den geest van de Ned. Hervormde Kerk zelf.

En neen! laat men van vrijzinnige zijde dan niet zeggen, dat het slechts over woorden, over klanken, over termen of spreekwijzea gaat.

Want men weet beter!

't Gaat over beginselen. Over de diepste, voornaamste, heiligste beginselen.

Over 't beginsel van zonde en schuld, van verlossing en verzoening.

Over de waarde en de beteekenis van Christus,

Over leven en sterven beide.

En als dan Dr. Niemeyer van Bolsward beweert, dat de vrijzinnigen de ware beginselen voorstaan en dat de rechtzinnigen zijn afgeweken — dan moest Dr. Niemeyer beter weten. Want is dat al niet 100 maal beweerd in het midden van Christus'Kerk ?

Heeft de stem van Arius, Pelagius, Socinus en Arminius niet 't zelfde gezegd?

Hebben Rationalisten en moderiaen het niet herhaalde malen zoo voorgesteld?

En heeft de Kerk van Christus in het algemeen en onze Geref. Kerk hier te lande het niet altijd vastgehouden: wij houden hét met de Schriften en wij vinden ons geloof 't zuiverst neergelegd in de Formulieren van Eenigheid?

Heeft onze Geref. Kerk dat in 1618 niet verkondigd, maar óok in 1816 en in 1841 en in 1847?

En is sedert 1816 niet door honderdenen duizenden geprotesteerd tegen het geweld, dat door vrijzinnigen de leer der Hervormde Kerk in haar beginsel en hoofdwaarheden werd aangedaan?

Men moest van vrijzinnige zijde dan ook eerlijker zijn en niet dringen en dwingen om de valsehe positie in de Ned. Herv. Kerk te handhaven. Om op onwaarachtige wijze saam te voegen wat niet bij elkaar hoort.

De leer der Herv. Kerk, waarvan de hoofdlijnen te vinden zijn in de aloude apostolische geloofsbelijdenis, door onze Vaderen precieser en breeder uiteengezet en verklaard in de Formulieren van Eenigheid, die leer, die moet gehandhaafd worden.

En van moderne zijde moest men een ander huis gaan betrekken.

Zoowel in de prediking als in de sacramentsbediening verschilt men principieel met de aloude Geref. Kerk van vóór 1618, die ook in 1816 verklaard heeft niet te zullen dulden: dat de hoofdwaarheden der Geref. Kerk worden omgewoeld en losgerukt.

Welnu, waarom verlaat men dan die Kerk niet, waarmee men geestelijk geenszins verwant is?

En voorzeker zal de Hervormde Kerk, die een belijdende Kerk is, haar positie beter moeten gaan begrijpen en zich ook meer als belijdende Kerk moeten gaan openbaren en niet toelaten, dat haar belijdenis zoo publiek en zoo ruw geschonden wordt!

Waut de werkelijke toestanden in onze Hervormde Kerk zijn op dit punt zoo treurig.

De meest tegenstrijdige leeringen worden geduld. Men doet alsof men het niet weet.

En bij gerezen geschillen wringt men zich helaas! doorgaans in honderd bochten, om maar niemand, die afwijkt, lastig te vallen en alle richtingen en partijen in éen Kerkverband saam te houden. Ook de meest tegenstrijdige.

Neen, wij behoeven dat* niet te verbergen.

Wij willen dat niet verbergen.

Hoe treurig is de prediking in vele gemeenten! Hoe jammerlijk gaat het met de Sacramentsbediening ; hoe ellendig met de tucht. En men laat alles maar rustig passeeren. Men doet alle mogelijke moeite, om alles maar zoo te laten blijven.

't Schijnt alsof alles, alles in de Herv. Kerk mag.

Waarbij men dan op hoogen toon van vrijzinnige zijde beweert, dat ook werkelijk alle leer geoorloofd is — en waarbij men van gescheidene zijde dikwijls zoo ruw en onbarmhartig zegt, dat de Herv. Kerk een valsche Kerk geworden is — maar waarbij wij blijven volhouden, dat het zonde voor God is en in strijd met den geest van onze belijdenis en het karakter van onze Hervormde, Gereformeerde Kerk, dat zij zoo leeft, belijdende dat zij evenwel nog de aloude Geref. Kerk is, die hare zondige paden moet gaan verlaten.

Neen, wij vinden er geen oorzaak in, om de Herv. Kerk terwille van hare levenspractijken een valsche Kerk te noemen.

Wij houden onverwrikt vast aan haar, als zijnde zijnde de aloude Gereformeerde Kerk , , met lankmoedigheid duldende wat binnen hare grenzen geschiedt en met barmhartigheid ons schikkend om te verbeteren wat te verbeteren is, geduldig dragend, met smart des harten klagend, in geloove wachtend, totdat de Heere haar genadig zal zijn en hare boeien zal losmaken."

Of zooals Calvijn schrijft van de gemeente van Corinthe: deze gemeente was. schier geheel aangetast; vele zonden werden er gepleegd ; heete twisten vond men er, scheuringen, afgunst, gekijf, hebzucht, openlijk werd een schelmstuk goedgekeurd, dat zelfs in het oog der heidenen verfoeilijkt zou zijn, de naam van Paulus, die zij als een vader behoorden te eeren, werd baldadig bespot; de opstanding der dooden werd belachen, wat gelijk staat met het vernietigen van het gansche Evangelie; waar zeer vele dingen onvoegzaam en onordelijk werden gedaan — nochtans erken ik haar evenwel voor een Kerk van Christus, een vergadering van heiligen.

En niet slechts op de Corinthische gemeente wijst Calvijn, maar hij wijst er ook op, hoe de Kerk onder Israel, inzonderheid in de dagen van Jezus en Zijne Apostelen was. Wat schrikkelijke toestanden! En toch, zegt Calvijn, hebben wij geen nieuwe kerken en altaren opgericht, maar in het midden van de vergadering der boozen, reine banden opgeheven. De begeerte om de eenigheid te bewaren hield hen van scheuring terug.

Daarom laten ook wij onze Hervormde Kerk niet los, dewijl wij vragen hoe zij door den Heere zelf alhier in ons Vaderland is geplant, met het bloed der martelaren gedrenkt en door den Heere nog niet verlaten in weerwil van hare zonden.

Zij heeft hare belijdenis nog naar den Woorde Gods. Zij heeft haar sacramenten nog, naar de instelling van Christus. Zij heeft haar tucht nog, naar uitwijzen van haar belijdenis.

En ja — zij leeft in de zonde met deze 3 stukken. Dat is vreeselijk. En het is ai zoo lang...!

Maar de Heere heeft de bewijzen haar bewaard, dat het recht is, wanneer zij als belijdende Kerk alleen de reine prediking en bediening der Sacramenten naar de Schrift als ook een getrouwe tuchtoefening naar het Woord duldt en eischt.

Dat is haar recht. Haar goddelijk recht. Maar daar moet het dan óok toe komen in de practijk.

Want de zonden roepen tot God, die heilig is in Zijn richten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juni 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juni 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's