Ingezonden.
Geachte Redactie.
Het zij mij vergund naar aanleiding van het door u verleden week overgenomen artikel van Dr. Slotemaker de Bruijne eenige plaatsruimte te verzoeken.
Ik kan tot mijn leedwezen niet zeggen dat het uitmunt door klaarheid. Het geeft zoo den indruk, dat de schrijver een ideetje heeft gekregen, dat hij bizonder mooi vindt, zoo mooi, dat hij er alle menschen wel ineens van doordringen wil. Het is een ideetje, dat het best vergeleken kan met de ideën geboren in het overspannen brein van den Heer Mr. v. d. Laar, in de Beukelaar ten beste gegeven. Tot groote ergernis van den heer Slotemaker de Bruijne is de Herv, Kerk als »quantité négligeable« beschouwd. Dat zou zeker erg zijn als een Kerk, welke ook, maar met minachting bejegend werd. De eerbied voor de religie moet zoo groot zijn, dat dit nimmer mag geschieden.
Dus men mag niet schreien voor men geslagen wordt. Waaruit blijkt die minachting der Herv. Kerk ? Natuurlijk uit Dr. Noordtzij's benoeming. Is daardoor dan aan de Kerk onrecht gedaan ? De man is benoemd in een ambt, waarvoor krachtens de in de Grondwet des Rijks aan elken Nederlander gewaarborgde rechten, ieder benoembaar is. Als er van minachting der Kerk sprake is, dan ligt deze in de Wet van 1878 op het H. O., waarmede de liberalen ons gezegend hebben. Het was de bedoeling der Wet mogelijk te maken wat geschied is, een volstrekt neutrale faculteit met de Hoogleeraren der Herv. Kerk als aanvulling. En deze benoeming is evenmin minachting der Herv. Kerk als die van Prof. Tiele of van wie ook maar. Het is beslist onjuist de zaak zoo voor te stellen. Hoogstens kan gezegd, dat de benoeming aan een groep van predikanten van een zekere kleur minder aangenaam was. De modernen over het algemeen en ook de gereformeerde elementen in de Herv. Kerk beschouwen de zaak geheel anders. Een ambtgenoot van den heer Slotemaker de Bruijne bad zelfs bij zijn intrede publiek om een man van gereformeerde belijdenis. En het is toch wel een weinig zelfoverschatting als de ethische predikanten geflankeerd met enkele ultra-kerkistische menschen, zich voor de Herv. Kerk gaan aanzien.
Ook wat de Grondwetscommissie voorstelt, kan, afgezien van de vraag of dit voorstel al of niet aannemelijk is, zeker niet als minachting der Herv. Kerk worden beschouwd. Zij tracht naar een oplossing van een probleem, dat volstrekt niet alleen de Herv. Kerk geldt. Uitgezonderd de Gereformeerde Kerken zijn bijna alle gezindten er bij betrokken. Heel de argumentatie van Dr. Slotemaker de Bruijne komt welbeschouwd hierop neer: der Herv. Kerk moet een voorsprong gewaarborgd worden krachtens historie en vroeger door haar bezeten goederen. Het eerste argument is bijzonder zwak. Rechten der historie strekken zich meestal slechts zoover uit als de historie zelve. Als het historisch getij verloopen is, volgen te eeniger tijd de bakens van zelf. Dat kan niemand keeren. En dwaas is hij, die halstarrig weigert met de feiten rekening te houden. En hoezeer dan ook de toestanden ten onzent gewijzigd zijn, kan blijken als de toestand der Herv. Kerk onder de oude republiek wordt vergeleken met den tegenwoordigen, nu zij niet slechts niet alleen meer alle zorgen van de overheid ontvangt, maar in beginsel finantieel gelijk gesteld is met Roomschen enz. Maar bovendien, als men zich op de historie wil beroepen, dan zijn eenmaal in den bloeitijd van ons nationale leven de belijdende Geref. Kerken dezer landen bezitsters geweest. Strikt genomen hebben alleen de Gereformeerden krachtens de historie recht. Wie met historische rechten wil aankomen, moet niet zijn ethisch, noch modern. Deze danken hunne positie slechts aan de Synodale organisatie. Maar bovendien, welk argument is er aan die historie en de vroeger bezeten goederen te ontleenen ? De Roomschen kunnen beweren, dat zij nog veel vroeger kerkelijke goederen hebben bezeten. Heusch, met zulke oppervlakkige, luchte ideetjes komt men niet ver; misschien wel bij geprikkelde ethische dominé's en kerkistische menschen van die richting, maar niet daar, waar men ver moet komen.
Wat nu het relaas betreft over de partijen in de kerk, over de verwarring, die wel groot zou schijnen, doch maar klein zou zijn, daaruit, geachte redactie, is slechts dit éene mij duidelijk geworden, dat de verwarring in de voorstellingen van Dr. Slotemaker de Bruijne misschien niet groot schijnen, maar toch inderdaad wel zeer groot moet zijn. Dit begrijp ik er van. De Gereformeerden, die om tot een zuivering der toestanden te geraken naar een "modus Vivendi" streven, waarbij de verschillende richtingen elkander niet meer kwellen' en drukken; moeten de Herv. Kerk maar uit. De confessioneelen, die met de belijdenis ernst maken, moeten met de Gereformeerden verdwijnen, de anderen zich maar voegen bij de ethischen. En dan moeten ethischen en modernen samen met den zoogenaamden voorsprong der historie ook nog al het kerkelijk bezit hebben, doch zoo dat ethischen en modernen op zedelijk terrein samen zullen strijden met en misschien wel om de goederen, die oorspronkelijk historisch slechts aan de Gereformeerden toekwamen. Dat is wel aardig bedacht. Dat is nog eens zijn buurman van de stoel praten om er zelve lekker op te gaan zitten! Maar nu voelt toch ieder, dat er zelden iets oppervlakkigers over deze ernstige zaken is beweerd. En het verbaast mij, hoe iemand, die midden in het werkelijke leven staat en een ontwikkeld begaafd man is, en dus kan zien wat er om hem gebeurt, zoo iets kan neerschrijven. De kerkistische baccillen werken niet voordeelig voor de helderheid van blik en de onbevangenheid van het oordeel.
Allereerst de worsteling met de modernen op ethisch terrein. Daarvoor behoeven, we niet naar de toekomst van Dr. Slotemaker de Bruijne uit te zien, zij is in bijna alle steden van beteekenis in vollen gang. In Utrecht b.v. verzochten meer dan loco modernen den in groote meerderheid ethischen kerkeraad om een modernen dominé. De menschen betaalden belasting en wilden waar voor hun geld. En de ethische kerkeraad? Hij deed geen beroep op Gods Woord, noch op de Confessie der Kerk. De modernen zouden gezegd hebben: gij, die zegt, dat men niet stelen zal, steelt gij? Neen, de ethische kerkeraad beriep zich op op "onze overtuiging*. En daarmede konden de modernen tevreden, althans stille zijn. Ziedaar de voorproef der ideale worsteling op zedelijk terrein. Dan schijnt ons toch het streven der gereformeerden naar een modus vivendi nog wel zoo ideaal, nog wel zog zedelijk ook.
Maar als dan de Gereformeerden zijn uitgebannen en de ethischen en modernen de Herv. Kerk zullen gemaakt hebben tot een instituut, dat nooit meer een «quantité négligeable« zal kunnen zijn, dan zal er een schitterende toekomst zijn aangebroken! Doch laat ons nu eerst nuchter de toestanden bezien. De stad, waarin Dr. Slotemaker de Bruijne predikant is, staat nogal als kerksch bekend. En wat blijkt? Het aantal geregelde kerkgangers bedraagt er per Zondag pl.m. 6000 personen, d.i. 1/10 der Ned. Hervormden te Utrecht. Van deze 6000 personen behooren zeker 4000 tot de Gereformeerden, de overige 2000 in het gunstigste geval tot de elhischen. Het kan zijn, dat als inderdaad allen, die Gereformeerd denken en gevoelen, de Hervormde Kerken niet meer bezochten, er nog minder dan 2000 ethischen overbleven. Maar is het nu niet belachelijk voor dit luttele getal alles op té eischen wat de Gereformeerde Vaderen ons nalieten ? De cijfers zelfs in een stad als Utrecht, waarin jaren lang een onevenredig aantal ethische predikanten de lakens hebben uitgedeeld, wijzen uit, hoe het inderdaad een zeer kleine groep onder het publiek is, die zich groepeert rondom de ethische opvatting. En als de Gereformeerden, die Dr. Slotemaker de Bruijne nu wel zou willen slijten, voor eenigen tijd met de modernen waren opgetrokken tegen den kerkeraad, zou er thans misschien een kiescollege zijn, waarin geen ethische zitting had.
Geldt dit nu in het algemeen van de grootere steden, op het platte land is het nog treuriger met de ethische richting gesteld. Zeker, niet overal is het confessioneel bewustzijn even sterk ontwikkeld.
Dank zij het stelselmatig en opzettelijk aan de Gereformeerden aangedaan onrecht, zijn er nimmer gereformeerde hoogleeraren benoemd. Het moeten uitsluitend ethischen en modernen zijn. Daaraan is te danken het onevenredig groot aantal ethische predikanten, onevenredig groot in vergelijking van wat er leeft onder het kerkgaand publiek. De gretigheid waarmede gereformeerde proponenten gezocht worden, wijst uit wat de gemeenten, begeeren, als zij maar kunnen wat zij wenschen. Wij zijn er dan ook zeker van, dat de Gereformeerden in de Herv. Kerk zich de rol niet zullen laten welgevallen hun door dezen Utrechtschen ethischen predikant toegedacht. En dat de modernen zich zullen laten verlokken door dat strijden op ethisch terrein, dat hun wordt beloofd, schijnt minstens even twijfelachtig. Zij ondervinden dit nu reeds aan den lijve, want niet slechts dat hun te Utrecht een predikant werd geweigerd door de ethischen, zelfs den hoogleeraar vanwege de Ned. Herv. Kerk wordt in Utrecht geen beurt toegestaan op de Herv. kansels, omdat hij modern is. Ik kan mij niet voorstellen, dat deze wijze van strijd voeren op ethisch terrein den modernen zou doen verlangen naar meer. Wat echter, behalve de phantistische nieuwigheid in deze beschouwingen van Ds. Slotemaker de Br. bijzonder opvalt, dat is het volmaakt gebrek aan kennis der gereformeerde beginselen, aan kennis der historie, aan kennis ook der toestanden, waarin wij leven.
De Gereformeerden zijn goed voor in zich zelf gesloten, van het volk afgesloten kerken, terwijl nergens ter wereld het gereformeerd Protestantisme zulke kerken heeft voortgebracht. Meer dan eenige andere richting in het Protestantisme kenmerkt het Calvinisme de drang zijn stempel op het volksleven te zetten, dat trad in onze volkshistorie aan den dag, dat blijkt nog in het opwakend nieuw-Calvinistisch leven, dat alleen daarom kan opwaken, omdat het onder den invloed van het Calvinisme ontwikkelde nationale type zich nimmer liet verdringen, allerminst door de uit Duitschland geïmporteerde, over het geheel zeer zwak gedachte, ethische theologie. Ons volk kan op den duur geen vrede hebben met een mystische halfheid, die het spreekwoordelijk typeerde als »noch vleesch, noch visch«. En niemand behoeft zich ongerust te maken, dat het ideetje van Ds. Slotemaker vooreerst zal verwezenlijkt worden. De Gereformeerden laten zich niet als «quantité negligeable* aan den dijk zetten.
Slechts dit blijkt er uit, dat zij moeten ophouden zich om allerlei kleinigheden van elkander te verwijderen. Aaneensluiting is eisch om niet door een partijtje, dat in staat blijkt zich met de modernen te coaliseeren, zich te laten overrompelen. Het gereformeerd beginsel wint in onze kerk aan invloed èn kracht. Doch die invloed zou veel grooter zijn, als we ook uitwendig ons meer aan elkander sloten, samen streden en samen stonden op het erf onzer kerk om als één man op te komen voor onze rechten op politiek en kerkelijk terrein tevens. Dan zou het onmiddellijk blijken, dat we niet tevreden zijn met het Doopersche leven, dat de heer Slotemaker de Br. ons wenscht op te dringen, maar dat we worstelen om de ééne het nationale leven bezielende en leidende Gereformeerde Kerk, die ons als een geestelijk erfgoed van de vaderen is nagelaten.
P. S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juli 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's