Stichtelijke overdenking.
, , Werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven; want het is God, die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen. Filipp. 2:12b, 13.
Met vreeze en beven. I
Bij de opvoering van 's Heeren ark, uit hare vorige plaats, tot haar meer bestendig verblijf op den berg Sion, zien we, den Koning, de priesters, de zangers en de speellieden in optocht meetrekken, gevolgd door een groote menigte volks uit Israë!.
Toen men nabij de tabernakel-was gekomen vroegen de Priesters en Levieten, die de ark droegen en geleidden, ingang voor haar met déze woorden: „heft uwe hoofden op, gij poorten! en verheft u, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der eere inga."
'"Hetgeen door de Priesters, 'die in het heiligdom de wacht hielden, om de ark te ontvangen, aldus werd beantwoord: „Wie is de Koning der eere? "
Waarop hun door die buiten stonden werd toegezongen: „'t is de Heere, sterk en geweldig, de Heere, geweldig in den strijd !"
Dit is een afschaduwing van Jezus' hemelvaart, waar Hij in de menschelijke natuur ingaat in het paleis Gods en daar ontvangen wordt door den Vader met vreugd en door de engelen met gejuich.
Begeleid door Zijn jongeren was Hij naar deu Olijfberg gegaan. Daar vormden zich de wolken tot Zijn zege wagen. Daar steeg Hij op, langzaam, statig, plechtig.
En de reis ging naar het heiligdom Gods dat boven is, om daar plaats te nemen aan des Vaders rechterhand.
Zal Hij in de menschelijke natuur worden binnengelaten? Zullen de deuren des hemels zich openen?
Wie is Hij? Hoe komt Hij?
En o! Kan dan niet geantwoord worden, dat Hij is de Heere, sterk en geweldig, de Heere, geweldig in den strijd?
Immers ja!
En dè, t opent Hem de deuren daarboven; dat doet de poorten des hemels de boog verheffen.
En Hij gaat in voor het aan gezichte des Vaders om te ontvangen eeuwige heerlijkheid.
Wij lagen onder de macht van zonde, satan en dood, niemand uitgezonderd.
De wet hield ons gevangen, de dood was ons rechtvaardige straf, Satan was onze onderdrukker. En niemand kon zich tegenover die doodvijanden verdedigen. Nog minder kon iemand zich uit de macht dier onderdrukkers bevrijden.
En zoo zouden allen verloren gaan.
Maar dan komt Jezus uit den hemel Zijner heerlijkheid. Hij, die rijk was, wordt arm. Hij, die boven woonde en troonde, neemt de menschelijke natuur aan en woont en leeft op aarde in alles den broederen gelijk, uitgenomen de zonde.
En Hij komt om dan voor Zijn volk te strijden met Satan, dood en hel.
Hij komt om zich voor Zijn volk onder den eisch der wet te stellen.
Hij komt om met de vreeselijke machten, die Sion benauwen en willen dooden, te strijden.
Hij streed, Hij werd gewond. Hij stierf. Maar stervende overwon Hij.
De kracht der zonde is de Wet, deze kracht verbrak Hij door het gehoorzamen aan de geboden der Wet en het ondergaan van de straf, op hare overtreding bedreigd.
Hij overwon den dood en beroofde dien van zijn prikkel.
Hij deed te niet dengene, die het geweld des doods had, dat is den duivel.
Hij tastte de grondslagen van zijn rijk aan en wierp die omver.
Hij verbrak Satans macht, bond hem, ontsloot zijn gevangenis en maakte los de Zijnen, die daar zuchtten. Hij ontnam den sterkgewapende zijn vaten, Hij ontrukte dien sterke zijn roof.
„En de overheden en machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar ten toon gesteld en door Zijn kruis over haar getriumfeerd." Coloss. 2 : 15.
Dus ten tijde van Zijn diepste vernedering, toen Hij aan het kruis hing en den geest gaf, heeft Jezus het vermogen van de machten der duisternis, die over Sion heerschappij voerden, overmeesterd en Hij heeft de doodvijanden overwonnen. Hij .zegepraalde over Satan en zyn engelen. Hij nam den sterkgewapende gevangen.
En ziet, dat kan Hij nu toonen aan de poorte des hemels, voor de deur van het heiligdom Gods.
Hij, Sions Borg, in de menschelijke natuur opvarende naar den hemel kan bewijzen, dat Hij sterk en geweldig is geweest in den strijd. Hij kan, gebonden aan Zijn zegewagen, toonen de verdrukkers van Gods Volk.
De wet is de mond gestopt; de dood is overwonnen; Satan is van zijn wapen ten doode beroofd.
En dan wordt de groote Triumfator binnen gelaten, met gejuich ontvangen, met eere bekroond — en Hem wordt macht gegeven om al de Zijnen in te brengen in het hemelsch Jeruzalem, om eeuwig bij God te wonen. Hem wordt macht gegeven over al het geschapene, om een nieuwen hemel en een nieuwe aarde toe te bereiden den Heere. Om te werken aan den eindtriumf van het goede en alles ten slotte neer te leggen aan de voeten des Heeren en Zichzelf dan ook Hem te onderwerpen, opdat God zij alles in allen, eeuwiglijk en altoos.
O! dat is de glorie van Davids groot en Zoon, die Sions Borg wil wezen.
En ja de eindtriumf is verzekerd nu.
Waarbij het volk Gods, welgesteld zijnde, in blijden geloofsjubel aanheft: „wij steken 't hoofd omhoog en zullen d'eerkroon dragen, door U, door U alleen — om 't eeuwig welbehagen "
Want ja. Satan bestaat nog. En hij is nog de vijand van Jezus en Zijn volk. De dood heerscht nog beide over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. De wet dóet haar mond nog open en spreekt van vervloeking bij de minste overtreding, die geen dag uitblijft.
O! de weg is zoo smal, de poort zoo eng die ten leven leidt, en de rechtvaardige zal „nauwelijks" zalig worden.
Maar de macht ten doode is in betrekking tot Sion bij al de doodvijanden door den Borg gebroken, — en in Christus Jezus is al Gods volk verzoening verjvorven, verlossing en vrijspraak, wat nooit kan worden te niete gedaan, daar Hij reeds in den hemel is en daar plaats bereidt voor al de Zijnen.
Waarom Gods kind, welgesteld zijnde, met blij geloof Paulus mag nazeggen: Maar God, die rijk is in barmhartigheid, door Zijne groote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden) en heeft ons mede opgewekt en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus. Opdat Hij zou betoonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom Zijner genade, door de goedertierenhied over ons in Christus Jezus Ef. 2:4-7;
Wat in en door Christus geschied is, gaat niet buiten de ziele van Gods volk om.'
In het uur der minne, wanneer de Heere zich tot de ziel komt wenden, om de ziele te grijpen tot het eeuwige leven, krijgt de ziel een oog om de gevangenis te zien, waarin zij rechtvaardig besloten is en rechtvaardig voor eeuwig blijven moest.
Dan leert de ziel bekennen gezondigd te hebben tegen den Heere en leert gevoelen, dat de kracht van de zonde de Wet is, terwijl de dood en de hel den mond openen ten verderve.
En o dan wordt alles gedaan tot lossing van de ziel en tot bevrijding van den dood. Dan wordt alles beproefd om onder het oordeel Gods verlost te worden en van den vloek bevrijd.
Dan wordt alles beproefd om aan de wet te voldoen, om rechtvaardig te worden voor God, om vroom en godsdienstig te wandelen.
Dan wil men zalig worden, dan werkt men om zalig te worden. En anderen willen en werken ook, dat gij bij uw eigen werk zult groeien en toenemen. Hier geeft men u dézen raad, daar komt men met dit middel aandragen. En 't is of er honderd middelen en honderd wegen zijn om zalig te worden — waarbij de ziele heen en weer getrokken wordt, om dan eens hier te rusten en dan weer te meenen, dat men het daar gevonden heeft.
Men wil het zélf doen — wat Christus gedaan heeft en alleen doen kon.
Men komt onder te liggen in den strijd en nu probeert men om zélf wapenen te smeden en zelf te strijden — men probeert om zelf te kunnen komen tot de zege. Waarbij men zelf op de vraag: »wie zijt gij? — zou willen antwoorden: „ik ben de gewillige en de geweldige in den strijd, die met inspanning van alle krachten ten slotte heb overwonnen."
O! er is een loopen in dien loopbaan, om door eigen kracht de krone der overwinning te behalen. En men pijnigt zich, men martelt zich niet zelden met allerlei dingen, om toch maar vroom en onberispelijk te zijn voor God en menschen — maar het is niet tot rechtvaardigheid .voor God ten leven. Het is 't oprichten van een rechtvaardigheid uit het vleesch ten doode.
Want niemand zal zichzelf kunnen rechtvaardigen.
Men werkt vlijtig en onvermoeid aan zijne eigene zaligheid. Men wil zalig worden, met tranen en zuchten. Men werkt om zalig te worden ongestoord, naar allerlei regel en inzetting.
En ach! — we moeten dan uit de handen van de menschen verlost worden en, uit de overleggingen van eigen hart uitgerukt, en we moeten vallen in de handen des Heeren, die ons van óns willee en werken brengt tot Zijn willen en werken. Die ons met al onze gerechtigheden maakt tot een goddelooze, met al ons willen tot een vijand, met al ons kunnen tot een onmachtige ellendeling, om ons te leeren, dat wij als goddeloozen voor God gerechtvaardigd worden, in de toegerekende borggerechtigheid van Jezus Christus.
Want alle vleesch is verdoemelijk voor God.
Alle mond is voor den Heere gestopt.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juli 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's