De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onze Belijdenis.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze Belijdenis.

XLII

8 minuten leestijd

Art. 10c; . Mozes zegt dat God de wereld heeft geschapen en de heilige Johannes zegt, dat alle dingen zijn geschapen door dat Woord, hetwelk hij God noemt; de apostel zegt dat God de eeuwen door Zijnen Zoon gemaakt heeft; desgelijks dat God alle dingen door Jezus Christus geschapen heeft; zoo moet dan degene die genaamd wordt God, het Woord de Zoon en Jezus Christus, toen al geweest zijn, als alle dingen door Hem geschapen werden. En daarom zegt de profeet Micha: Zijne uitgangen zijn van ouds van de dagen der eeuwigheid. En de apostel: Hij is zonder begin der dagen en zonder einde des levens. Zoo is Hij dan de ware eeuwige God, die Almachtige, denwelken wij aanroepen, aanbidden en dienen.

Uit verschillende woorden der Heilige Schrift kan onmiskenbaar aangetoond worden dat de Zoon van hetzelfde goddelijk Wezen is als de Vader. Vooral komt dat duidelijk uit, wanneer wij Schrift met Schrift vergelijken, zooals dat ook in artikel 10 onzer Belijdenis geschiedt.

Zoo wordt er b.v. een vergelijking gemaakt tusschen Genesis 1 : 1 en Johannes 1:1. In beide teksten wordt er gesproken over „den beginne." „In den beginne schiep God den hemel en de aarde", zoo vangt Mozes het boek Genesis aan. En als gij het evangelie van Johannes opslaat, dan leest gij daar zijn bekenden hoog verheven proloog: In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het. Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt en zonder hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is."

Zoowel door Johannes als door Mozes wordt dus gesproken over het ontstaan der dingen. Door beiden wordt geleerd dat alle dingen uit God zijn voortgekomen, maar door vergelijking van den een met den ander bemerken wij dat wij het ons niet zoo mogen voorstellen dat de dingen uit God zouden zijn voortgevloeid gelijk stroomen uit een bron. Neen, tusschen God en de dingen staat het Woord, dat Woord, waardoor Hij de dingen die niet zijn roept alsof zij waren. In den aanvang, voordat nog iets van al bet geschapene bestond, trad God dus reeds op met Zijn Woord.

Nu zou op zichzelf deze opmerking nog niets anders behoeven te bedoelen dan dat vóór de verschijning der wereld de Goddelijke rede werkzaam was om het plan der dingen te ontwerpen. Op meer dan één plaats immers was ook in de Schriften des Ouden Verbonds de gedachte uitgesproken, dat God de wereld door Zijn wijsheid had bereid. Maar als we hetgeen Johannes hier zegt ten volle uitlezen, dan blijkt dat in zijn woord een diepere zin ligt opgesloten. Immers door te zeggen dat het Woord met God was en zelf ook God was, onderscheidt hij het van God als een zelfstandig Woord dat, hoewel nooit los van God, zelf ook denken en zelf ook handelend optreden kan.

Wanneer door Johannes en zoo ook op andere plaatsen van de Heilige Schrift gesproken wordt van „het Woord", dan wordt daar geenszins mee bedoeld een vergankelijke, verdwijnende stem, die slechts gehoord wordt voor het oogenblik dat God spreekt, maar' dan wordt daarmee bedoeld en dan moet daaronder dus verstaan worden een goddelijk Persoon in Wien God van eeuwigheid zichzelf heeft uitgesproken. Ja, het was den Heere niet om hemel en aarde, niet om engel en mensch, maar om zichzelven te doen. God sprak, opdat het gesprokene tot Hem spreken zou en Hem een verkondiging Zijner eigene heerlijkheid zou zijn. De Heere kon immers alleen door Zijns gelijke verheerlijkt worden. Vandaar dat wij ook kunnen zeggen dat God dé wereld niet noodig had. God heeft de wereld dan ook alleen daarom geschapen opdat de wijsheid en de kracht van Zijn Woord ook in tijd en ruimte gezien zouden worden. Maar voor zichzelven stond de Heere van eeuwigheid in volle gemeenschap des levens met Zijn eigen beeld en werd Hij Zijner waardig verheerlijkt door het levende Woord dat uit Zijn mond was uitgegaan.

Dat Woord nu, waarin de gansche raad der schepping besloten lag, waardoor de Heere alle dingen heeft gemaakt, is de eeuwige Zoon des Vaders, de eeniggeboren Zoon van God.

Ook in Hebreen 1 : 2 en Efeze 3 : 9 worden we daaraan herinnerd. In eerstgenoemden tekst bepaalt Paulus ons bij den Zoon, welken God gesteld had tot een erfgenaam van alles, „door welken Hij ook de wereld geschapen" had, en in het woord uit den brief aan Efeze aangehaald zegt de apostelmet zoovele woorden dat God „alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus." Wanneer nu echter alle dingen door het Woord, door den Zoon, door Jezus Christus geschapen zijn, dan spreekt het immers wel vanzelf dat dat Woord, die Zoon van God dan ook reeds voordat nog eenig ding was geschapen, bestond. Daarmee komt dan ook weer overeen het bekende woord van Micha 5:1, waar ons geleerd wordt dat de uitgangen van den beloofden Verlosser, van den Heerscher in Israel waren „van ouds, van de dagen der eeuwigheid." En daarmede stemt weer overeen hetgeen de apostel Paulus in Hebreen 7 : 3 ons leert dat de Hoogepriester naar de ordening Melchizedeks „noch begin der dagen, noch einde des levens" heeft.

Wanneer wij deze Schriftuurplaatsen, die nog met velen te vermeerderen zijn, nauwkeurig nagaan, dan wordt bij een eerlijke en onbevooroordeelde Schriftuitlegging geen andere uitkomst verkregen dan in de Belijdenis uitgedrukt is in deze woorden: zoo is Hij dan de ware, eeuwige God, de Almachtige, denwelken "Bij aanroepen, aanbidden en dienen.

Hij de ware God! Anders had Hii immers ook nooit kunnen zeggen: Ik en de Vader zijn één. Hij de eeuwige God! Anders had Hij immers ook nooit kunnen zeggen: "Eer Abraham was ben Ik. Hij de almachtige God! Anders had Hij immers ook nooit kunnen zeggen: „Gelijk de Vader de dooden opwekt en levend maakt, alzoo maakt ook de Zoon levend wien Hij wil."

Ja, indien Hij niet inderdaad de ware, eeuwige en almachtige God geheeten kon worden, hoe had Hij dan ooit die machtige wonderen kunnen doen die hier op deze aarde door Hem zijn verricht. Zou het dan geen heiligschennis zijn geweest dat Hij de zonden vergaf en dat Hij b.v. in Johannes 14 : 1 tot Zijne discipelen heeft gezegd: Gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij." En niet alleen Jezus zelf, maar zouden dan ook de apostelen zich niet aan schending van het heilige hebben schuldig gemaakt, wanneer zij zoo telkens het geloof in Christus als het eenige middel ter zaligheid hebben aangeprezen, gesteld eens dat Christus geen waarachtig en eeuwig God was geweest? Denk maar aan Philip. 2:10, waar Paulus Hem de eer der aanbidding heeft waardig gekeurd, of aan 1 Cor. 16:23, waar hij een iegelijk die den Heere Jezus Christus niet lief heeft een vervloeking noemt. Zou de apostel zulke woorden ooit hebben kunnen, ooit hebben durven spreken, indien de naam „Zoon van God" niet in geheel eenigen zin van het woord op Jezus van toepassing was geweest.

Ja, in de gansche Heilige Schrift wordt het ons luide gepredikt dat Chrstus „de Heere" is, dat Hij is „God te prijzen in der eeuwigheid", dat Hij.„verre verheven is boven de engelen", dat Hij den naam van „onze God en Zaligmaker Jezus Christus" verdient, dat Hij dus op dezelfde lijn staat als dfe Vader en de Geest, dat de naam en het wezen, de deugden en de werken der Godheid evenzeer toekomen aan den Zoon als aan den Vader (en den Geest)..

Vandaar dat het ons ook past den Zoon aan te roepen, te aanbidden en te dienen.

Ware Jezus geen God dan zou dat aanroepen, dat aanbidden en dat dienen van Hem ons natuurlijk verboden zijn. Immers „den Heere uwen God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen." Zoo had de Heere eenmaal door Mozes gesproken en de Heiland zelf heeft het, toen Hij de derde maal door den Satan verzocht werd, herhaald. Was Christus dus een gewoon menschenkind, van gelijke beweging als wij, alleen in gaven, krachten en talenten van ons onderscheiden, dan zouden we naar Zijn eigen woord Hem niet mogen aanbidden en dan zou Hij zeker niet minder dan later Zijne apostelen dit deden, degenen die dit toch wilden doen hebben vermaand om toch alleen Gode de eer der aanbidding waardig te keuren.

Maar nu Christus als de waarachtige God macht heeft over alles en allen, nu in Hem alle schatten van wijsheid en kennis, van genade en zaligheid besloten liggen, nu Hij macht heeft om de zonde te vergeven, het onreine te reinigen, het ledige te vervullen, het doode levend te maken, het moede op te richten, het verslagene te sterken, het bedroefde te troosten, nu Hij zelfs macht heeft om de hel te sluiten en den hemel te openen, nu heeft Hij niet alleen toegelaten, maar ook bevolen dat wij al onze nooden met bidden en smeeken aan Hem zouden bekend maken. Immers al wat wij nu den Vader bidden in Zijnen Naam, dat zal Hij ons geven.

En daarom gelukkig degene die den Heere Jezus, omdat Hij zelf God is, heeft leeren aanroepen, aanbidden en dienen, en die het van den tweeden Persoon in het Goddelijk Wezen Jesaja mag nazeggen: „Zie, deze is onze God, wij hebben Hem verwacht en Hij zal ons zaligmaken; deze is de Heere, wij hebben Hem 'verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijne zaligheid."

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juli 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Onze Belijdenis.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juli 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's