Voor Jong en Oud.
4) John Bunyan.
Zoo werd mijne ziele zéér geslagen; zelfs zóo hevig, dat ik, dagen achtereen, mijn lichaam zoowel als mijne ziel voelde schokken en beven onder den indruk van dit vreeselijk oordeel Gods, dat komen zou over hen, die deze verschrikkelijke en onvergeeflijke zonde gepleegd hebben. Ik voelde ook zulk een beklemdheid en hitte in de maag, door mijn vrees veroorzaakt, dat het mij, vooral op sommige tijden, was alsof mijn borstbeen in splinters vallen zou; en dan dacht ik aan 't geen van Judas vermeld staat: voorwaarts overgevallen zijnde, is midden opgeborsten en al zijne ingewanden zijn uitgestort.
Ik vreesde ook, dat dit het teeken was, dat de Heere op Kaïn zette; voortdurend vreezen en beven onder het zware pak van schuld, dat hij op zich geladen had door het bloed van zijn broeder Abel. Dus woelde, wrong en kromp ik onder den last, die op mij lag, welke last mij dermate drukte, dat ik niet kon staan of gaan of liggen, of op eenige wijze rusten."
Vreeselijke toestand, waar de ziele van Bunyan onder de Goddelijke gerechtigheid lag, niet anders horende dan; „vreeselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods" (Hebr. 10:31).
De schets „op het kasteel Twijfel, in de handen van Reus Wanhoop zijnde", is de teekening van een stuk van Bunyans leven, met zooveel smart en benauwdheid werkelijk doorgemaakt. Daar ziet men in beeld, wat de zonde der afdwaling baart; hoe de Heere een jaloersch God is, die in gerechtigheid verschijnt voor het oog der ziele; hoe het harte dan vol wanhoop en vertwijfeling is, hoe er gebeden uit de benauwde ziel worden geperst, hoe de Heere in nood en dood Zijn Sion weet bij te staan; hoe de sleutel gevonden wordt, die dienen kan tot ontkoming uit de donkere plaatsen van angst en ellend.
O! wat baart de zonde veel jammer. Wat is het kwaad om van achter den Heere af te wijken.
En wat zal de weg van vasten en bidden betreden moeten worden, om verlost te worden!
We willen die schetsteekening in „de Pelgrimsreize" nog eens nader bezien. Christen en Hoop waren in een slechten staat gekomen. In een donkeren kerker van het kasteel Twijfel, zonder eten en drinken, zonder licht en zonder hoop, verre van vrienden en bekenden.
Christen nu had in deze plaats dubbel verdriet, dewijl zij door zijne onvoorzichtige raadgeving in al dezen jammer geraakt waren.
De Reus Wanhoop nu had eene vrouw. Wantrouwen genaamd. Toen zij samen te bed waren, vertelde hij zijne vrouw, wat hij gedaan had, namelijk, dat hij twee gevangenen in zijn kerkerhol had geworpen, omdat zij op zijn grond waren gekomen en daar schade aan zijn land hadden aangericht en tegen hem overtreden hadden.
Ook vroeg hij haar, wat hij 't best met hen zou aanvangen.
Zij, vol belangstelling voor deze zaak, vraagde hem, wat voor lieden dat waren, waar ze vandaan kwamen en waar ze heen wilden. Om dan, na een en ander te hebben vernomen, den raad te geven hen den volgenden morgen vroeg, zonder eenige genade, flink af te rossen.
Die raad beviel den Reus en 's morgens vroeg opstaande, nam hij een vervaarlijken stok met zich, dien hij van een zuren appelboom trok, begaf zich naar zijne gevangenen in het hol, viel op hen aan en sprong met hen om, alsof zij honden waren, ofschoon zij hem geen woord toespraken. Hij sloeg hen toen zoo vreeselijk, dat zij niet in staat waren zich zelf te helpen of zich op den grond om te wenden.
Toen dit gedaan was, ging hij weg en liet hen liggen, om daar hunne ellende te beklagen en hun druk te betreuren. Zoo brachten zij den ganschen dag door in zuchten en bitterlijk kermen.
Den volgenden nacht sprak de edelvrouw Wantrouwen verder met haar gemaal Reus Wanhoop over de gevangenen en verstaande, dat zij nog leefden, zeide zij tot hem, dat hij hen aanraden moest zichzelven van het leven te berooven.
Als de morgen aankwam ging hij met een trotschen gang tot hen, zooals te voren, en bemerkende, dat zij nog zeer pijnlijk waren door de slagen hun den vorigen dag toegediend, zeide hij tot hen, dat, wijl zij toch waarschijnlijk nooit uit dit hol zouden komen, er geen andere weg voor hen over was, dan zich maar van kant te maken met een mes, een strop of vergif. Want, zeide hij, waarom zoudt gij verkiezen langer te leven, daar gij ziet, dat het leven met zooveel ellend en bittere smart gepaard gaat.
Doch zij baden hem, dat hij hen zou laten gaan. Daarop keek hij hen zeer leelijk en grimmig aan, en, op hen aanstormende, had hij hen zeker vermoord, ware het niet, dat hij een stuip kreeg (want somtijds als het zonnig weer is, krijgt hij stuipen), waardoor hij zijn hand niet gebruiken kon, die dan gansch verlamd naast hem hing.
Wat een geluk.Voor 't oogenblik was het gevaar geweken.
(Wordt vervolgd, )
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juli 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juli 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's