De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven

17 minuten leestijd

Is de Herv. Kerk de valsche Kerk?

VI.

Het zij onomwonden uitgesproken, dat de zonde van onze Hervormde Kerk in de practijk van haar leven groot is èn in de bediening des Woords èn in de bediening der Sacramenten èn in de oefening der Christelijke tucht. In héél veel gemeenten is het zoo in-treurig gesteld!

En dat is zonde voor God, die nooit mag' worden goedgepraat. Die ook niet door vergelijkingen met vorige toestanden der Christelijke Kerk ook maar eenigszins mag worden verkleind. Zonde is zonde ! En zonde maakt den dood waardig. Zonde ontstëekt den toorn Gods, wijl Hij heilig is.

Maar de Heere bewaarde onze Hervormde Kerk, hare Geref. belijdenis. In haar belijdenis verloochent de Herv. Kerk de Waarheid niet. Maar in die belijdenis staat het zoo duidelijk, hoe het nu ook in de practijk des kerkelijken levens zijn of worden moet.

Gelukkig, dat er hoe langs hoe meer stemmen opgaan, die vragen: hoe, hoe kan onze Hervormde Kerk tot de rechte paden terugkeeren ? Terugkeeren tot haar eigen belijdenis? Om weer zich zelf te worden. Weer vrij, om God te dienen naar zijn Woord. Dat verblijdt ons. En dat willen we niet over het hoofd zien, want dat is een genadedaad Gods!

Men voelt iels van de breuke. Men gaat zonde weer zonde noemen. Men treurt over het verval. En dat is altijd geweest het begin van de verlossing.

Neen — wij keeren den rug niet toe aan onze Hervormde, Gereformeerde Kerk.

We gevoelen iets van haar ontrouw in de practijken van haar leven. Van haar gruwel en overtreding. Van haar zonde. Van de zonde van onze Vaderen en van ons. En we bemerken tot onze groote vreugd, dat de Heere de vijanden geen gewonnen spel heeft gegeven.

Nu, nu rijst de bede: verlos Uw Kerke, Heere, uit de banden, waarin zij door haar zonde kwam gekneld.

Neen — niet wegloopen!

De Heere redde haar belijdenis nog; bewaarde onze Kerk op zoo menige plaats nog de zuivere prediking; Hij liet haar nog de Sacramenten door Christus ingesteld, met de formulieren voor de bediening daarvan.

Hij deed haar nog behouden de Geref. beginselen inzake de tuchtoefening, neergelegd in de Confessie en den Catechismus.

Helaas! ook sloop zooveel leugen, schandelijkheid, afgoderij binnen.

Maar de Heere liet haar nog niet los en bewaarde haar nog bij het leven; doet Sion nog in haar midden wonen en maakt zondaren nog tot Zijn kinderen.

Neen — we gaan de begrafenis niet bestellen voor onze Herv. Kerk. We zeggen niet dat zij een Synagoge van Satan is geworden. We zeggen niet, dat zij een valsche kerk is te noemen.

Neen — dat durven we niet; dat willen we niet; dat behoeven we niet te doen. Dat mag niemand doen, die gereformeerd denkt en voelt.

We herhalen het woord van Dr. A. Kuyper, in 1883 geschreven in het „Tractaat van de Reformatie der Kerken": „het kan zóo ver komen met de kerk des Heeren, dat er allerlei afgoderij bestaat naast de tamelijk zuivere bediening der genademiddelen, ja, het kan zóo vergaan, dat een kerk schijndood is — maar dan is het wezen der kerk toch nog weer haar hoofd gaan verheffen. Dit mane ook in onze dagen tot omzichtigheid. Wie in onze dagen, in het midden van de tegenwoordige toestanden der Hervormde Kerk, het stuk der kerk uitwendig en reglementair, zonder piëteit of hoogere liefde beschouwt, pakt aanstonds zijn reisvalies en is elk oogenblik tot afreizen gereed. Maar wie met teederen ernst, wie met vreeze der consciëntie zich de vraag stelt, loop ik ook van onder het oordeel weg, verwerp ik ook wat nog leeft, begraaf ik ook een schijndoode? O, die aarzelt en toeft. Want altoos hoopt hij nog, altoos wendt hij nog nieuwe middelen aan, om de levensgeesten op te prikkelen en als anderen hem dan bespotten, vragende: „hoe lang zal dat sollen met uw lijk nog aanhouden", dan brengt hij eerbiedig de vinger aan de lippen en fluistert: „het is mijn moeder". —

De hoop die niemand minder dan Dr. Kuyper . in 1883 dus blijkbaar op onze Hervormde Kerk had, die hebben wij in 1912 nóg.

Ja — onze hope mag grooter zijn, waar we zien, dat het Gereformeerd beginsel in onze Herv. Kerk wint in de steden en in de dorpen, onder de predikanten en in de gemeenten, onder Hoogleeraren en studenten.

En ja — wij vreezen „om onder het oordeel weg te loopen", belijdende met Daniël: wij en onze Vaderen hebben gezondigd.

Maar dan moet nu ook gedaan worden wat naar uitwijzen van Gods Woord is en wat in onze belijdenis-schriften zoo duidelijk is omschreven "— en wat veelszins in onze Herv. Kerk nu wordt verwaarloosd.

Onze Hervormde (Gereformeerde) Kerk moet weer vrij worden, om vrij zich te bewegen en vrij te leven onder de heerschappij van haar Koning en Middelaar, Jezus Christus, die Zijn Kerk regeert en bewaart door Zijn Woord en Geest.

Al de banden, onrechtvaardig haar aangelegd, om haar te knevelen, moeten worden losgemaakt. Alle schandelijke en schadelijke wegen moeten verlaten worden. Naar Gods Woord moet haar leven ingericht!

En naar Gereformeerde orde moet zij weer, opkomend uit de plaatselijk-belijdende kerken, in wettig kerkelijke vergaderingen geregeld saam komend, niet anders begeeren dan te spreken naar Gods Woord en te wandelen in de oude beproefde paden naar Gods getuigenis.

Dat ideaal moet ons voor oogen gaan staan en bij dat ideaal moeten we leeren volharden.

We moeten uit die synodale banden uit, die naar Luthersch model, door de koninklijke hand van Willem I vriendelijk, maar onrechvaardig, zijn opgelegd en sinds dien tijd, ook in. 1852 niet, nooit principieel zijn veranderd.

We moeten uit de banden van het staatsabsolutisme uit, waarin we, misschien min of meer onbewust, nog vast zitten. Onze Hervormde Kerk moet weer Kerk worden, d. w, z. het moet weer worden het huis des Heeren, waar Jezus Christus Koning, Rechter en Wetgever is.

Dan is ze vrij. Dan is ze gered. Dan is ze ook rijk. Dan wordt ze ook behouden. Met Christus heeft ze alles.

Met het begin zullen we in deze moeten beginnen. We moeten den toestand aanvaarden zooals hij is.

We moeten daarin de zonde onzer vaderen en ónze overtredingen bekennen, Gods straffen daarin gadeslaan, ons leeren verootmoedigen, niet van onder het oordeel wegloopen, de belijdenis vast houden en overal en altijd waar maar eenige aanleiding is voor het recht der Kerk en hare belijdenis opkomen,

Natuurlijk reglementair.

Dat is behoorlijk en noodzakelijk.

Waarbij we weten, dat de reglementen eischen dat de leer der Kerk geëerbiedigd en gehandhaafd zal worden.

Laat men reglementair, ernstig, eenvoudig maar degelijk, overal tegen de prediking bezwaren inbrengen, als de hoofdwaarheden der kerkelijke leer publiekelijk worden geloochend of verworpen. De kerkelijke reglementen eischen dat.

Laat men bezwaren in brengen tegen de benoeming van ouderlingen en diakenen, waarvan men weet en bewijzen kan, dat zij publiekelijk in hun belijdenis afwijkende zijn van de hoofdwaarheden der kerkelijke belijdenis. De kerkelijke reglementen rekenen daarop.

Laat men bezwaren inbrengen tegen de belijdenis van hen, die lidmaat .willen worden en waarvan men weet, dat zij niet instemmen met de hoofdwaarheden der kerkelijke leer, in den Catechismus vervat.

Laat men in de gemeente op elkander toezien, in belijdenis en leven, om uit liefde tot de waarheid en daarbij bewandelend den goddelijken weg (zie Matth. 18 : 15—17), te doen wat mogelijk is, dat leer en leven zij naar 's Heeren Woord en de toorn Gods over de Gemeente niet geopenbaard worde. De reglementen veronderstellen, dat men dat doen zal.

Zeker, men moet voorzichtig zijn.

Alles ligt zoo schrikkelijk verward door elkaar, alles is zoo vreeselijk lang verwaarloosd, en alles is zoo ongereformeerd ingericht in onze Herv. Kerk.

Daarom moet men niet met ruw geweld en dolle voortvarendheid handelen.

Maar laat men, wetende en erkennende, dat er niet véél gedaan kan worden, meer en meer gaan doen wat mogelijk is, opdat aldoor de aandacht gevestigd worde op déze zaak : onze Hervorme Kerk is een belijdende kerk, die zelf wil dat haar aloude Geref. leer niet zal worden vertreden en de grondslagen der aloude Geref. Kerk niet zullen worden losgerukt.

En dan zal men meer en meer, in onderlinge samenwerking, moeten gaan trachten de leer der Hervormde Kerk in de afgeleide reglementen, b.v. in de proponentsformule, in de verklaring der godsdienstonderwijzers en in de belijdenis vragen zóo te omschrijven, dat het uitkome: de leer der Herv. Kerk is de leer der Schriften, de leer der aloude Christelijke Kerk, de leer, die onze vaderen, naar uitwijzen van de Schrift, in de belijdenisschriften ernstig, duidelijk en schoon hebben neergelegd, belovende die leer nimmer te zullen verzaken.

We moeten weer een Gereformeerde Kerk krijgen, waarin voor niet-gereformeerde elementen geen plaats is.

Dat ideaal moet ons voor oogen staan. En bij dat ideaal moeten we leeren volharden.

Te meer waar de Heere de Hervormde Kerk haar geref. belijdenis nog liet, met de bewijzen, dat prediking, sacraments bediening en oefening der tucht, naar uitwijzen van die leer eisch is en alleen wettig.

{Wordt vervolgd.)

De Synode.

Gelijk elk jaar, zullen ook nu op den 3den Woensdag in de maand Juli (17 Juli a. s.) de vergaderingen van de Algemeene Synode onzer Kerk een aanvang nemen. (Art. 59 Algem. Reglement).

In het warmste gedeelte van den zomer dus. Dat heeft men wel eens willen veranderen, maar 't mocht nooit tot een definitieve beslissing komen.

Sedert 1874 bestaat deze regeling reeds. In 1816 was de eerste Woensdag in de maand Juli bepaald voor de Synodale Vergadering, de eerste Woensdagen van Mei, Augustus en October voor de gewone vergadering van de Provinciale Kerkbesturen (tegenwoordig Mei, September en November, zie art. 50 Algem. Regl.), terwijl de laatste Woensdag in de maand Juni voor de Classicale Vergadering was aangewezen ('t welk nog zoo is, zie art. 37 Alg. Regl.)

Gelijk ze zeiden, dat is voor de Synodale Vergadering in 1874 veranderd.

Het voorstel daartoe werd gunstig ontvangen en wel op déze gronden: „het voorstel tot het houden van de vergadering der Synode-jaarlijks op den 3en Woensdag in de maand Juli en verzetting van de 2de en 3de der gewone vergaderingen der Prov. Kerkbesturen, vond algemeen goedkeuring, omdat het wenschelijk voorkwam, dat de korte tijdstermijn tusschen de Classicale vergaderingen en de zitting der Synode verlengd werd. Wenschelijk in het belang der Besturen, om de consideratiën der Classicale vergaderingen en de ingekomen adressen zonder overhaasing op te zenden; wenschelijk in het belang an de leden der Ned. Herv. Kerk en de afgevaardigden ter Classicale vergaderingen, om zoo noodig hun genoegzamen tijd tot het inzenden van adressen te geven; wenschelijk eindelijk in het belang van de afgevaardigden er Synode om de Handelingen der Synodale Commissie vroeger dan thans te kunnen ontvangen."

Later is door Dr. A. W. Bronsveld c. s. nog wel eens een voorstel gedaan (1896) „om de Syn. verg. weder te doen aanvangen op den 1sten Woensdag in Juli, waarbij dan tevens de dag der Class, vergadering en de eerste vergadering van de Provinciale Kerkbesturen zouden vervroegd worden, uit overweging, dat de leden der Synode het warmste gedeelte van den zomer met den inspannenden arbeid der Syn. vergaderingen moeten doorbrengen maar hoewel de Synode zelf dit voorstel gunstig ontving, is het door de Kerk zelf ongunstig beoordeeld en verworpen.

Zoo is dus de tijd van vergaderen voor onze Synode dit jaar van 17 Juli tot....

De Synode is samengesteld uit 13 predikanten en 6 ouderlingen, afgevaardigd door de Prov. Kerkbesturen en de Commissie voor de Zaken der Waalsche Kerken.

De 5 Prov. Kerkbesturen van Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Holland, Friesland en Groningen benoemen elk 2 leden, en wel óf twee predikanten óf éen predikant en éen ouderling ('tl aatste evenwel zóo, dat erdoor die 5 Prov. Kerkbest. 7 predt. en 3 ouderl. worden afgevaardigd).

Dit jaar zendt Gelderland 2 pred. en wel: Ds. P. J. van Melle van Nijkerk en Ds. L. A. F. Creutzberg van Echteld.

Zuid-Holland 2 pred. en wel: Ds. J. Steenbeek van Vianen en Ds. H. van Druten te Rijnsburg.

Noord-Holland 1 pred. en 1 ouderl. en wel: Ds. D. Eilerts de Haan van Heilo bij Alkmaar en den heer J. Zijp Hz. oud-ouderling te Twisk.

Friesland 1 pred. en 1 ouderl.: Ds. H. A. Leenmans Jr. te Harlingen en den heer W. Koopmans ouderl. te Wolvega.

Groningen 1 pred. en 1 ouderl.: Ds. W. Ellens pred. te Uskwert (bij Uithuizen) en Mr. L. J. Huber oud-ouderl. te Veendam.

De overige Kerkbesturen (Zeeland, Utrecht, Overijsel, Noord-Brabant met Limburg, Drenthe en de Commissie voor de Zaken der Waalsche Kerken) benoemen elk éen predikant ; bovendien gezamenlijk, bij beurtwisseling, drie ouderlingen.

Al naar de beurt is vaardigen Utrecht enz. dus of 1 lid of 2 leden af ter Syn. Vergadering, wat, al naar zoo'n Prov. Kerkbestuur orthodox of modern is, de schommeling der Syn. Vergadering naar rechts of naar links doet gaan.

Dit jaar vaardigt Zeeland 2, Utrecht 2, Overijsel 1, N. Brabant en Limburg 1, Drenthe 1 en de Waalsche Commissie 2 leden af.

En wel Utrecht: Ds. K. A. de Groot pred. te Houten en den em. pred. C. F. Groneeyer, die de Herv. Gemeente van Utrecht als ouderling dient.

Zeeland: Dr. G. J. Weijland pred. te Veere en den heer P. J. Siegers ouderl. te Vlissingen.

Overijsel: Ds. Otto Schrieke pred. te Enchede.

N. Brabant met Limburg: Ds. Ph. L. Edling, pred. te Budel (bij Eindhoven).

Drenthe: Ds. H. H. Heerspink pred. te Eelde (bij Assen).

De Waalsche Commissie: Ds. E. E. Picard, Waalsch pred. te Dordrecht en Mr. C. H. B. Boot, ouderl. der Waalsche Gem. te Rotterdam.

Ter verduidelijking laten we onderstaand lijstje volgen:

1912 2 2 2 2 2 2 2 1 1 12

1913 2 2 2 2 2 2 2 2 1 1 1

1914 2 2 2 2 2 1 2 2 2 11

1915 2 2 2 2 2 1 1 2 2 21

1916 2 2 2 2 2 1 1 1 2 22

Voor zoover bekend is vaardigen Geld., Z. HolL, Zeeland, Utrecht, Overijsel en Friesland orthodoxe leden af. N. Holland, Groningen, N. Br. met Limburg, Drenthe en de W. Commissie modernen, zoodat de Synode van 1912 waarschijnlijk bestaat uit 11 orthodoxe leden en 8 modernen, wat in 1913 D.V. kan worden:12 orthodoxen en 7 modernen, in 1914 11 orthodoxen en 8 modernen, in 1915 10 orthodoxen en 9 modernen enz. enz., al naar de moderne Prov. Kerkbesturen 1 of 2 leden afvaardigen.

Een onbillijkheid in deze (om over het andere nu niet te spreken) vinden we altijd nog, dat de Waalsche Kerken, hebbende 16 gemeenten met 9857 leden en 24 predikanten, geheel gelijk gesteld worden met een Prov. Kerkbestuur.

Limburg met 16 gemeenten en 17 predikanten (3459 leden) wordt niet als een zelfstandig prov. ressort gerekend, maar ingedeeld bij N. Brabant; en de kleinste zelfstandige provincie b.v. Drenthe telt 53 gemeenten 58 predikanten (112, 193 leden), maar de Waalsche Kerken, die zoo klein in omvang zijn, worden voor vol aangezien en vaardigen nu b.v. evenveel leden ter Synode als Zuid-Holland met 197 gemeenten, 277 predikanten (683, 000 leden) en evenveel als Friesland met 219 gemeenten, 238 predikanten (204.000 leden).

Men voelt hier zit een schromelijke onrechtvaardigheid.

Waarom kan er toch niet een bepaling gemaakt worden „de Waalsche gemeenten vormen een afzonderlijke classis, ingedeeld bij het Provinciale Ressort van met de stad als hoofdplaats der classis" ?

Dat zou rechtvaardiger en eerlijker zijn dan nu 't geval is.

Wat de werkzaamheden van de Synodale Vergadering dit jaar zullen zijn?

Allereerst wel om de voorloopig aangenomen reglementswijzingen (b.v. in zake vrouwenkiesrecht enz.), waarover intusschen het oordeel van de Prov. Kerkbesturen en de Classicale vergaderingen is ingekomen, te behandelen.

Dat gaat zoo.

In 1911 heeft de Synode zelf wijzigingen voorgesteld, besproken, afgestemd of aangenomen.

Die wijzigingen die in 1911 aangenomen zijn door de Synode van 1911 heeten voorloopig aangenomen. Want het oordeel van de Prov. Kerkbesturen moet gevraagd en het oordeel van de Classicale Vergaderingen.

Die oordeelen, gunstig of ongunstig, komen bij de Synode van 1912 in.

De Synode van 1912 neemt nu de voorloopig aangenomen wijzigingen van 1911 ter hand, vergelijkt daarmee de oordeelen van de Prov. Kerkbesturen en Classicale Vergaderingen en maakt van die oordeelen naar eigen oordeel gebruik.

De Synode kan dus gunstige of ongunstige oordeelen der Kerk in rekening brengen, maar ze kan er ook niet mee rekenen.

Al naar believen.

En geheel vrij neemt ze nu de in 1911 voorloopig aangenomen wijzigingen aan of niet.

Besluit de Synode tot verwerping, dan is het verworpen. Dan is het van de baan.

Maar besluit ze tot aanneming, 't zij met of zonder intusschen aan te brengen wijzigingen, dan heeft de Synode van 1912 haar besluit te onderwerpen aan de hoofdelijke stemming van de leden van de Prov. Kerkbesturen en de Waalsche Commissie (waarvan maar 4 leden hoofdelijk hun stem mogen uitbrengen in dit geval.)

Is de meerderheid van de gezamenlijke leden van die Prov. Kerkbesturen en W. Commissie er vóór, dan wordt de reglementswijziging beschouwd als finaal aangenomen en door de Algemeene Synodale Commissie uitgevaardigd en treedt de nieuwe bepaling 15 Jan. 1913 in werking.

Maar niet alleen zal de Synode van 1912 met het werk van 1911 bezig zijn. Ook voor 1913 zal zij nieuwe reglementen, wijzigingen in de reglementen, aanvullingen enz. te behandelen hebben, waarbij nu over het parochiestelsel, de proponentsformule, vermeerdering van het aantal Classicale vergaderingen enz. enz. gehandeld zal moeten worden.

Vele gewichtige werkzaamheden wachten dus weer.

Mocht de Heere het nog eens ten goede besturen.

Mocht het in onze Herv. Kerk, mede ook door het werk van de Synode van 1912, eens meer om de waarheid naar Gods Woord gaan.

Voor Kerk en volk zou het tot zegen kunnen zijn.

Wone de Heere met Zijn Geest in het midden.

En worde daartoe gebeden door velen tot den God aller genade, om van hem af te smeeken, dat Hij Zijn Verbond gedenke en Zich over onze Herv. Kerk ontferme.

De Vrijzinnigen en Geest en Hoofdzaak!

In verschillende bladen lezen we:

Het bestuur van de Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden te Leiden heeft zich gericht (of zal zich dezer dagen richten) tot het kiescollege, met het verzoek, om bij de beroeping van een nieuwen predikant ter vervulling van de vacature, ontstaan door het overlijden van den heer J. J. van der Lip, rekening te willen houden met de wenschen en godsdienstige behoeften van het vrijzinnig deel der gemeente door het beroepen van een modern predikant.

Aan het verzoek is toegevoegd de volgende uiteenzetting en toelichting.

1 Het zou kunnen zijn, dat ons verzoek door u werd afgewezen met het meermalen gebezigde argument, dat onze geloofsovertuigingen in strijd zijn met de belijdenis onzer kerk, zoodat gij, die u rechtzinnig noemt, krachtens uw geweten gehouden zijt ons verzoek van de hand te wijzen.

Veroorlooft ons op te merken, dat dit argument geen steek houdt. Ware het een feit, dat de Ned. Herv. Kerk een stel belijdenisschriften had, welker handhaving zij eischte, dan waart gij (althans zoovelen onder u als daarvan ook niet afweken) in uw recht. Wij zouden dan trouwens vanzelf geen lid der Kerk meer zijn.

10. Maar dit is niet zoo, gelijk gij weet. Reeds het feit, dat wij leden der Kerk zijn, dat er geen enkel kerkelijk reglement is, dat ons —omdat wij modern zijn — dat lidmaatschap ontzegt; dat de gemeente-commissie daarom terecht ook van ons betaling van de kerkelijke belasting eischt, en uw college, naar ons weten daartegen nooit in verzet is gekomen, dit alles bewijst — wij herhalen het dat wij rechtens leden der Ned. Herv. Kerk zijn.

20. Natuurlijk heeft onze Kerk hare beginselen, die zich historisch bebben ontwikkeld en gevormd, beginselen, kracbtens welke jij is christelijk, protestantsch, gereformeerd; en van haar leden mag worden geeischt dat die, gelijk zijzelf het uitdrukt, in geest en hoofdzaak daarmee instemmen. Welnu, wij vrijzinnigen zouden weleens het bewijs geleverd willen zien dat dit van ons niet kan worden getuigd.

30. Gegeven dus de feiten: a. dat wij rechtens leden der Ned. Herv. Kerk zijn, b. dat wij van harte instemmen met haar beginselen, c. dat niettemin — hoewel wij een vrij talrijke minderheid zijn — onder de negen predikanten der Leidsche gemeente geen enkele is, die aan onze geestelijke behoeften voldoet, en ons het evangelie, dat onze groote blijdschap en heerlijken rijkdom uitmaakt, verkondigt zooals wij meenen het te moeten verstaan, gelooven wij met het volste recht een beroep te mogen doen op uw gevoel van rechtvaardigheid.

Als gij u de vraag voorhoudt, of deze toestand billijk is en bevorderlijk aan ons allerheiligst geloof, zult gij in gemoede daarop niet anders kunnen antwoorden dan dat er een onvergeeflijke onrechtvaardigheid wordt begaan, die bovendien groote schade doet aan veler geloofsleven. Wanneer gij tot dit inzicht komt, kunt gij niet anders dan ons rechtmatig verzoek inwilligen. Moge God uw oogen daarvoor openen!"

Voelt men nu hoe noodzakelijk en nuttig het is, dat o. a. in de proponentsformule door de Kerk een weinig nader wordt aangegeven, wat de Kerk zelf, wat onze Hervormde, Gereformeerde, Kerk gelooft en belijdt in zake de allernoodzakelijkste stukken der waarheid?

Er wordt nu zoo schromelijk misbruik gemaakt van de z.g.n. vrijheid.

Men leze slechts wat hier de Vrijzinnigen van Leiden (Prof. Eerdmans c s.) durven zeggen o. a. onder No. 2 van dit adres.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juli 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juli 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's