Stichtelijke overdenking.
Werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven; want het is God, die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen. Filipp. 2:12b, 13.
Met vreeze en beven. II.
Het is een bekende zaak, u dikwijls reeds voorgehouden. We moeten zondaar worden voor God. We moeten de Wet als onzen Rechter leeren kennen. We moeten met al ons willen en werken wegzinken onder Gods toorn, onrein en gansch melaatsch zijnde, zonder dat er iets goeds aan of in ons gevonden wordt.
We moeten gansch verloren gaan onder Gods eisch. Om zonder willen en werken gerechtvaardigd te worden in de toegerekende borggerechtigheid van Jezus Christus, door God, die de zaligheid voor Zijn Sion heeft toebereid, naar Zijn welbehagen.
O! als de Heere het zóo niet wilde, waar zou er dan voor een verloren, zondig, onwillig en onmachtig volk eenige hope zijn op redding
Nergens!
Maar o! zeg nu niet, dat dit zoo gemakkelijk is om aan te nemen.
Want er is geen zaak die moeilijker geleerd wordt dan déze.
Wie hoopt niet op eigen gerechtigheid? Wie wil niet gaarne zelf iets tot zijn zaligheid bijbrengen, wie werkt niet gaarne om in dit of in dat aangenaam te worden bij God of bij degenen, die men Gods volk noemt, of in het midden der menschen rondom ons?
O! men wil zoo gaarne zélf de reddingsboot bereiken.
't Gaat evenals bij de groote en vreeselijke scheepsramp, onlangs op den Atlantischen Oceaan, waar 1600 menschen wegzonken in de diepte.
Vrouwen mochten in de reddingsboot.
Maar mannen drongen met geweld ook op, om er in te komen — doch werden dood geschoten.
Toen gingen mannen zich verkleeden in vrouwengewaad, om zoo bedriegelijk een plaatsje te vinden in de reddingsboot.
Men dringt en men dwingt, men wil en men werkt. Men zal zalig worden!
Maar ... men zal als een verloren zondaar voor God moeten leeren wegzinken onder den rechtvaardigen eisch der Wet, om als een goddelooze te verdrinken, verdrinken in de wateren van Gods toorn, om als een goddelooze door God zelf gebracht te worden, door Zijn willen en Zijn werken, in de reddingsboot Christus, tot een eeuwig behoud, waarbij de roem niet des menschen, maar Gode alléén is. Ja, Gode alléén. Waarbij alle roem is uitgesloten.
Dat moet de ontdekte ziel leeren, in den aanvang maar ook in den voortgang, tot het einde toe. Als het gaal om eigen zaligheid, als het er om gaat om zelf gerechtvaardigd te worden voor God, als eigen ziel in gevaar is, in doodsgevaar vanwege de zonde — dan is voorzichtigheid noodig om den rechten weg te onderkennen, om het rechte middel te weten, om waarlijk in den nieuwen, verzoenden staat met God te komen en te mogen blijven. .
En met vreeze en met beven heeft de ziel alles te betasten en alles te keuren en alles te wegen en alles te beproeven, nauw en ernstig, geduriglijk en zonder ophouden, om met eigen willen en eigen werken om te komen en neer te zinken op het willen en het werken Gods, naar Zijn welbehagen, dat Hij lieflijk komt maken aan de harten van Zijn gunstgenoten.
O! Laat de ziel toch met vreeze vervuld zijn om iets aan te grijpen wat zaligheid belooft. Laat de ziel toch beven, om tot leunsel en steunsel te gebruiken, wat zegt vertroosting te kunnen geven.
Laat de ziel met haar willen en haar werken toch verloren gaan.
En laat men toch acht geven — Paulus schrijft er de gemeente van Galatië en nu ook de gemeente van Filippi zoo ernstig over, ja, het verdriet hem niet het „andermaal" nog eens te schrijven — op „de honden en de kwade arbeiders", die als valsche leeraars de gemeenten binnensluipen om Gods kinderen tot hun eigen uitbraaksel terug te voeren en de gerechtigheid Gods in Christus door de vleeschelijke gerechtigheid der besnijdenis als in stukken te snijden („versnijden" staat er) en te verderven.
Laat men de woorden en de daden van deze verdervers der zielen toch toetsen en onderkennen als leugenachtig en bedriegelijk. En laat men toch weten, dat het alles er op ..aangelegd is, o ja.de gerechtigheid Christi en het zaligmakend werk Gods dat haar Zijn welbehagen is, te bemantelen en te verduisteren, tot onnoemelijke schade voor de ziel.
O! wat is er te vreezen en wat is er te beven, als de ziel eigen zaligheid zoekt en naar den vrede-met God jaagt.
Van binnen en van buiten misleiding en bedrog.
Wee! wee! die in eigen strikken verward raakt; wee! wee! die in de handen valt van de zieleverdervers en zielemisleiders, die zonder tal zijn.
O! men zal moeten komen tot Gods werk in Christus, tot Gods willen om Zijn Sion zalig te maken, tot Gods welbehagen waardoor Hij alles doet om niet, naar redenen uit Zich zelf genomen.
Men zal moeten komen tot Hem die wil en die werkt.
Die Zijn wil geopenbaard heeft in Zijn Woord, die Zijn werk getoond heeft in Christus.
Die den weg heeft geopend langs den ladder Christus, „die in de gestaltenis Gods zijnde, geenen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn: maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbend en is den menschen gelijk geworden; en in de gedaante gevonden als een mensch, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.
Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd en heeft Hem eenen Naam gegeven, welke boven allen Naam is; opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn. En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders."
Dien weg, nederwaarts loopend van den hemel naar de aarde en opwaarts klimmend van de aarde naar den hemel, had Paulus de gemeente steeds verkondigd. Die weg van Gods willen en Gods werken; die weg, gaande door de borggerechtigheid van Christus om goddeloozen te worden toegerekend, zonder éen van hunne werken, terwijl zij uit zichzelf onwillig zijn om in te gaan — die weg liep gevaar voor de gemeente verdonkerd en verduisterd en geschonden te worden.
En de eer des Heeren is teer.
De weg ten leven heilig.
Waarom Paulus.zijn geliefde gemeente, die tot de kennis van dit kostelijke en volmaakte werk Gods gekomen was, toeriep: wees voorzichtig nu, vrees en beef — waar anderen u willen misleiden en gij ook zelf geneigd zijt in een anderen weg in te gaan, om eigen gerechtigheid op te richten, die voor God toch niet bestaan kan.
Hun nog eens aanprijzende de volmaaktheid en de lieflijkheid van Gods werk, waarin de ziele van Gods kind, wel gesteld zijnde, het hoogste vermaak leert vinden.
Hoort maar hoe bij hoog opgeeft van dat werk van Gods genade in Christus.
Hoort maar hoe zijn ziele er smaak van heeft en hoe zijn harte begeert het te roemen voor elks oor.
„Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van Jezus Christus, mijnen Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge winnen; en in Hem gevonden worde, niet hebbende mijne rechtvaardigheid, die uit de Wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof." Filipp. 3:8, 9.
Daar staat dus Christus in al Zijn schoonheid en begeerlijkheid voor Paulus.'oog.
Daar staat Gods werk in Hem, naar Zijn eeuwig welbehagen.
En het is zijn zielsbegeeren dicht bij God te mogen leven In Zijn heiligdom te mogen ingeleid worden. Zijn heil te mogen smaken. Geheel gebouwd en gefundeerd te mogen worden op den uitersten hoeksteen Jezus Christus. De gemeente opwekkende om met bevindelijke kennis niets anders te weten dan te roemen in God.
Men heeft Paulus willen spannen voor den wagen van Arminius, den vader van het het Remonstrantisme.
Maar denkt u dat nu eens een oogenblik in, dat Paulus een leeraar zou wezen, die de gemeente voorhoudt: „span uw beste krachten toch in en gij zult uws zelfs zaligheid bewerken !"
En dat Paulus, die met zijn willen altijd schipbreuk leed, daar hij wilde, wat niet goed was en waar hij werkte, wat hij alles schade had leeren achten, om de uitnemendheid der kennisse van Jezus Christus, zijnen Heere en Zaligmaker.
Ach, wat verstaat men den grooten Apostel des Heeren, die telkens uit al zijn willen en werken werd uitgezet, toch verkeerd, wanneer men hem voor den bondgenoot van den Remonstrant laat doorgaan, die den mensch aankleedt en aan 't werk zet om goedwillig en gehoorzaam eigen zaligheid uit te werken!
Alsof Paulus niet weet, dat hij met geen rijken jongeling naar het hemelsch Jeruzalem kan reizen, maar slechts met zulke pelgrims, die geleerd hebben als goddeloozen gerechtvaardigd te worden, door de toegerekende borggerechtigheid van Jezus Christus, naar Gods welbehagen, Die de Zijnen van eeuwigheid kent en die wil, dat ze allen zalig worden en die zaligheid uitwerkt in hen, met vreugdegenieting der ziele.
OI Paulus is juist de man, die in deze dingen zoo ernstig altijd waarschuwt en altijd zoo ernstig vermaant: onderzoek uzelf, ja, onderzoek uzelf nauw, of gij in het geloof bevonden wordt. In het geloof van Jezus Christus tot rechtvaardigheid.
Men moet maar graven, steeds dieper graven en telkens weer opnieuw graven bij zich zelf, daarbij nauwlettend, wakend en biddend acht gevende, dat men toch uitgraaft wat des menschen zij en dat men toch niets anders overhoudt, dan hetgeen Godes is, die Zijn volk rechtvaardigt om niet, in Christus Jezus. Men moet loopen in de loopbaan, dag aan dag en steeds méér, om af te leggen wat van beneden is en na te jagen den prijs die boven is in Christus Jezus.
Men moet strijden den goeden strijd des geloofs, des daags en des nachts, jaar in jaar uit, om niet overwonnen te worden door een andere gerechtigheid dan die in Christus is bij God.
Men moet worstelen en waken, zonder ophouden tot het einde toe, om zich in den geloove over te geven aan Gods genade en te leunen op Zijne ontfermingen; om zalig te worden door Hem, die van Zichzelf getuigt: Ik ben de weg, de waarheid en het leven, niemand komt tot den Vader dan door Mij.
O! Iaat dat gevoelen in ons zijn.
Laat ons eensgezind zijn in dien weg. Laat ons geen andere waarheid dulden, dan die van den Vader is geopenbaard in Zijn Woord en is ten toon gespreid in Jezus Christus, Sions Borg en Goël.
In dien weg wil God, dat Zijn Sion zal zalig worden. En Hij wil, dat Zijn gunstgenooten zich in dien weg leeren verblijden, om, gewillig gemaakt door Gods genade, niet anders, te begeeren dan .'t geen van den Heere is verordineerd in den weg Zijns welbehagens. Hij heeft dien weg verkoren. Dien weg heeft Hij begeerd en verordineerd. En in dien weg wil Hij Zijn volk vervullen met de kennisse des heils, naar Zijn welbehagen. { Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juli 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juli 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's