De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven

18 minuten leestijd

O, die Geref. Bond.

Onlangs wezen we met een enkel woord op 't geen Ds. J. L. Jaspers, Geref. predikant te Moordrecht, in de „Goudsche Kerkbode" geschreven had, in betrekking tot onzen Geref. Bond.

't Luidde zoo ongeveer als volgt.:

„Omdat de mannen van den Geref. Bond den weg der doleantie niet op willen is er van dien Bond niets te verwachten voor „reformatorischen arbeid", 't Zijn woorden — en de daden blijven verre. Ja, de teekenen wijzen er op, dat het hoe langs hoe treuriger met den Bond zal gaan. Er is een droeve afloop der wateren!"

Daartegen hebben we toen een en ander gezegd, waarbij we beweerden, dat Ds. Jaspers er niets van wist, zich noodeloos bezorgd maakte en de lezers van de „Goudsche Kerkbode" verkeerd inlichtte.

Over dat woord van verweer worden we niet weinig gekappitteld door onzen collega uit Moordrecht in de „Goudsche Kerkbode" van 28 Juni en 5 Juli. Die wil toch o! zoo graag volhouden, dat het den Geref. Bond aanvankelijk wél om „doleantie" te doen was. En dat de Geref. Bond daarin veranderd is, blijft hij een verslapping en verflauwing noemen.

Heel die Geref. Bond beteekent niets meer. Want die den weg der doleantie niet wil, die boort toch in het zand. Hoor maar:

»We merkten op«, aldus Ds. Jaspers, dat de verwachting omtrent dezen Bond niet al te hoog mocht gespannen worden; dat reeds aanmerkelijke verslapping was ingetreden, sinds de bond inplaats van »de vrijmaking der Kerks eenvoudig »de verdediging en verbreiding der waarheids in zijn vaandel schreef, en dat menigeen, die zich door den Bond op sleeptouw had laten nemen in zijn reformatorischen ijver was verslapt".

„Verslapt, verslapt". Tweemaal wordt het gezegd in een paar regels.

Verslapt.

Waarom?

Ds. Jaspers zegt:

»De zaak staat zoo. Toen de Bond tot vrijmaking der Kerk optrad, ondernam men een arbeid, dien men meende in den naam des Heeren te moeten ondernemen. Dat is immers zoo? Maar toen men ging inzien, dat deze arbeid, in 's Heeren naam en naar Zijn bevel ondernomen, te eeniger tijd met de Besturen der Herv. Kerk in botsing zou kunnen doen komen, gelijk dat ook b.v. bij de doleantie geschied was) toen liet men dien arbeid varen. Onze vaderen spraken er van dat we zijn moesten gehoorzaam in het gebod, en blind in de toekomst". Maar de Bond wilde daarvan niet weten, en liet uit vrees voor de toekomst den in den naam des Heeren ondernomen arbeid varen.

Zoo zien wij de zaken in en die loop van zaken keurden wij af. Laat er van komen wat wil, Gode meer gehoorzaam dan de menschen — dit moet onze lijfspreuk zijn«.

Weet gij nu waarom onze Gereformeerde collega uit Moordrecht onfeilbaar weet, dat heel de Geref. Bond niets meer beteekent?

»Maar toen men ging inzien, dat deze arbeid, in 's Heeren naam en naar Zijn bevel ondernomen, te eeniger tijd met de Besturen der Herv. Kerk in botsing zou kunnen doen komen (gelijk dat ook b.v. bij de doleantie geschied was), toen liet men dien arbeid varen».

We zouden wel eens willen vragen: heeft Ds. Jaspers dat nu op een warmen middag uit z'n duim gezogen of heeft iemand hem dat 's avonds op z'n jas gespeld?

Een van beide moet gebeurd zijn.

Want dat zulke dingen op een andere manier tot Ds. Jaspers gekomen zijn achten we voorloopig onmogelijk.

Dus, aanvankelijk was de Geref. Bond uit God. Aanvankelijk was de Geref. Bond ijverig.

Of men met besturen in botsing kwam hinderde niet. En de reformatorische arbeid van den Bond deed veel verwachten. Doch op eens wordt men bang voor de Kerkelijke besturen.

De Bond verandert zijn naam.

De Bond bindt in.

De Bond verslapt.

En verslapt nog eens.

De Bond is op sterven na dood. We hebben respect voor de fantasie van onzen Moordrechtschen collega. Want we hebben nooit den weg van '86 gewild.

Op de eerste openbare vergadering van onzen Bond in het „Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen" te Utrecht, hebben Ds. Gewin, Prof. Visscher, Ds. de Lind van Wijngaarden en ondergeteekende dit ernstig in het publiek uitgesproken, gelijk nog na te lezen is.

Wat we wilden was héél iets anders.

We wilden niet, dat een paar honderd of een paar duizend menschen vrij kwamen, door een botsing uit te lokken met een van de besturen der Kerk; maar dat onze aloude Hervormde Kerk tot vrijheid zou komen door ernstigen, gestagen arbeid, o. a. door middel van een orgaan en een biz. leerstoel voor Geref. theologie.

En dat willen we nog.

We staan naar een Gereformeerde Kerk, met een gereformeerde belijdenis en gereformeerde kerkorde die er komen kan en komen zal, wanneer de Hervormde Kerk vrij komt van de banden, die haar in 1816 onrechtvaardig zijn aangelegd.

Wat we niet verwachten van „afwerpen van het synodale juk", zooals in 1886 is gezien.

Dat leidt tot geen vrijmaking van de Kerk en van de gemeenten.

Maar dat verwachten we van de verbreiding en verdediging der waarheid in het midden van die Kerk, die we blijven beschouwen als de Gereformeerde Kerk, het erfdeel der Vaderen, dat met der martelaren bloed is gedrenkt en het wettig eigendom des Heeren is.

Die Kerk moet tot haar belijdenis terug keeren.

En we weten, dat velen van degenen die nu gescheiden van ons leven, dan aanstonds willen terug keeren, om zich weer bij de ware Kerk hier te lande te voegen.

Vandaar ons blijven.

Van daar ons verbreiden van de waarheid.

Van daar ons verdedigen van de waarheid. Waarbij de Heere zich niet onbetuigd laat — al worden de zegeningen, ook door de gescheidene broeders met niet weinig jaloerschheid aangezien en niet zelden schandelijk miskend en verkleind.

O! wat een fantasie.

Wat ziet men soms gemakkelijk wat men wil zien.

Er zijn zelfs menschen die spoken gezien hebben en u kunnen vertellen, wat voor oogen en wat voor neus dat spook had.

Zooiets heeft ook Ds. Jaspers uit Moordrecht blijkbaar.

Natuurlijk, dat we eerst in zake déze kwestie bescheid willen hebben, voor we handelen over 't geen hij verder ter sprake brengt — iets waar we reeds zoo dikwijls over schreven en telkens nog weer eens gaarne 't onze van zeggen.

Juist, omdat we het met leer en leven in onze diep gezonken Herv. Kerk ernstig willen nemen.

Maar — dan wachten we eerst een oogenblikje, dat Ds. Jaspers z'n verslappingsfantasieën wat nader ontleed heeft en met bewijzen gestaafd.

Want het gaat niet aan, dat men het publiek wat wijs maakt, dat totaal onwaar is.

Vooral in een Gereformeerde Kerkbode behoort zulks niet.

De Geref. Bond is dus verslapt en nóg eens verslapt.

Dat zal Ds. Jaspers bewijzen.

Terwijl Ds. Sikkel, geref. predikant te Amsterdam schrijft, in een recensie van het referaat „Onze Kerkbeschouwing" van Ds. M. Jongebreur te Veenendaal: „sinds „de Waarheidsvriend" uitkomt zien we onder Hervormden wolkjes als eens manshand opkomen voor Schriftuurlijke Gereformeerde Kerkbeschouwing en praktijk".

En „de Waarheidsvriend" verscheen na het „verslappings"-moment dat Ds. Jaspers ontdekt heeft.

Is de Herv. Kerk de valsche Kerk? VII.

De Hervormde Kerk is een belijdende Kerk — op de aloude gereformeerde grondslagen gefundeerd en gebouwd.

Maar men heeft in de laatste eeuw niets onbeproefd gelaten om die grondslagen der Geref. Kerk te ondergraven, tegen de duidelijke uitspraken der Kerk ingaande.

Dat heeft onze Herv. Kerk zoo ongelukkig gemaakt.

Onwaarachtigheid is de moeder van alle ellend.

Men weet niet meer wat de Herv. Kerk is en wat zij als Kerk wil in hare openbaring in het midden van ons volk — hoewel zij nog heeft haar gereformeerde belijdenis en haar gereformeerde formulieren.

Men heeft haar expres verward en verstoord.

Men heeft haar gereformeerde kerkeorde haar ontnomen, zoodat zij niet meer vergaderen kan in haar wettige kerkelijke samenkomsten.

Zij kan zich niet meer openbaren, zooals zij recht heeft dat te doen naar aloude gewoonte en naar uitwijzen van de Heilige Schrift. Men heeft haar tal van reglementen gegeven, om nu zoo te blijven voortsukkelen wat haar „leer" aangaat, toelatende dat ieder leert wat hij wil, al is het ook in alles afwijkende van de meest kenmerkende stukken der belijdenis. En zoo wil men haar houden, om haar te laten blijven „een vereeniging van elk wat wils" — wat als zonde te rekenen is en de oorzaak van de allergrootste ellend.

Daarom moeten de lijnen der belijdenis weer blootgelegd worden, de eischen van Gods Woord weer gesteld en de rechten der Geref. Kerk weer verdedigd.

Het mag zoo niet blijven, zooals het is. Onze Hervormde Kerk mag niet gemaakt worden tot een godsdienstige vereeniging zonder gemeenschappelijke geloofsbelijdenis.

En gelukkig dat er weer opwaking in deze komt onder jong en oud, daar men zich gaat bekommeren over de ellende van Gods Huis en men de zonde niet langer wenscht te verzwijgen.

O! zeker, daar is al lang over de breuke Sions geklaagd en er is al veel gedaan tot genezing.

Voor ons oog gaan voorbij al die mannen, die vanaf 1816, bizonder in de jaren 1834, 1841, 1886 enz. keer op keer gesproken, geschreven, gedaan hebben wat mogelijk was, tot herstel van onze diep gezonken Kerk te komen.

Ze hebben onze hartelijke sympathie.

Hun woord, hun protest, hun geschriften, hun daden — neen 't was niet om een nietigheid, dat zij zoo deden.

't Was omdat de belijdenis geschonden werd, omdat men brutaal de waarheid, die naar Gods Woord is, aanraakte; omdat men vol vijandschap in het midden van onze Hervormde Kerk, allen die de waarheid lief hadden kwalijk behandelde, hoonde en tergde.

Daarom heeft dat kleine hoopke geprotesteerd. Daarom hebben die weinige getrouwen geschreven en gesproken. Daarom ook deed God hun getal vermeerderen, hoe meer men hen smaadde.

Waarvan de eene helft steeds gebleven is in de Kerk onzer Vaderen, waarvan de eenig wettige grondslag nog altijd is de aloude gereformeerde belijdenis, die naar den Woorde Gods is opgesteld.

Maar waarvan de andere helft, omdat men niet kon winnen wat men zich voorgesteld had, is uitgegaan in een weg van separatie en doleantie — om nu, sedert 1892, rustig saam te wonen in een eigen kerk, van steen gebouwd.

Om der waarheid wille is veel geprotesteerd in onze Hervormde Kerk.

Om der waarheid wille is veel geschreven en gestreden.

De laatste eeuw onzer Vaderlandsche Kerkeschiedenis is een groot en ernstig protest tegen het onrecht in 1816 onze Geref. Kerk aangedaan.

En nog is "de toestand van de Kerk onzer Vaderen in zoo heel veel opzichten zoo intreurig.

Waarin wij de straffen Gods hebben op te merken, niet buiten de zonden van ons en onze vaderen, over ons komende.

Gods oordeelen zijn geducht.

Lees de geschiedenis van de Oud-Testamentische Kerk maar eens.

Sla de geschiedenis van Elia maar op.

Lees de profetieën van Amos en Hosea maar.

Blader maar in de Woorden van Jeremia, den zoon van Hilkia, uit het land van Benjamin.

Lees de geschiedenis van Israel, in Ps. 80 en Ps. 105 ons geteekend.

Herinner u de geschiedenis van Jeruzalems tempel en Israels priesters in Jezus' dagen, toen het huis des Heeren een hol van moordenaren was geworden, toen Mozes van het gestoelte was gestooten en de moderne Saduceër Kajafas het wezen en de hoofdzaak der Goddelijke waarheden ruw onder den voet vertrapte.

Lees Corinthe's historie.

Lees de geschiedenis van de 7 gemeenten, die in KL Azië eertijds brandden als een heldere kandelaar, met zeven maal zeven lichten. Die als een kostbare diadeem waren op het hoofd des Konings, die eens voor hen den doornenkroon droeg.

Lees de geschiedenis van onze Vaderlandsche Kerk. Leg de Institutie van Calvijn daar naast. Laat mannen als Brakel getuigen; laat Groen van Prinsterer spreken.

O! wat toestanden! Gruwelijk om der zonde wil. De straffen Gods blijven niet uit. De oordeelen vermenigvuldigen zich. Gods is rechtvaardig!

Maar hoor dan het vrome volk van alle tijden roepen tot God, hoor hen bidden en smeeken tot den Heere, ook nu in het midden van de Kerk onzer Vaderen, die met het bloed der martelaren is gedrenkt.

Ze weten, dat Zijn hart in Hem zal omkeeren.

Ze weten, dat Hij Zijn verbond zal gedenken.

Ze weten, dat Hij genadig zal zijn.

Ze weten, dat Hij wonderen verricht.

Ze weten...

Ach, arme...

Ze weten, dat het zoo ellendig is; zoo droef; zoo schandelijk, zoo gansch hopeloos.

Zal de Heere...

O, zie; zie hoe de ziel buigt onder Gods oordeelen; zie hoe de ziel buigt onder Zijn straffen.

Maar zie, zie hoe de ziele opblikt naar boven, tegen hope in.

En hoor, hoor hoe de ziele overneemt, op een plaatse waar alles zonder hope schijnt: , O God der heirscharen! breng ons weder, en laat uw aangezicht lichten, zoo zullen wij verlost zijn." Ps. 80. "

Heerlijk !

En ach, als velen dat dan niet verstaan, en als velen den bidder aanstooten en spotlachend zeggen: „man, de Kerk waarin gij woont is een beestenstal gelijk, ziet gij het niet? "

Dan antwoordt de bidder, bedeesd en bedroefd, maar geloovig en moedig: gij vergist u, het is niet een zwijnenhok, het is de wijngaard mijns Gods, het huis des Heeren". (Ps. 80 : 14, 15, 16).

Ja, het huis des Heeren, de wijngaard onzes God is de Nederlandsch Hervormde Kerk, die nog de aloude geref. belijdenis tot haar fundament heeft.

Maar ja, „het zwijn uit het woud heeft hem uitgewroet, en het wild des velds heeft hem afgeweid".

Vreeselijk!

Door ónze zonde zoo geworden. Door de zonde onzer vaderen.

Waarbij wij niet minachtend de schouders optrekken, geen spottende en schimpende woorden spreken, geen vervloekingen uitbraken over die Hervormde Kerk.

Maar waarbij wij aan dat huis onzes Gods, aan dien wijngaard des Heeren vasthouden en bidden: „O God der heirscharen, keer toch weder, aanschouw uit den hemel en zie, en bezoek dezen wijnstok, en den stam, dien uwe rechterhand geplant heeft; en dat om den Zoon, dien Gij U gesterkt hebt!"

Die dat voorrecht kennen mag, die weet waar hij heen moet met zijn bittere klachten.

Die kent de plaats waar hij kan heen vluchten als smaders smadelijk spreken en vijanden hun pijlen schieten in zijn vleesch ja in zijn hart.

Die weet wat hem past, als anderen roemen in het werk hunner handen en wijzen op de spits van hün torens, op het dak van hün kerken, op het ameublement van hün godshuizen, op den ijver en den bloei van hun gemeenten.

Die weet, dat 't niet bestaan kan, om onder Gods oordeelen wég te loopen.

Die vreest voor voorspoed op eigen gekozen wegen.

Die gelooft, dat God rechtvaardig is. En die blijft, blijft op de erve zijner vaderenen zegt met Naboth: dat late de HEERE verre van mij zijn, dat ik u de erve mijner vaderen geven zou!" (1 Kon. 21:3.)

Maar wanneer dat dan ook waarlijk eeniger mate met ernst in de ziele gevoeld mag worden èn de diepte van de ellende èn de grootheid van de schuld én de plicht om te blijven — die zal ook biddend werken en werkend bidden, van den God der Vaderen smeekend: o, God der heirscharen! breng ons weder en laat uw aangezicht lichten, zoo zullen wij verlost worden." Ps. 80 : 8.

We moeten in de Kerk onzer Vaderen blijven.

Maar we moeten uit den weg der zonde, uit de diepte van de schande, uit de strikken der ongerechtigheid — en we moeten weer leeren wandelen in den weg van Gods inzettingen en de paden der gerechtigheid, door onze Gereformeerde Vaderen in de belijdenisschriften zoo kostelijk uiteengezet en aangeprezen.

Uit de schande uit! Het vervallene moet hersteld. Het kromme recht gemaakt. De bressen toegemuurd. De poorten herbouwd. Terug, terug tot de Wet en tot de Getuigenis.

Terug tot den Heere, die Jezus Christus als koning over zijn Sion gezalfd heeft.

Mag daar onze plaats weer worden om den Heere gehoorzaamheid te bewijzen naar Zijn Woord — dan zal de zegen Gods op ons en onze kinderen nederdalen en het zal zijn als een vruchtbaar makenden regen, ook zal de aarde allerlei heil uitspruiten. (Jes. 45:8)

(Wordt vervolgd.)

De Theologische faculteit.

Men wil er bij de Synode dezes jaars op aandringen dat deze zich tot de Regeering zal wenden, om er haar op te wijzen, dat de belofte, in der tijd gedaan, in zake de regeling van de Theol. faculteit in 1908 niet is vervuld geworden en dat we nu, met de benoeming van Dr. A. Noordtzij, de onaangename gevolgen daarvan weer hebben ondervonden

We hebben goede hoop, dat de Synode vriendelijk bedanken zal, om bij de Regeering de onnoozele te spelen.

Want anders kon men wel eens koud van de reis terug komen!

Neen, laat men niet doen alsof men hier maar te vragen, zelfs te eischen, heeft, zonder meer.

Want men weet beter !

De Kerk zal het vraagstuk van de Theol. faculteit zelf eerst eens moeten indenken en er zelf eerst eens over moeten beraadslagen en zelf eerst eens moeten gaan formuleeren. Want anders loopt heel die groote Hervormde Kerk de groote kans om in deze voor een onnoozele te worden nageroepen.

Men weet toch wel, dat er gezegd is van de Regeeringstafel: zeg ons maar hoe Gij het hebben wilt en we zullen daar rekening mee houden.

Men weet toch wel, dat een stuk of wat predikanten bij elkaar geweest zijn om te beraadslagen wat men zeggen zou en wat men als voorstel ter tafel zou brengen.

En men weet toch wel, dat men naar huis gegaan is zonder resultaat, zonder voorstel zonder dat men zelf wist hoe het zou moeten worden geregeld!

Wat wil men dan nu de onnoozele gaan spelen en wat zou men dan nu een hooge borst willen opzetten ?

Laat men liever deze zaak eens kalm indenken en dan eens kalm vergaderen en dan eens ... tot de ontdekking komen, dat de Kerk zelf tot hare belijdenis heeft terug te keeren daar ze anders krachteloos is en krachteloos blijft en door ieder aan de linkerkant wordt neergezet.

Want ja, als Gereformeerde Kerk heeft zij altijd een positie in het midden, van ons Nederlandsche volk gehad. Zijnde de Kerk van de ware religie.

Maar nu, nu ze zelf toelaat dat haar karakter geschonden wordt en de gereformeerde belijdenis veracht, nu is haar positie allertreurigst.

Wat kan ze nu toch eigenlijk meespreken inzake de Theol. faculteit?

Zelf weet ze niet wat dogmatiek is en hoe dogmatiek behoort onderwezen te worden aan de as. herders en leeraars der Ned. Herv. Kerk. Getuige de kerkelijke benoemingen te Utrecht (de moderne Prof. Cannegieter) te Leiden (de moderne Prof. Knappert) te Groningen (de moderne Prof. Mallinckrodt.)

Ze laat dogmatiek doceeren door hen die er geen dogmatiek op na houden. Die de grondslagen van de gereformeerde echt-Hervormde dogmatiek, ruw omwoelen en losrukken.

En wat zou die Kerk dan nu een aannemelijk voorstel kunnen doen in zake de Theol. faculteit in haar geheel ?

Voelt men niet dat de hand eerst in eigen boezem moet?

Anders loopt men groot gevaar, dat men den mond open doet en met de klappen thuis komt.

* Openbaar en Bijzonder Onderwijs.

Woensdag 26 Juni j.l. werden te Zeist door den heer Derksen tentoongesteld de 6 grafische voorstellingen van de Unie „Een school met den Bijbel" met betrekking tot de ontwikkeling van het Bijzonder Onderwijs en de verhouding der bijdragen van Rijk en Gemeenten aan de openbare en de bijzondere scholen.

Deze tentoonstelling verdiende de betoonde belangstelling ten volle.

Met getal en beeld laat ze zien de buitengewone ontwikkeling van het bijzonder onderwijs, maar ook de groote financieele bevoorrechting van de openbare school.

Om met het laatste te beginnen:

Plaat No. 5 toont een hooge gouden zuil, zijnde de kosten van bet openbaar onderwijs.

Daarnaast de veel lagere zuil van de bijz. school, die, wanneer aan het bizonder onderwijs een gelijke bijdrage per leerling gegeven werd als aan het openbaar onderwijs, meer dan tweemaal zoo hoog zou moeten zijn!

Immers kost, naar officieele gegevens van het jaar 1909, de openbare school met 562, 824 leerlingen de som van f26.119.281.

Naar denzelfden maatstaf zoude bijzondere school met 341, 318 leerlingen de som van f15, 837, 155 moeten ontvangen.

Dit bedrag is evenwel slechts f 7, 233, 340 — dus minder dan de helft!

De openbare school krijgt f46.40 per leerling per jaar.

De bijzondere school maar f 21, 20 per leerling en per jaar.

In guldens en dubbeltjes uitgeteld, laat plaat 5 dit verschil aardig uitkomen.

De andere platen stellen voor:1ste de toename van het aantal scholen.

In het jaar 1857 waren er slechts 58 scholen met den Bijbel. In 1880 zijn er 340; in 1890 al 488; in het jaar 1900 is het getal geklommen tot 634 en vooral van 1900 op 1910 (wet-Kuyper) is de toename zóo groot, dat er in 1910 reeds 985 zijn, terwijl in 1912 het respectabele getal van 1036 scholen met den Bijbel is bereikt geworden.

Ten 2e wordt ook het aantal leerlingen in diezelfde jaren voorgesteld.

In 1857 was 't aantal leerhngen ongeveer 10, 000 (voorgesteld door een klein ventje op de plaat; — maar er zit groei in het kereltje, dat kunt ge wel zien).

In 1890 is 't getal 80, 800; in 1900 zijn er 99, 123 leerlingen en in 1912 is het 163, 807 geworden ('t ventje is een stevige Hollandsche jongen geworden).

Ten 3de is er een voorstelling, van het toenemen der onderwijzers aan de bijzondere scholen.

In 1893 arbeidden aan de school met den Bijbel 1963 onderwijzers. Dit getal klimt in 1900 tot 2451 en in 1912 tot 4643.

Plaat 4 eindelijk laat zien 't verschil in toename van 't aantal openbare en bijzondere scholen.

In 1857: t groote gebouw der openbare school, daarnaast het hutje van 't bijzonder onderwijs:2478 openbare tegen 58 bijzondere scholen!

Maar 't kleine gebouwtje krijgt straks, zonder dat het fondament verzwaard behoeft te worden, een tweede verdieping!

In 1890 zijn de getallen reeds:2959 ópenbare en 488 bijzondere scholen; in 1912 3308 openbare en 1036 scholen met den Bijbel.

Terwijl dus 't aantal bijzondere scholen bijna 19 maal zoo groot is geworden, zijn de openbare slechts met een derde toegenomen.

't Zou waarlijk te wenschen zijn, dat deze platen, die door beeld en getal zooveel zeggen, eens overal gezien konden worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juli 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juli 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's