De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voor Jong en Oud.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Jong en Oud.

5 minuten leestijd

I5) John Bunyan.

De dood was van hen gekeerd. De woede des leeuws was machteloos gemaakt. Bij het naderen van den dood was uitkomst gekomen.

De Reus ging weg, en zij bleven in hun donkeren kerker achter.

Wat nu te doen?

Ze begonnen saam te overleggen als volgt:

Christen: Broeder, wat zullen wij doen? Het leven, dat wij nu leiden, is ellendig. Ik voor mij weet niet wat het beste is, zoo te leven of op staanden voet te sterven. Mijne ziel kiest de verworging, meer dan het leven, en het graf is mij lieflijker dan dit kerkerhol Job 7:15). Zullen wij door den Reus geregeerd worden? "

Hoop: „Onze tegenwoordige toestand is inderdaad vreeselijk en de dood zou mij veel meer welkom zijn, dan altijd zóo te leven. Maar toch, laat ons bedenken, dat de Heere van het land, waarheen wij reizen, gezegd heeft: „Gij zult niet dooden." Geen ander dooden; hoeveel te meer is het ons dan van Hem verboden ons zélf te dooden! Bovendien, hij die een ander doodt, kan slechts dat lichaam dooden. Maar hij, die zichzelven doodt, doodt zyn lichaam en ziel tegelijk.

Ja, méér nog, mijn broeder, gij spreekt van rust in het graf, maar hebt gij dan vergeten, waarheen de doodslagers zekerlijk zullen gaan? Want er staat geschreven: „Geen moordenaar zal het eeuwige leven beërven.

En, laat ons ook bedenken, dat de reus Wanhoop alle macht niet in handen heeft. Anderen, voor zooveel ik merken kan, zijn ook door hem gevat geworden, zoowel als wij, en toch zijn ze zijne hand ontsnapt. Wie weet, of God, die de wereld schiep, nog niet maakt, dat de reus Wanhoop sterft, of dat hij den een of anderen tijd ons vergeet op te sluiten. Of dat hij misschien binnenkort in onze tegenwoordigheid weer een stuip krijgt en het gebruik van al zijne ledematen verliest?

Wanneer dat eens mocht gebeuren, ben ik voor mij besloten met mannenmoed het uiterste te beproeven en mij uit zijne macht los te rukken.

Dwaas was ik, dat ik het nog niet eerder beproefde, maar nochtans, mijn broeder, laat ons geduldig zijn en eene wijle tijds verdragen. De tijd kan nog wel komen, die ons een gelukkige verlossing brengt, maar laat ons geene zelfmoordenaars worden!"

Door deze woorden bracht Hoop het gemoed van Christen, dat door Satans listen zoo gansch ontroerd was, weer een weinig tot bedaren. Satan had Christen zoo geheel in het duister gelokt, zooals hij dat zoo gaarne en zoo dik­ wijls met Gods kinderen doet.

Dan weet hij aan het geweten de meest treurige uitspraken der Schrift voor te leggen. Dan komt hij het harte met zulke listige redeneeringen verstoren Dan legt hij er alles op toe dat de ziel God zal wantrouwen en dat men tot wanhoop zal vervallen. Dan zet hij heimelijk aan tot zelfmoord, gelijk Judas, Saul en anderen deden.

Maar gelukkig werd Hoop gebruikt om een weinig licht te midden van de duisternis te ontsteken, van het pad der wanhoop terug te voeren en een weinig tot stilheid te brengen.

Omtrent den avond ging de Reus weder beneden in het onderaardsche hol, om te zien of de gevangenen zijn raad gevolgd hadden en zich van het leven hadden beroofd — maar toen hij daar kwam, vond hij hen nog levend. Ja, ze leefden nog. Maar dat was ook alles. Want deels uit gebrek aan brood en water, deels wegens de wonden, hun toegebracht, konden zij weinig meer doen dan ademhalen.

Doch, zooals ik zeg, hij vond hen nog levend. Daarover werd hij vreeselijk woedend en zeide dat, daar zij zijn raad niet hadden willen opvolgen, het erger met hen zou worden dan of zij nooit geboren waren.

Dit deed hen zeer beven, en ik dacht dat Christen in zwijm viel, doch een weinig tot zichzelf gekomen zijnde, vernieuwden zij hun gesprek om te beraadslagen over den raad van den Reus en of het 't beste was, dien te volgen of niet.

Christen scheen geneigd dien op te volgen, maar Hoop sprak ten tweede male daartegen als volgt:

„Mijn broeder", zeide hij, „herinnert gij u niet, hoe dapper gij vroeger waart? Apollyon kon u niet vervaard maken, noch kon alles  wat gij hoordet, zaagt of voeldet in de Vallei van de Schaduwe des Doods u ontmoedigen. Wat al leed, verschrikking en verbaasdheid hebt gij niet reeds doorstaan; en doet gij nu niets dan vreezen?

Gij ziet dat ik een veel zwakker man van natuur ben dan gij zijt; de Reus heeft miji zoowel als u, gewond en heeft eveneens het brood en het water aan mijn mond onthouden en met u zit ik hier te klagen zonder licht. Maar laat ons wat meer geduld oefenen. Herinner u, hoe gij u als een man gedroegt op de IJdelheidskermis en niet bang waart noch voor de boeien, noch voor de kooi, noch zelfs voor een bloedigen dood.

Laat ons daarom (om ten minste die schande te vermijden, welke een Christen niet betaamt te dragen) met geduld verduren, zoo goed wij kunnen."

{Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juli 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Voor Jong en Oud.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juli 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's