Stichtelijke overdenking.
Werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven; want het is God, die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen. Filipp. 2:12b, 13.
Met vreeze en beven. III.
De mensch staat zoo geheel en al tegenover het heil des Heeren en de zaligheid in Christus.
De onbekeerde en de bekeerde beiden.
De mensch is zoo blind en blijft zoo dwaas.
De mensch is een vijand van God en een vriend van den dood.
Maar de Heere heeft lust in Zijn eigen weg en bemint Zijn eigen werk, dat naar Zijn welbehagen is.
En Hij komt Zijn uitverkorenen lokken en trekken om in dien weg in te gaan en in Zijn werk de vreugd voor de ziel te vinden.
Hij laat niet af. Hij komt ze allen bewerken met Zijn Woord en door Zijn Geest. En in den dag Zijner heirkraeht leeren ze allen bukken en leeren ze allen aanbidden, leeren ze allen zich verblijden in God.
Dan wordt Zijn willen zoo goddelijk en wonderlijk. Dan wordt Zijn werken zoo lieflijk en volmaakt. Dan komt het Kruis als het middelpunt van alles te staan en het bloed des Middelaars als het kostelijkste goed voor elks oog te liggen.
En o! dan is het een heerlijk fundament om op te staan. Dan is het een kostelijke fontein om bij neer te zitten. Dan is dat de rotssteen waaruit honigbeken vloeien. Dan getuigt de ziele: „Heere, Uwe voetstappen druipen van vettigheid in het midden van Uw volk!" Dan leert men verstaan wat de dichter bedoelde toen hij zong: hier wordt men van liefde dronken.
Wat wil men dan Gods werk aanvaarden en Gods werk roemen.
0! wat is alles heilig en volmaakt. Wat is alles schoon en zéér te prijzen. Wat is alles sterk en onwankelbaar.
Ja, daar is de plaatse om dan te zingen: »wij steken 't hoofd omhoog, en zullen d'eerkroon dragen, door U, door U alleen, om 't eeuwig Welbehagen."
Daar is 't dan het plekske om óok uit te jubelen: „zoo ik niet had geloofd, dat in dit leven, mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou, mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven, ik was vergaan in al mijn smart en rouw."
Daar, daar kunnen de godvruchtigen elkander toeroepen: „houdt moed, is Israel in nood, er zal verlossing komen. Zijn goedheid is zeer groot."
Neen, God laat niet varen wat Hij begon. Hij verbreekt Zijn voornemen niet. Hij schendt Zijn eer niet. Hij versmaadt Zijn maaksel niet.
En wat heeft Hij in Christus alles wèl geordineerd, voor een arm en ellendig volk.
O! als er eens iets op den mensch gefundeerd was; op 's menschen wil; op 's menschen werk; als er eens iets berekend was, als noodzakelijk uit den mensch voortkomende — ach, het was verloren! het was een totale mislukking.
Maar nu is alles zoo geheel buiten den mensch. Voor goddeloozen in Christus. Buiten den wil en buiten het werk van den onrechtvaardige in den gewilligen Borg en algenoegzamen Middelaar.
En o! als de ziele nu aan zichzelf ontdekt, gewillig is gemaakt in den dag van Gods heirkracht, dan ziet de ziele de zaligheid in het willen en het werken Gods; en de ziel wil in dat werk gewilliglijk ingaan, de ziel begeert dat werk aan te nemen, dat werk te prijzen — om als een onwaardige en onwillige en onmachtige door dat werk gedekt en door dien wil gered te worden.
Tegen eigen wil in, Gansch zonder eigen werk. Door Gods wil. Door Gods kracht. Door Gods werk.
Bekennende in deze, na ontdekte oogen en een ontsloten harte verkregen te hebben, de kostelijkheid van Zijn welbehagen.
Dat is de zaligheid voor de ziel, die wel onderwezen mag zijn.
Dat is de goddelijke rechtvaardigmaking in Christus door den Geest te beleven in een weg der heiligmaking, die niet naar het vleesch is.
Met zielsbevinding, die doet uitroepen: „hoe kostelijk is het goed, dat Gij o Heere hebt toebereid voor Uwe uitverkorenen in den Zoon Uws welbehagens!"
Zeker — daar schudt Satan telkens aan, aan dat geloof.
Zonder iets van het uwe behouden worden ?
Met zonde en schuld, met struikelen en vallen, met uw overtreding in doen en laten, met uw tekortkoming eiken dag, met uw schenden van al Gods geboden — zóo zalig worden?
Ziel, ziel, hoe kunt gij zoo rechtvaardig zijn voor God?
Immers onmogelijk!"
Zoo weet Satan bij tijden aan te vallen.
En ja — de aanvechting kan dan hoog gaan. Want 't is toch ook waar, dat men zóo maar niet behouden kan worden! Die zonden dan, en die schuld! Waar moet het heen ? ...
0! wat kan die aanval pijn doen.
En 't is goed; ja, 't is goed!
Want de eer des Heeren is teer. De weg der zaligheid is heilig. Het pad ten leven is smal. De poort des hemels is nauw.
En ja, de ziel moet weer in de schuld voor God. De ziel moet weer leeren vreezen en beven, om als een goddelooze voor God gebracht te worden en in Christus te worden gerechtvaardigd om niet, zonder de werken der wet, naar Gods welbehagen. Uit de ziel moet weer een schreeuw van pijn en benauwdheid gehoord worden, opdat de naam van Christus weer boven alles zal uitklinken!
De weg tot Gods genadetroon moet versch blijven.
Gods willen en Gods werken moet weer schitteren.
En het willen en het werken der ziele moet weer opgaan in den roem van Hem, die voor Sion de vrede is, door Zijn bloed.
Dat is heerlijk!
De ziel, door Satan opgejaagd, mag weer bij Christus terecht komen, om als een schaap Zijner kudde zich neer te vleien in de grazige weide en te rusten aan de stille wateren. Den Zoon te aanschouwen en in Hem te gelooven, dat is het eeuwige leven, naar den wil desgenen, die Christus gaf en Christus zond tot Losser Zijns volks.
Ja — het gaat wonderlijk.
Staan niet telkens tal van raadgevers en leidsvrouwen op, om te verkondigen, dat men toch dit moet doen en dat moet bezitten, en zus moet geleid zijn en zoo moet kunnen spreken, wil men zalig worden.
Ach, men kan de ziel zoo benauwen, zoo plagen, zoo pijnigen.
Want wie wil niet graag vroom en godsdienstig zijn, wie wil niet graag een goeden naam hebben bij deze of bij die?
En de ziel wordt niet zelden misleid, gedrukt, gemarteld, geduwd, gestooten en geslagen — om niet tot ruste te komen.
Totdat de ziel weer als een arme en ellendige bij den Heere terecht gebracht wordt, om in Gods werk weer te leeren rusten en in Christus zich weer te leeren verblijden, roemende Gods welbehagen.
Dan worden de vijanden van de vrije genade, van het Kruis van Christus onderkend. Dan worden de woorden en raadgevingen en wegen van vleeschelijke lieden, die zichzelf zoo gaarne een gerechtigheid oprichten, die niet tot leven is, veracht en verworpen.
Dan is het begeeren om uit Christus te mogen leven en den Heere lief te hebben, die Zijn maaksel kent en Zijn gunstgenooten behoedt.
O! wat is de loopbaan moeilijk en lang. Ook als zorgen drukken, als talloos vele nooden ons benauwen. In het lichaam, in het huisgezin, in de Kerk, in de maatschappij — alles kan zoo donker en duister soms zijn.
De muur kan zoo hoog zijn, de banden kunnen zoo eng ingehaald worden. Hoe zal men er door komen ? Kan dat met de zaligheid bestaan ? Weet de Allerhoogste het niet ? Zou er wel zaligmakend werk aan onze ziele zijn verricht? Zal het niet een van de dagen op mislukking uitloopen? Ach, men hoort toch zooveel; men beluistert toch zulke vreeselijke dingen
Totdat de Heere die benauwdheid en die bestrijding en die aanvechting èn die moeite weer gebruikt, om uit alle aanspraken en rechten afgesneden te worden en weer te komen op het fundament van Gods willen en Gods werken, om dat willen te kussen en dat werk te prijzen, ervarende, dat het alles is om ons geen anderen grond te geven dan te hopen op Christus en ons te bevestigen in het geloof, dat onze rechtvaardigheid bij God is, in onzen Borg en Middelaar.
Wonderlijke gangen Gods.
Maar gelijk de stroohalm door der golven beweging naar het land wordt gedragen en door der golven geweld op de kust wordt geworpen — zóo laat de Heere de ziele geworpen worden telkens weer op het vaste land van Zijn welbehagen in Christus.
O! 't is een weg om telkens moedeloos, radeloos en machteloos bij de pakken neer te zitten.
Maar 't is een weg om opgericht te worden, in den loopbaan ingeleid, tot den strijd bij vernieuwing gesterkt — in de hope dat ons heil in God is, verborgen in Jezus Christus, onzen Zaligmaker.
Dat kan het hoofd oprichten, de knieën sterken, de voeten schoeien.
Dat geloof, om in Gods willen en werken, naar Zijn welbehagen, onze zaligheid te weten, geopenbaard in Jezus Christus.
0! gij gevoelt het, Paulus heeft ons niet willen inleiden in de werkplaats, waar Sion eigen zaligheid uitwerkt naar eigen willen en met eigen werken, welke werkplaats ligt op de hoogten der eigengerechtigheid en werkheiligheid.
Neen, in die werkplaats wil de mensch van nature wel gaarne ingaan, om te werken tot vermoeienis toe, des daags en des nachts.
Maar Paulus heeft ons in de werkplaats Gods willen inbrengen, waar het kostelijke werk der zaligheid in Christus wordt ten toon gespreid, om de ziele te betuigen om door de diepte van ellende daar te zoeken ingeleid te mogen worden.
Want daar mag dan, met veroordeeling van zich zelf en van alles wat van beneden of van boven is, in Gods welbehagen ruste gevonden worden voor de ziel, om daar door Gods genade te mogen worden gevoed en daar met Christus' gerechtigheid te mogen worden aangedaan.
_ En uitgaande uit die werkplaats, mag de ziele den Heere groot maken om in het geloof te belijden: zoo is er nu geen verdoemenis voor mij, in Christus Jezus.
O! dat is in de zaligheid te mogen worden ingeleid. In de kennis der zaligheid te mogen toenemen. Om dan, door genade, niet te wandelen naar het vleesch, maar in de kracht des Geestes te mogen voortvaren tot de volmaking, welke in Christus Jezus is.
Waarbij vreeze en beven past, om niet af te wijken, om niet te komen tot een andere gerechtigheid.
Want dat is niet naar den wille Gods én dat is niet-naar Zijn werk.
Dat is Christus te niete maken en duisternis brengen over de ziele.
Dat geeft namelooze ellend en diepe smart. Waarom Paulus zegt: wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede en welbehagelijke en volmaakte wil. van God zij." Rom. 12:2.
Daarbij voegende: En de God des vredes zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus.
Hij die u roept, is getrouw, die het ook doen zal." 1 Thess. 5 : 23, 24.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juli 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juli 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's