Geen tijd voor de Catechisatie.
In het „Gereformeerd Jongelingsblad" lazen wij van de hand van Ds. J. P. Tazelaar het volgende behartigenswaardige artikel:
Wij leven in den tijd van kennen en kunnen. De mensch der twintigste eeuw wil alles kennen en verbeeldt zich alles te kunnen. Vandaar dat vele ouders als het ideaal der opvoeding voorstaan, dat hun kinderen zoo wat van alles moeten kennen en kunnen. Ze laten hun zonen en dochteren zooveel mogelijk leeren.
Van vele jonge menschen, ook uit onze kringen, is al hun tijd met verschillende scholen en cursussen bezet. Zóo zelfs, dat er ternauwernood gelegenheid overblijft, om ter catechisatie te gaan. Menig jongeling denkt dan ook, dat hij voor de „leering" geen tijd heeft. En zoo er al nog tijd voor overschiet, is er toch geen ernstige voorbereiding mogelijk. Het onderwijs in de Goddelijke waarheden staat bij velen geheel onderaan op de lijst van al de dingen, die de jeugd moet leeren kennen.
Dit is inderdaad een zeer ernstig en onrustbarend verschijnsel. Wel is het noodig, daarop met nadruk te wijzen. Als wij sterven moéten, - zal de kennis in allerlei maatschappelijke dingen ons niet baten; dan zullen alleen de heilswaarheden, zoo wij ze door het geloof leerden omhelzen, ons arme hart troost en zaligheid kunnen bieden.
Het is inderdaad een treurig feit, dat vele ouders in het geheel niet of slechts zeer weinig zich bekommeren om het catechetisch onderwijs hunner kinderen. Menige vader meent zelf óok, dat zijn kind daarvoor geen tijd overhouden kan. Indien voor dezen diep treurigen misstand de oogen niet opengaan, zullen daarvan de wrange vruchten op ontzettende wijze worden geplukt.
Geen tijd voor de catechisatie. En dat terwijl onze jonge menschen op hun werk, in de omgeving, waarin zij verkeeren, met allerlei dwaalgevoelens onophoudelijk bestookt worden. Laten onze ouders er maar eens acht op geven en er eens een onderzoek naar instellen, wat onze knapen en jongelingen op fabriek en werkplaats dagelijks vernemen, en het zal hen ongetwijfeld met angst en weerzin vervullen.
Geen catechisatie ter eener zijde, en anderzijds een maalstroom van allerlei ongeloovige en revolutionaire redeneeringen. Dat moet een ontzettend gevaar medebrengen. Zoo komen onze jonge menschen gansch ongewapend in de hitte van den strijd. Ze zijn zonder eenige degelijke kennis der waarheid blootgesteld aan den invloed van allerlei doolgeesten. Geen wonder, dat het getal der afvallige jongelingen steeds toeneemt.
In Oost-Indië zijn de termieten of witte mieren. Deze insecten doorgraven binnen korten tijd een van hout opgetrokken woning. Onmerkbaar leggen zij hun gangen aan, die soms de dikte van een vinger bereiken. Aan de oppervlakte kunt ge echter niets verdachts zien. De buitenkant is geheel ongeschonden gebleven. Maar van binnen zijn de palen vermolmd. Slechts een lichte stoot is noodig, om straks heel het huis in elkaar te doen storten.
Als de witte mieren op die woning, zoo werkt de geest van ongeloof en twijfelzucht op menig jong mensch. Uiterlijk bleek alles hetzelfde. Zij vloeken niet, zij gaan nog ter kerk, zij schenden nog niet openlijk 's Heeren dag; maar toch is van binnen reeds een groote verwoesting aangericht. Het besef van eerbied voor God en Zijn Woord is geknakt. In de vragen en opmerkingen, die ze nu en dan zich veroorloven, wordt een geest van koelheid en onverschilligheid openbaar. Als nu straks zulke jonge menschen om hun arbeid naar een andere plaats moeten, waar ze niet meer onder het oog der ouders zijn, vallen ze weldra geheel af.
Het getal van jonge menschen, dat in dezen gevaarvollen toestand verkeert, is zeer groot en het wordt al grooter.
De nood der tijden moest er ons toe dwingen, om meer dan ooit op degelijke onderwijzing onzer kinderen de aandacht te vestigen. En dat om allerlei redenen. Vooral echter ook, wijl het ongeloof, ten spijt van al zijn hooge wijsheid, meestal lijdt aan de grofste onkunde ten opzichte van het Woord Gods. Menigeen, die met de Heilige Schrift spot, heeft er nauwelijks tien bladzijden met aandacht in gelezen. Indien nu onze jonge menschen goed onderlegd worden in de kennis der waarheid, zullen ze de wapens hebben om de ongeloovige bestrijders te wederstaan.
Dan kunnen ze ook worden onderwezen, hoe wij ons in den strijd, die de ongeloovigen ons rusteloos aandoen, hebben te verweren. Er is geen dwazer en onkundiger ding dan het ongeloof. Het geeft gedurig blijk van de botste onkunde ten opzichte van de heilige beginselen, die het stout en lasterlijk bestrijdt. Derhalve is niets een meer heilzame zaak voor onze jonge menschen dan deze kennis der waarheid.
De witte mieren laten de harde houtsoorten en die welke aromatische geuren verspreiden onaangetast. Laten wij ons beijveren, in onze zonen en dochteren een vaste overtuiging te wekken. Wat hun door aanhoudend onderricht en vermaan is ingescherft, — onze vaderen gebruiken het woord „ingestampt" — zal hun bij den eersten aanloop niet worden ontrukt.
Op de catechisatie moeten kinderen, het zaad der kerk, worden gevormd tot het belijden van den Naam des Heeren. Daar wordt de jeugd gebracht onder de beademing van het Woord Gods. Wat daar geleerd wordt, is het bukken van verstand en geest, van eigen inzicht en karakter, van geheel de persoonlijkheid onder de hooge — heilige macht der Schriftuur. Jongelingen en jongedochters, die met ijver de catechisatie volgden, zullen in den strijd der meeningen, die zij door de gesprekken op hun werk vaak hooren voeren, niet zoo gemakkelijk worden geschokt. En zoo het onderwijs door den Geest des Heeren aan het hart geheiligd mocht worden, zullen zij door den ernst, die spreekt uit hun leven en wandel, eerbied en achting afdwingen, ook bij hen, door wie ze vroeger misschien werden bespot.
Een jongeling, die meent geen tijd te hebben voor catechisatie, toont daarmede, dat hij geen besef heeft van de dure roeping zijns levens, noch ook van het gevaar, dat hem van alle zijden belemmert, wil hij die roeping vervullen. Onze kinderen zijn krachtens den heiligen Doop Gode toegewijd en behooren in den dienst des Heeren hun leven te besteden. Een timmerman nu, die oordeelt, dat zijn beurs den aankoop van noodzakelijke gereedschappen niet lijden kan, zal van zijn werk zeker weinig terecht brengen. En een jongeling, die meent geen tijd te hebben voor de catechisatie, berooft zich zelf van een der voornaamste middelen, door welke hij tot de belijdenis van 's Heeren Naam kan worden gevormd.
Daar komt bij, dat het in huisgezinnen waar aan deze gedachte steun wordt gegeven, allicht ook met de huiselijke onderwijzing treurig gesteld is. Anders toch zou men het met de catechisatie ernstiger nemen. Het mes snijdt hier alzoo van twee kanten. Geen wonder, dat bij zulke jongelieden spoedig de band aan het Woord en de band aan de Kerk is losgesneden, zoodat ze de wereld en het ongeloof ten prooi vallen.
Want zonder onderricht in de kennis der Goddelijke waarheden worden onze kinderen straks meegevoerd door allerlei wind van leer, die dagelijks hen om dwarrelt.
Een zoon of dochter van christelijken huize, die zich velerlei kundigheden heeft geëigend, doch onkundig bleef van de heilswaarheden, gaat de woelige en gevaarlijke levenszee op — zonder reddingsmateriaal. Hij mag veel kennen, dat hem roem en eer en voorspoed kan bezorgen, maar hij is een vreemdeling van alles wat in nood en dood alleen kan troosten en redden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juli 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juli 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's