De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven

10 minuten leestijd

Is de Herv. Kerk de valsche Kerk? VIII.

Onze Hervormde Kerk zegt in haar belijdenis, dat Gods Woord boven alles gaat en dat prediking, sacraments-bediening, kerkregeering, oefening der tucht enz., telkens aan dat woord moet worden getoetst en naar dat woord moet worden ingericht.

Dat weet ieder. Want de belijdenis-schriften onzer Hervormde Kerk bewaarde de Heere ons genadiglijk.

Maar hoewel men het weet en hoewel men die belijdenis-schriften nooit heeft durven veranderen, ook zelfs niet aanraken, heeft men met hulp van Koning Willem I, toen gansch ons volk bedwelmd was en de kerk krachteloos voortsukkelde, over die kerk onzer vaderen een net van reglementen en verordeningen geworpen, waaronder ze gevangen werd en nog gevangen is. Zoodat zè er nog wel is en ook nog wel dé Gereformeerde Kerk genoemd mag worden, met haar gereformeerde belijdenis, maar ze is wederrechtelijk ingeperkt, opdat ze zich niet vrij zou kunnen bewegen en niet naar haar gereformeerd beginsel zou kunen leven.

Neen, niemand kan zeggen, dat het de Gereformeerde Kerk niet meer is.

Die dat zegt lastert God, die over haar waakte, ook toen de vijanden de felste aanslagen tegen haar beraamden.

Die dat zegt loochent de bemoeienissen van den trouwen Bonds-God, die de historische documenten en de oudste brieven haar nog liet, wat niemand kan tegenspreken.

Maar, maar ... zij is aan handen en voeten gebonden. Zeker, ze kan nog wel wat zeggen, maar die haar dan tegenspreekt en hare belijdenis loochent, kan ze niet te woord staan voor de rechtbank van Gods Woord.

Men heeft haar hare wettige kerkelijke vergaderingen ontnomen en men dwingt en dringt nu in alles, dat ieder toch maar in die Hervormde Kerk zal kunnen wonen en daar toch maar zal kunnen blijven.

Neen, de Kerk is niet zonder belijdenis. Door heel de reglementen-bundel ligt het bewijs voor het tegendeel.

Maar men heeft het zóo gemaakt, dat eigenlijk altijd sussend wordt gezegd: „laat ieder toch vrij om te leeren en te doen wat hij wil, wat zijn hart hem ingeeft en wat zijn conscientie hem voorschrijft; vrijheid, blijheid!"

Wederrechtelijk heeft men onze Hervormde Kerk zoo in een harnas, in een dwangbuis gestoken.

Ieder moest en zou vrij zijn in die Kerk. Alleen de Kerk zélf mocht niet vrij zijn. De Kerk zélf mocht haar belijdenis niet beleven en verdedigen.

De Kerk zélf mocht niet voor de waarheid, die naar Gods Woord is, opkomen.

Alle mogelijke partijen mochten binnen de grenzen van die Kerk woelen en werken.

Maar de Kerk zelf mocht hare poorten niet bewaken en niet uitsluiten, die niet met haar belijdenis overeenstemden, niet terecht zetten, die haar leer schonden en haar leven bedreigden.

Ziet, daar dient een einde aan te komen.

Onze Hervormde Kerk, met haar gereformeerde belijdenis, moet weer vrij worden, om te zeggen en te kunnen toonen, dat zij de Gereformeerde Kerk is. En alleen zij, die de gereformeerde belijdenis liefhebben en eeren, daarin lezende de waarheid Gods, ons in het Woord geopenbaard, behooren in die kerk thuis, maar anderen niet.

Eu daarom willen we, dat duidelijk en ernstig gezegd zal worden aan de proponenten, dat onze Hervormde Kerk een belijdende kerk is, hebbende de leer onzer vaderen als wettig erfstuk, met welke goddelijke leer de bedienaren des Woords eerlijk en oprecht moeten instemmen, zonder eenig plan van publieke of heimelijke aanslagen tegen die leer té zullen smeden.

En ook moet dat gezegd worden aan alle godsdienst-onderwijzers(essen), die in de gemeenten gaan werken, om onderwijs te geven aan de kinderen of de getrouwden, die krank en of armen gaan bezoeken in hunne huizen.

Gelijk ook allen die belijdenis des geloofs wenschen af te leggen, moeten weten, dat zij in het openbaar toetreden tot en openlijk worden aangenomen in een kerk, die de Gereformeerde Kerk is, hebbende de Hervormde leer, in den zin door onze vaderen in de belijdenisgeschriften uiteengezet.

Dal moet een ieder weten, dat onze Herv. Kerk de Gereformeerde Kerk is, waar alleen gereformeerden thuis hooren.

En dan moet onze Hervormde Kerk hare wettige vergaderingen weer terug krijgen, die zijn naar uitwijzen van het Woord.

De plaatselijke kerk, een plantinge Gods als vrucht van den Geest, die het Woord in steden en dorpen nog weet toe te passen aan de harten van rijk en arm, moet een of meer eigen herders en leeraars bezitten, die het Woord recht snijden, eigen ouderlingen, die met de leeraars de gemeente besturen naar uitwijzen van Gods getuigenis en eigen diakenen, die de armen weten te bedienen met gaven, ook woorden der vertroosting brengend als dienstknechten van Christus, den barmhartigen Hoogepriester.

Dat is het eerste stuk van de regeering en besturing van Christus' Kerk op aarde noodig, gelijk Paulus met zooveel zorg in Klein-Azië rondging, dat er overal oudsten of ouderlingen door de gemeenten verkoren werden.

De beteekenis van den Kerkeraad is vooral niet gering te schatten in het midden van Christus' Kerk-op aarde.

De Kerkeraad der plaatselijke gemeente is het eenige bestuur dat wij kennen in de Kerk.

De Kerkeraad toch is een blijvend lichaam.

De Kerkeraad is er altijd.

Neen, we moeten niet beginnen met z.g.n. „hoogere" besturen.

Die zijn er in Christus' Kerk niet.

De leeraar en de ouderlingen zijn tot het besturen der Gemeente geroepen en niemand anders.

Daarom begint de Dordtsche Kerke-orde ook in art. 29, waar gehandeld wordt over de „Kerkelijke samenkomsten" met den Kerkeraad; en zegt dan in art. 37 „in alle kerken zal een Kerkeraad zijn, bestaande uit Dienaren des Woords en Ouderlingen, dewelke ten minste alle weken eens te samen komen zullen, alwaar de Dienaar des Woords (of Dienaren, zoo daar meerdere zijn, bij beurte) presideeren en de actie regeeren zal".

Nu hebben we verder wel volgens de Dordtsche Kerkeorde (die in 1816 aan onze Hervormde Kerk wederrechtelijk afgenomen is) classicale en synodale vergaderingen, welke op bepaalde tijden samenkomen, om de belangtn der gezamenlijke gemeenten te behartigen, doch dit zijn geen besturen, die een blijvende macht uitoefenen.

Zoodra toch de classicale of synodale vergaderingen zijn afgeloopen, is het ambt van den praeses ten einde en bestaat er geen classicale of synodale vergadering meer.

De Kerkeorde van Dordt kent geen classicale of synodale 6esferm, welke een blijvende of „hoogere" macht over de gemeenten uitoefenen.

Van ouds — reeds in de Kerkeorde van Embden 1571 Artikel 1 — heet het: „Geen Kerk zal over eene andere Kerk, geen Dienaar des Woords, geen Ouderling noch Diaken zal de een over den ander heerschappij voeren, maar een iegelijk zal zich voor alle suspiciën en aanlokking om heerschappij te voeren, wachten."

Om dus, gelijk in onze Hervormde Kerk, te spreken van de Algemeene  Synode als zijnde „het hoogste wetgevend, rechtsprekend en besturend lichaam" in de Kerk — is dwaas en geheel in strijd met Gods Woord en de gereformeerde beginselen en practijken.

De Kerkeraad is het eenige bestuur in de Kerk en het eenige blijvende lichaam, staande over de plaatselijke gemeente.

Terwijl dan de plaatselijke gemeenten ter classicale vergadering komen en bij monde van Kare afgevaardigden samen regelen en besluiten, wat in de afzonderlijke gemeenten niet afzonderlijk en plaatselijk afgehandeld kon worden.

Gelijk dan in de provinciale synode de plaatselijke gemeenten uit de provincie en in de generale synode de plaatselijke gemeenten uit gansch het land saamkomen, in welke meerdere vergaderingen meerdere gemeenten vertegenwoordigd zijn, — om welke oorzaak zoo'n meerdere vergadering ook meerder zeggenschap heeft, nl. over meer gemeenten.

Zoo kan alles naar Gods Woord goed geregeld worden.

En een Kerk, die opkomt uit de plaatselijke gemeenten, waar de Geref. waarheid geleerd en beleefd wordt, zal bloeien.

De Kerkeraad heeft dan zeggenschap over de plaatselijke gemeente.

De classicale vergadering, bestaande uit de plaatselijke gemeenten der classis, heeft zeggenschap over die gemeenten saam.

De provinciale synode en de generale synode, bestaande uit de plaatselijke gemeenten van een provincie of van heel het vaderland, heeft zeggenschap over de Kerk binnen de grenzen van de provincie of wel over de Kerk in haar geheel.

Niet dus zoo, dat de Synode hóoger staat in macht, maar omdat alle gemeenten gezamenlijk tot een besluit of regeling kunnen komen, 't welk voor allen geldig is, heeft de Synode meer zeggenschap, 't welk door Gods Woord ook erkend wordt.

In Handel. 15 wordt ons eene synodale vergadering beschreven, welke te Jeruzalem in het jaar 50 gehouden werd. '

Paulus en Barnabas en eenige anderen uit de gemeenten van Christenen uit de heidenen, worden afgevaardigd naar de Jeruzalemsche Synode.

Aldaar wordt een besluit genomen, bindend voor de heiden-christenen, dat zij de ceremonieele wet niet behoeven te onderhouden, doch dat zij zich zullen onthouden van het eten van bloed, van het verstikte, van hoererij enz.

Het is dus wel op Gods Woord gegrond, dat eene meerdere vergadering meerdere zeggingschap heeft dan eene mindere, omdat zij meerdere gemeenten vertegenwoordigt en in den middelijken weg de werking des Geestes uit meerdere gemeenten mag zien saam vallen tot het regeeren van veel en velerlei.

Maar de grondzuil voor de gereformeerde kerkregeering is de kerkeraad der plaatselijke gemeente.

Waarbij dan èn in den Kerkeraad èn in de Classicale Vergadering en in de Provinciale èn in de Generale Synode Gods Woord en de kerkelijke belijdenisschriften het accoord van gemeenschap en de toetssteen der waarheid moeten zijn en niets anders.

Want ja, dat is 't ten slotte waar alles op aankomt: in de Kerk moet vast staan, dat men een gemeenschappelijke geloofsbelijdenis heeft en het moet steeds een voorwerp van nauwkeurig onderzoek zijn, zooals in art. 44 van de Dordtsche Kerkeorde staat, „of men allerwege bij de zuiverheid der leer blijft en de aangenomen orde in alles onderhoudt."

Ontbreekt dat — dan ontbreekt eigenlijk alles, wat vastigheid en orde, groei en bloei, liefde en saambinding geven kan.

{Wordt vervolgd.)

Onze Zendingsdag.

Zoo de Heere wil en wij leven hopen wij Donderdag 1 Augustus a.s. naar het Zendingsfeest te gaan te Driebergen.

Dan is het de dag die jaarlijks aan de Zending gewijd is en waarop alle Gereformeerden in de Ned. Herv. .Kerk elkander opzoeken om saam op te trekken naar het feestterrein.

Niet elken dag hebben we het voorrecht dat we elkanders aangezicht zien, dat we elkander de hand kunnen drukken, dat we saam vergaderen, saam spreken, saam luisteren, saam zingen en saam bidden mogen.

Maar de Heere heeft ons nu een dag bereid, dat we althans ééns in het jaar, uit alle oorden des lands saamkomend, met elkander mogen vergaderen rondom Zijn Woord, om saam dan bizonder te spreken over het werk der Zending en saam te luisteren naar 't geen de Heere ons in Zijn Woord daaromtrent zegt.

Daarom gaan we D. V. 1 Augustus naar Driebergen.

En wanneer we dan gedenken den nood der heidenen, dan willen we ook gedenken den nood der Kerk.

Och, mocht in het midden van Christus' Kerk hier te lande Christus weer als Koning worden erkend en mocht het Woord des Heeren weer het hoogste gezag krijgen.

Wat moest daartoe één verlangen uitgaan van allen.

Wat moest éen gebed oprijzen naar omhoog van de lippen van duizenden.

Wat moest éen protest gehoord worden uit gemeente na gemeente, waar men de gereformeerde waarheid nog liefheeft.

Maar .... het is nog zoo stil in den lande. De Gereformeerden vormen nog niet éen leger.

't Is nog niet zooals in de dagen van onze Gereformeerde vaderen: rondom de Waarheid éen!

In de dagen van Calvijn blaften de honden als hun meester geslagen werd.

Maar in onze dagen weten de Gereformeerden er niet van om hun stem te doen hooren in den lande, waar hun Heiland en Koning gehoond wordt in het midden van de Kerk.

De Heere schenke ons nog genade, dat we, hulpe van Hem verkrijgende, mogen voort­ gaan om Zijn Woord te onderzoeken — om ook naar dat Woord te spreken.

Ook naar dat Woord te handelen. In Indië én in Nederland.

Uw Koninkrijk koom' toch, o HEER'; Ai, werp den troon des satans neer; Regeer ons door Uw Geest en Woord; Uw lof word' eens alom gehoord.

En d' aarde met Uw' vreez' vervuld. Totdat G' Uw rijk volmaken zult.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juli 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juli 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's