Allerlei.
De mensch en God.
Buiten op het platte land, midden tusschen de grootsche schepping Gods, heeft de mensch veel minder gelegenheid om zich zelven te gevoelen dan in de steden, waar hij tusschen de werken van 's menschen hand leeft en zich beweegt.
Daar buiten, in de vrije natuur, spreken alle dingen van de grootheid en wijsheid van den Schepper, die het elk oogenblik laat voelen, dat de mensch in alles van 's hemels zegen afhankelijk is.
Maar in de steden getuigt alles van 's menschen vernuft en van zijn schier almachtige kracht, waarbij de mensch volop gelegenheid heeft om uit en door en voor den mensch te leven.
Voordeel door verdrukking.
De menschen snoeien in het voorjaar rondom de takken van hun boomen, opdat ze hooger en rechter en sierlijker zullen opgroeien. Welnu, de Heere komt eveneens zoo dikwijls ónze takken snoeien door veel van ons weg te nemen en veel bij ons af te breken, opdat wij als cederen Gods zouden opgroeien, ons harte richtende op de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.
Meegesleept.
Drie jonge Engelschen bestegen den Mont-Blanc, zonder gids. Op den terugweg over de bevroren sneeuw waren zij uit voorzorg aan elkander gebonden, opdat, wanneer er een uitgleed, de anderen hem zouden kunnen tegenhouden. Toen echter de voorste aan den rand van een lange helling viel, sleepte hij de anderen met zich mee.
Eerst gleden zij langzaam voort, maar daarna ging het hoe langer hoe sneller, totdat zij in een afgrond vielen, waarin de eerste dood en de anderen bewusteloos bleven liggen.
Al is er een reuzenstrijd onder de geslachten om op te klimmen naar den hemel, uit den afgrond, van den zondeval zal de mensch nooit zich kunnen opheffen tot de bergtoppen des levens.
Uit den schoot van een door zonde vervloekte wereld zal in der eeuwigheid geen waarachtig leven en geen zalige vree geboren worden. God heeft haar met onvruchtbaarheid geslagen. En 't eenige wat zij baart is stroo en stoppelen, dat voedsel is voor het vuur der vertering.
De geschiedenis des heils heeft haar oorsprong uit God, die tot den gevallen mensch komt met Zijne belofte en die door de eeuwen heen telkens die belofte herhaalt en haar eindelijk vervult in Jezus Christus, Zijnen eigen, eeniggeboren en eeuwigen Zoon.
Op het avondrood in het paradijs is spoedig de nacht des doods gevolgd, waarvan de duisternis door vele sterren is verlicht, die ons den opgang van de zonne der gerechtigheid tegemoet voeren, wier stralen een dag zullen baren, die nooit een avondstond hebben zal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's